Nieuw werk van dichters die optreden in Carré

Op 28 februari 1966 vond in Amsterdam Poëzie in Carré plaats, de moeder aller poëziefestivals kunnen we nu wel zeggen. Haast op de kop af veertig jaar later is er komende week, op maandag 27 februari, een remake van dat roemruchte evenement, ook weer in Carré, natuurlijk.

In 1966 was poëzie op het podium een betrekkelijk nieuw verschijnsel. Dichters lazen tot dan toe nauwelijks in het publiek voor; om ze te leren kennen, moest je naar de boekhandel of de bibliotheek. Maar in de jaren zestig veranderde alles in Nederland: niet alleen de rol van de vrouw, onze collectieve preutsheid, de veilige ideologische nesten van weleer en onze omgang met de regenten, ook de poëzie en haar presentatie gingen op de schop.

Veertig jaar later is de dichtkunst allang gewend op straat te lopen, op grote podia, in slam-sessies, met stadsdichters. Poëzie is te vinden in bushokjes en op vuilniswagens. De Dichter des Vaderlands houdt voor ons het nieuws bij, en iedere stad heeft zijn eigen poëziefestival. Amsterdam trouwens niet, dat gaf in de jaren daarna het initiatief volledig uit handen, aan grote manifestaties in Rotterdam (Poetry International), Utrecht (Nacht van de Poëzie), Den Haag (Crossing Border, Winternachten, Dichter aan huis). Met Poëzie in Carré komt de dichtkunst dus weer (even) terug in de hoofdstad.

Het oude Poëzie in Carré is inmiddels legendarisch geworden. Waarom? Omdat een piepjonge Deelder er voor het eerst optrad (met lang haar). Omdat Johnny (van Doorn) the Selfkicker werd weggefloten. Omdat Gerard Reve zijn teksten na voorlezing weggooide. En omdat Roland Holst er nog was, die wist waar zijn publiek aan toe was: ‘Ik vrees dat ik u enorm moet teleurstellen. Ik ben enorm ouderwets en bovendien ben ik hees.’ Het moet een van de meest vertoonde filmfragmenten uit poëtisch Nederland zijn.

In 1966 vond ook het huwelijk tussen Beatrix en Claus plaats met de bijpassende rookbommen. Maatschappelijke onrust lag overal op de loer. Ook de poëzie was aan verandering toe. De Vijftigers, eigenlijk nog maar net gearriveerd en gecanoniseerd, zagen hoe dichters als K. Schippers, J. Bernlef en Hans Verhagen alweer de jongste reactie in de vorm van het nieuwe realisme voor het voetlicht brachten, terwijl Van Doorn en Deelder het startschot gaven voor de performance-poëzie. Oud en jong liep door elkaar, net zoals nu. Alleen, er waren geen dichteressen. Niet één, geen Vasalis, geen Ida Gerhardt, geen Hanny Michaëlis. Dat is nu wel anders: onder de vijfentwintig optredende dichters bevinden zich tien vrouwen.

Een blik op de deelnemerslijst laat zien dat er nu, net als in 1966, kopstukken ontbreken (toen bijvoorbeeld Lucebert, nu Campert, Kopland en Deelder, dit laatste tot schuimbekkende woede van de poëzie-inquisiteurs van internetsite Rottend Staal).

Nog opvallender is dat er haast geen performance-dichters optreden. Wat in 1966 net begon te ontkiemen, wordt veertig jaar later zo te zien met argusogen bekeken. Het lijkt daarmee een sobere heruitgave van 1966 te worden, met hardcore-poëzie en geen hupse entr’actes van trapezewerkers of zangeressen zonder naam, alleen twee dames die gedichten zullen zingen.

Een paar overlevers van 1966 zijn er ook dit keer bij: Kouwenaar, Vinkenoog, Hans Verhagen. En er is een bundel, met oude foto’s en nieuwe gedichten, waaruit we hier een keuze voorpubliceren. Plus een dvd met beelden van de Carré-avond in 1966.

Achteraf lijkt het of Poëzie in Carré 1966 een grote omslag in beeld brengt, van het ingetogen gevoel ‘met een boekje in een hoekje’ naar de levendige voordrachtspraktijk van tegenwoordig. De inleidster van de bloemlezing, Hagar Peeters, vraagt zich af ‘in hoeverre de politisering van de cultuur en maatschappij anno 2006, onder invloed van 11 september, de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en de uitwijzingen van Verdonk, gevolgen zal hebben voor de poëzie die nu in Nederland geschreven wordt’. Van dat alles zie je nog niet veel terug in Meer Poëzie in Carré, 1966 & 2006. Maar zo was het in 1966 ook. Niemand had nog een flauw idee hoe heel anders het later allemaal zou worden. En toch gebeurde het.

Maria Barnas

Ik maak dat hij wegkomt

Feeling unknown

And you’re all alone

Flesh and bone

By the telephone

Lift up the receiver

I’ll make you a believer

Uit: Personal Jesus, Martin L. Gore

Ik heb de tanden gepoetst. De haren gekamd.

De bibberende crème met eigenschappen onder de ogen gesmeerd.

Het andere huis gewenst.

Ik heb een lang recept uit de krant geknipt

en wit en blauw onthouden van het nieuwsbericht.

Ik heb een positieve instelling voor me gezien

en hoe medische molens draaien.

Hij was te licht zei zijn moeder.

Ik vond de knoop maar kreeg de draad niet door het oog

geregen. Ik heb al een variatie bedacht.

Ik heb het licht uitgedaan. Geloof me.

Hij zag god grijnzen in het oog van de naald

Ingmar Heytze

Gas

Hoe vaak heb ik het al beloofd?

Dit wordt het laatste wat ik schrijf.

Twintig jaar terug trof mij het lot

van stumper onder stumpers:

dichterschap. Mijn god,

wat heb ik dichters leren haten,

en mezelf erbij. Geen seconde kan

je overdoen, maar ik moest zo nodig

de bomen met mijn gal bevlekken,

overgevoelig gekweld bezeten.

Als het daar bij was gebleven,

soit. Maar ik begon te lezen.

Vaten bedorven rozenwater sloeg

ik achterover. De stakkerigste

strofen staan voor eeuwig

op mijn harde schijf: Piet Met

De Korte Lul en Victor Leve Het

Letterenfonds, Willie de Subsidiepot,

Herma De Authentica, Truus

Het Festivalexcuus –

genoeg, ik kan er niet meer tegen.

Geef gas: ik pak mijn motorjack.

Twee keer: ik trek mijn laarzen aan.

Drie keer: vaarwel, kom op, we gaan,

bij de poëet en zijn prullaria vandaan.

Neeltje Maria Min

Gezegd dat hij een man was

Gezegd dat hij een man was

Hem een geweer gegeven

Hem een oorlog in gestuurd

Hem in stukken teruggekregen

Hem begraven

Hem betreurd

Hem een bevrijding onthouden

Hem danspasjes en dronkenschap

onthouden

een loopbaan, pensioen, een hartaanval

Hem niet langer onthouden

Hem vergeten

Hagar Peeters

Vrijblijvend advies aan de uitgewezene

Zoals een Romeins leger na een nederlaag

de terugtocht aanvaardde

zo is na elk verlies een terugtocht mogelijk.

Aanvaard die.

Aanvaard niet het verlies

maar de terugtocht die erop volgt

tot in de eigen verschansing,

het harnas van het lichaam

tot waar je was

voor het verlorene volgde

en kies iets anders.

Een weg naar Rome.

Vrouwkje Tuinman

Jij ziet goed uit vandaag

De man van de griesmeelpannenkoeken

zegt iets tegen mij. De man de bakker.

Ik heb hem niet verstaan verdiept

in het vooruitzicht van mijn volle maag.

Veilig vol hij zegt het nogmaals

en ik schaam me. Je laat niet iemand

twee keer zeggen jij ziet goed uit.

Hij zegt ik mooi. Dat verstaan.

Zou hij weten hij is de eerste die tegen

mij praat vandaag – nooit spreken met

volle mond – dat het de derde pannenkoek

is deze week. Hij vraagt of ik getrouwd.

Hans Verhagen

Wakkerschrikking

De eenzame trams van Amsterdam

(het kreunen & het knarsen van)

waarin iedereen zich groter voordoet dan

hij is,

tevens zich zo klein maakt als maar kan

Het gieren van de lege wielen, fluitend bijna

door stokoude bochten, verspreidt vrees;

wie wakker schrikt herinnert zich allicht

de nachten van weleer, de jacht op

mensenvlees

Kletterend sluiten de kralengordijnen

Tranen, van de porseleinen zwanenhals

neerhangend tot ze lossen, zich

hernemend in breedsprakige fonteinen

Daarnaar zullen wij niet dorsten

Het besef van zulke grote, glasheldere

druppels

rept zich van sterfbed naar sterfbed

omdat het daar soms nog een willig oor

treft

We zullen in glasheldere druppels

verdwijnen

als we daarvan niet te veel vermorsten

Op 27 februari verschijnt bij uitgeverij Van Gennep ‘Meer poëzie in Carré. 1966 & 2006, 176 pagina’s, € 9,95