Dit is het levensverhaal van Peter Vos (1935-2010), één van de beste tekenaars die Nederland ooit heeft gekend.

‘We waren stevig aan het doordrinken, Peter al helemaal, maar af en toe ging hij even weg,’ vertelt Willem den Ouden. Den Ouden logeerde eind jaren vijftig met Peter Vos en andere jaargenoten van de Amsterdamse Rijksakademie in een kasteeltje in Zuid-Limburg. Ze zouden er landschappen tekenen.

‘We sliepen samen op één kamer en pas de volgende ochtend begreep ik waarom Peter er steeds tussenuit kneep. Daar lag een rijtje zelfportretten, met eronder genoteerd: getekend na zoveel glazen bier, na zoveel glazen, en tenslotte na een formidabel aantal glazen.’ Lachend: ‘Naar het evenwicht tussen drank en kunst is hij zijn hele leven blijven zoeken.’ Wat hij leerde in zijn academietijd, van zichzelf, van docenten, maar ook van medestudenten, had een beslissende invloed op Peter Vos. Soms simpele dingen: heb altijd een schetsboek en een pen op zak. Gé Röling, de vader van Marte, die hem in Artis leerde naar de natuur te tekenen, bleef hij altijd dankbaar. Van Kuno Brinks citeerde hij graag de uitspraak: ‘Dat begint op kunst te lijken wat u daar doet. Dat doet u thuis maar. Hier bent u om een vak te leren.’ Vos werd bewonderd door zijn medestudenten, zegt Den Ouden. ‘Toen al maakte hij een zelfportret dat tot het beste hoort in de Nederlandse kunstgeschiedenis.’

Een tijdlang woonden ze in hetzelfde huis in de Amsterdamse Pijp. Ze spraken over Russische literatuur en over de rol van de kunstenaar. ‘Ik pleitte ervoor dat je geen kapsones moest hebben,’ zegt Den Ouden. ‘Als kunstenaar moest je niet de aandacht van anderen op je vestigen, maar vooral zelf heel goed kijken. Daar hoefde ik Peter niet van te overtuigen: hij was verlegen en een ongelooflijk scherpe waarnemer.’

Bohémien

Voordat Peter Vos bij Willem den Ouden introk, verzorgde hij zijn vader in Utrecht. Cornelis Vos, bijgenaamd Der Foeks, was verlamd geraakt ten gevolge van hersenvliesontsteking, opgelopen tijdens de mobilisatie voor de Eerste Wereld­oorlog. Als journalist en uitgever had hij het leven van een bohémien geleid in Utrechtse cafés. Zijn laatste jaren sleet hij eenzaam thuis, één been afgezet, verzorgd door zijn zoons Peter en Paul. In 1955 stierf hij, Peter Vos was toen twintig. Hij tekende het sterfbed, met zijn broer Paul ernaast. Aan het hoofdeinde stond het portret van schrijver Joseph Roth, een goede vriend. Der Foeks kuste het portret iedere avond. Peter Vos zou Roth zelf vaak citeren: ‘Men kan wel te veel drinken maar nooit genoeg.’

Het sterfbed van Der Foeks, door Peter Vos
Het sterfbed van Der Foeks, door Peter Vos
De tekening maakte diepe indruk op Den Ouden, zegt hij. ‘Hij laat het natuurtalent van Peter Vos zien en ook het grote belang dat zijn vader voor hem had.’ Vos heeft meerdere portretten getekend van ‘pappa’, zoals hij hem consequent bleef noemen: als maraboe, als eenbenige piraat Long John Silver, als paus. Het is opvallend dat hij zijn moeder, Netty Hofland, die hij ‘de mooiste vrouw die ik ooit heb gekend’ noemde, nooit heeft geportretteerd. Zij overleed toen Peter vijftien jaar oud was. ‘Zijn moeder, die werkte als hoedenmaakster, was vaak depressief,’ zegt Saïda Vos. ‘Ze schokte de jonge Peter door hem te dreigen met hel en verdoemenis en bij het minste of geringste uit te roepen: “Mijn god, waar heb ik zulke kinderen aan verdiend.”’ Peter zocht zijn toevlucht bij het muzikale gezin Andriessen, ‘zo’n feestelijke familie, ik ben er gedeeltelijk opgevoed’. Ook op straat voelde hij zich als kind beter thuis dan bij zijn ouders. ‘Bij volwassenen waande je je altijd op vijandig terrein.’

De brave zoon

Cornelis Vos verzorgde een rubriek in de Utrechtsche Courant en was uitgever van het literaire tijdschrift De Gemeenschap. Hij was bevriend met schrijvers Anton van Duinkerken en Hendrik Marsman, schilders Charles Eijck en Henry Jonas, ontwerper Gerrit Rietveld, uitgever Charles Nypels. ‘Pappa had zelf geen talent,’ zei Peter Vos, ‘maar hij kon het met elegante jaloezie stimuleren.’ Hij verkondigde dan ook tegen zijn vrienden: ‘Peter wordt de beste tekenaar van Nederland.’ Dat enthou­siasme van zijn vader bleek zowel een stimulans – op zijn aandringen meldde Peter zich aan bij de Rijksakademie – als een zware last. Jaren later, in 1985, tekende hij zichzelf als Yorick, de hofnar uit Hamlet, met zijn vader op zijn rug. In zijn dagboek schreef hij in dezelfde tijd: ‘Je bent geen tekenaar. Je moest er een worden van pappa. De brave zoon, die ’t leven leidt, dat zijn vader van hem verlangt.’

‘Wij zijn er om te kijken, niet om bekeken te worden’

Der Foeks vond hem dan wel geniaal, zijn tekeningen waren nooit goed genoeg. ‘Mijn opa’s strategie was: ik moet Peter opnaaien,’ vertelt zoon Sander Vos. ‘Dus zei hij altijd: ik heb wel eens wat beters van je gezien. Hij gaf hem een onmogelijke opdracht mee.’ Peter Vos nam zich voor die fout zelf nooit te maken, zegt Sander, die twee Gouden Kalveren in zijn raamkozijn heeft staan voor zijn prestaties als editor bij de films Paradise Now en Black Butterflies. ‘Hij prees dus elk lijntje dat ik op papier zette. Hij had zelf geleden onder de afstandelijke relatie met zijn ouders, wij trokken dus juist met elkaar op als een soort tweeling, waarvan hij de voorlijkste was. Ik zat op zijn atelier te spelen terwijl hij werkte, we tekenden samen, hij besprak alles met me, ook zijn liefdesperikelen. Hij nam me mee naar vrienden, tot diep in de nacht naar cafés.’ Behalve zijn ouders was ook Peters broer overleden, op zijn drieën­dertigste, aan een hartaanval. ‘Ik was Peters enige familie,’ zegt Sander Vos. ‘Misschien om dat te benadrukken praatte hij in de wijvorm tegen me. Hij zijn dan bijvoorbeeld: “Wij zijn er om te kijken, niet om bekeken te worden.”’

Hoofdzonden

Na de Rijksakademie werd Peter Vos lid van grafisch genootschap De Luis, waarvan zijn vriend de etser Charles Donker lid was. Ook kreeg hij via Theo Sontrop zijn eerste opdrachten als illustrator. Sontrop, tegenwoordig dichter en uitgever in ruste, zat op dezelfde lagere school als Peter Vos, en daarna gingen ze samen naar het St. Bonifatiuslyceum. Later troffen ze elkaar bij café Arie op de Brug, met andere vrienden, zoals de jong gestorven dichter Alain Teister, die over zijn vriend schreef: ‘Peter Vos is gewoon een mooie vreemde vogel.’ Ze verloren elkaar uit het oog toen Vos naar de Rijksakademie ging, vertelt Sontrop. ‘Tot ik op het stationspostkantoor in Utrecht, waar ik een bijbaantje had, een merkwaardige brief zag met een prachtige zelfgetekende postzegel. Ik herkende meteen de hand van Peter.’
Korte tijd later kwam Sontrop, die in de redactie zat van het satirische studentenblad Propria Cures, Vos tegen in de trein. ‘Ik vroeg hem of hij geen illustraties voor PC wilde tekenen.’ Sontrop heeft het nageteld, hij heeft achttien litho’s van Vos in zijn verzameling. In het halletje van zijn huis op Vlieland hangt zijn eerste aankoop: de vraatzucht, een van de zeven hoofdzonden die Peter Vos in 1959 toonde op zijn eerste tentoonstelling in Utrecht. ‘Daar hing ook een nogal blasfemische kruisiging. Peter was opgevoed in de paapse superstitiën, zijn ouders waren rooms. Op die rembrandtieke tekening staat onder het kruis de maagd Maria die door Johannes onder de rokken wordt gegrepen. Die prent werd gekocht door de latere uitgever Pierre Vinken.’

Zelfportret in spiegel met tekenmateriaal, 1959, uit album Haastige keuze uit illustraties en ander werk van Peter Vos, samengesteld begin 1960
Zelfportret in spiegel met tekenmateriaal, 1959, uit album Haastige keuze uit illustraties en ander werk van Peter Vos, samengesteld begin 1960

Fritzi

‘Een soort ouwejongenscircuit was het,’ zei Peter Vos over het gezelschap waarin hij bij Propria Cures terecht kwam. ‘Maar dat wist ik helemaal niet.’ Hugo Brandt Corstius zat tegelijk met Sontrop in de redactie, daarna kwam Rinus Ferdinandusse erbij en ten slotte Joop van Tijn. Toen Ferdinandusse naar Vrij Nederland verhuisde, in 1958, ging ook Peter Vos voor het weekblad tekenen. Samen met Piet Grijs maakten ze de satirische rubriek ‘Vrij Blijvend’. Rinus Ferdinandusse herinnerde zich voor een toespraak een schokkende tekening in het kerstnummer – de jaren zestig moesten duidelijk nog beginnen: ‘De hoofdredacteur schrok toen hij de krant opensloeg en een cartoon van Peter Vos zag. Een engel die uit een stal komt, en riep: ‘’t Is een jongen!’ Hij wist wat er ging gebeuren en dat gebeurde ook: een vet pakketje boze brieven van geschokte lezers.’ De rubriek ‘Vrij Blijvend’ werd twee jaar later ‘Terzijde’, een licht satirische rubriek die vijfenveertig jaar door Peter Vos zou worden geïllustreerd met melancholieke en grappige leeuwtjes. De zwervende eenling, altijd op zoek naar vriendschap en onderdak, had bij Vrij Nederland zijn thuis gevonden, zegt zijn zoon Sander. ‘Hij voelde zich lekker bij Vrij Nederland, “mijn krant” zoals hij het noemde. Des te harder kwam het aan dat hij op zijn eenenzeventigste verjaardag een briefje van een regel of vijf kreeg dat ze hem niet meer konden gebruiken. Dat heeft hem gebroken.’

De leeuwtjes die Peter Vos voor Vrij Nederland tekende.
De leeuwtjes die Peter Vos voor Vrij Nederland tekende.

Vos en Sontrop bleven elkaar zien, bijvoorbeeld in villa Jagtlust aan de Eemnesserweg in Blaricum. Daar verzamelde zich ‘tout Amsterdam’ rond tekenares en dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze was in de leegstaande villa getrokken en woonde er een paar jaar met haar tweede echtgenoot Remco Campert – Camperts Alle dagen feest gaat over die episode. Gerard Reve beschreef het ‘zorgeloos kunstenaarsvolkje’ in Op weg naar het einde. Van Theo Sontrop is het verhaal dat Reve toen het bier eens op was een bierglas volpiste. Peter Vos dacht dat het pils was, nam een slok en zette het glas walgend weg. Waarop Reve zijn eigen pis zonder blikken of blozen achterover sloeg.

‘Het gigantisch krothuis’, zoals Reve de buitenplaats van de Amsterdamse bohème in Nader tot U noemde, was inderdaad in verval toen Peter Vos er in 1961 op bezoek ging bij zijn vriend Theo Sontrop. Die was daar via via beland en mocht op de benedenverdieping wonen. ‘Peter werd betoverd door Fritzi,’ vertelt hij. ‘Ze wás ook bijzonder aantrekkelijk. Een barok talent, ze barstte van de fantasie, maakte eigen woorden, tekende prachtig. Maar ze leefde nogal slordig.’ Peter Vos was verliefd en dat bleek wederzijds. ‘Peperi Fox’, zoals Fritzi hem noemde, trok bij haar in en zou een paar jaar op Jagtlust blijven wonen. Zoals hij ook voor latere liefdes zou doen, maakte Vos zijn mooiste tekeningen voor Fritzi. En zij tekende terug.

‘Fritzi en Peter waren allebei even onhandig als romantisch’

 

Kapot

Saïda Vos loopt naar het vroegere atelier van Peter Vos en komt terug met een pakje Egyptische sigaretten. Vos was een verstokte roker, maar op Jagtlust probeerde hij kennelijk te stoppen. ‘Kijk, die sigaretten zijn door Fritzi beschilderd met miniatuurvogeltjes. Met de boodschap: als dit de enige sigaretten zijn die in huis zijn, blijf je daar wel van af. Mooi hè?’ Saïda ging later wel eens met Peter bij Fritzi op bezoek. ‘Geweldig leuk om die twee samen mee te maken. Ze waren allebei romantisch en onpraktisch, ze hadden het nooit gered met zijn tweeën.’

Ten Harmsen van der Beek weigerde mee te werken aan het boek Jagtlust van Annejet van der Zijl, en dus zweeg ook Peter Vos. Hij was kwaad op anderen die wél uit de school klapten, zegt Theo Sontrop. ‘Toen het boek een week of drie uit was, belde Peter. Ik zei goh, wat leuk dat je belt. Hij antwoordde korzelig: “Dat is helemaal niet leuk, want ik bel om je de vriendschap op te zeggen.”’ Destijds had Vos hem al verweten dat hij hem niet had gewaarschuwd toen hij merkte dat Hugo Brandt Corstius uit was op een affaire met Fritzi. ‘Maandagochtend ging Peter naar Vrij Nederland vanwege de leeuwtjes voor Terzijde en als hij weg was, verscheen Hugo Brandt Corstius.’ Peter Vos was kapot toen het uit was. Sontrop zag hem aan de rand van de vijver van Jagtlust staan met een van de boeken die hij voor Fritzi had gemaakt. ‘Hij scheurde het stuk en liet bladzij na bladzij in het water dwarrelen.’

Sloddervos

Peter Vos tekende op Jagtlust nogal wat boeken in een oplage van één exemplaar voor Fritzi: Astrologie voor beginners en nitwits, Het eiland Hop, Geïllustreerde gids van Jagtlust en omstreken, Honderd reigers. Alleen het laatste boek werd ook echt uitgegeven: het ging Vos nooit om het publiceren, maar om het tekenen zelf en om het weggeven van zijn tekeningen aan wie hem lief was. Zo tekende hij voor Anneke Bakkum, de moeder van zijn zoon Sander, met wie hij een jaar na zijn vertrek van Jagtlust trouwde, het Klein Pulcinellenboek voor Anneke. Aan Ninon Legrand, met wie hij maar acht maanden getrouwd was, droeg hij een aantal zelfportretten op en voor zijn derde en laatste echtgenote Saïda Vos maakte hij naast veel losse tekeningen Vogeldagboek Lunteren, waarvan maar één exemplaar bestaat, en het boekje Wat je ook niet vaak ziet; doordeweekse emblemata.

Anneke Bakkum Vos (moeder Sander Vos).18 december 1975.13,7x21. © Peter Vos, collectie Sander Vos
Anneke Bakkum Vos (moeder Sander Vos).18 december 1975.13,7×21. © Peter Vos, collectie Sander Vos

‘Peter gaf alles weg. Tentoonstellingen en boeken kwamen er alleen door inspanningen van anderen,’ zegt Willem den Ouden. Zelf bewaarde hij alle briefjes, tekeningen en schetsjes die hij van Vos kreeg. In zijn atelier hangt nog een zelfportret van Peter Vos met een verbeten mond in de stijl van de expressionistische schilder Max Beckmann. ‘Typisch Peter, hij citeerde bij wijze van grap graag andere kunstenaars.’ Verder heeft Den Ouden zijn hele verzameling aan het Rijksprentenkabinet geschonken. ‘Peter was een gulle vriend en ook een onvoorstelbare sloddervos. Hij was een geniale tekenaar, maar ik heb wel eens tegen hem gezegd: je laat je werk achter als een hond zijn stront.’ Peter Vos gaf nu eenmaal niet om materieel bezit. Toen schilder Jan Sierhuis de originele Rietveldstoel bewonderde die hij van zijn vader had geërfd, zei de tekenaar, die toch al een hekel had aan de hoekige ontwerpen van zijn vaders oude vriend Rietveld: ‘Vind je hem mooi? Je mag hem hebben.’

Beatrix en prins Claus, fan van Peter

Ook al was carrièreplanning of geld verdienen niet aan Vos besteed, zijn werk werd steeds gewilder. Deborah Campert verkocht veel van hem in haar galerie. ‘De Amsterdamse incrowd hield van hem, maar die niet alleen. Nog vóór ik in 1970 mijn galerie Balans opende, kwam prinses Beatrix al bij me langs om tekeningen te kopen als sinterklaascadeautje voor prins Claus, die een fan was van Peter.’ De roem van Peter Vos werd in dezelfde tijd nog vergroot door het succes van zijn Beestenkwartet en hij ging ook de grens over. In een Parijs’ hotel maakte hij de omslagtekening voor Mary McCarthy’s roman Birds of America. In een brief aan Hannah Arendt beschreef McCarthy haar Nederlandse tekenaar: ‘Een vreemde jonge kunstenaar, een wild verschrikt schepsel, een vogel- en dierenliefhebber. Hij heeft een prachtige tekening gemaakt na twee angstige dagen in een hotel verderop in de straat.’

Mary McCarthy introduceerde Peter Vos bij The New York Review of Books. ‘Hij heeft inderdaad een keer voor dat blad getekend,’ vertelt Saïda Vos. ‘Maar zijn tekening werd zo beroerd afgedrukt dat hij het verder verdomde.’ Lachend: ‘Peter heeft er echt alles aan gedaan om niet door te breken in het buitenland.’ Een paar jaar later kwam Mary McCarthy bij Vos langs op de Oudezijds Voorburgwal. Daar woonde hij sinds het stuklopen van zijn eerste huwelijk bij Renate Rubinstein. McCarthy vond alles even prachtig en Vos gaf haar een tekening. En nog een tekening. En nog een. Waarop Cees Nooteboom, die met haar was meegekomen, tegen hem moest zeggen: ‘Maar Peter, Mary is hier om te kópen.’

‘Renate Rubinstein was een grote gebeurtenis in mijn leven’

Hongerstaking

Uitgever Maurits Rubinstein bezit als beheerder van de nalatenschap van zijn tante Renate nogal wat werk van Peter Vos. ‘Renate heeft tientallen tekeningen en litho’s van hem gekregen.’ Uit de stellingkasten op zijn uitgeverij komen een paar dozen correspondentie en foto’s tevoorschijn. Het zijn brieven aan Renate Rubinstein uit oorden waar Peter Vos met zijn vriend Charles Donker naartoe reisde om vogels te bekijken. Maar ook kattebelletjes met opmerkingen als: ‘Wat doen we met Carmiggelt potver3.’ Peter Vos maakte op de Oudezijds Voorburgwal een serie portretten van Simon Carmiggelt, met wie Rubinstein toen een geheime verhouding had. De brieven van Renate zijn in het bezit van Saïda Vos. ‘Denk dat ik in hongerstaking ga,’ schrijft Renate aan Vos over een onduidelijk conflict met de hoofdredactie van Vrij Nederland. Of ze vraagt hem om haar portret te tekenen – wat hij nooit heeft gedaan. Vaak gaat het over werk, over drank, of, bij Peter Vos, over alle twee: ‘Somberheid en wanhoop. IJsberen en zo min mogelijk drinken tot ik de oplossing vond: de opdrachten teruggeven.’ Bijzonder zijn de getekende berichten van Peter Vos, vaak in de vorm van een rebus, met als hoogtepunt het trompe-l’oeil-huurcontract dat Vos voor zijn tijdelijke huisbaas tekende.

Foto uit Collectie Rubinstein
Foto uit Collectie Rubinstein

De ontmoeting met Renate Rubinstein noemde Peter Vos ‘echt een grote gebeurtenis in mijn leven’. ‘Komt een beeldschone dame binnen en meteen is de hele kamer vol van wat zij zegt,’ vertelde hij. ‘Renate was iemand; daar hoorde ik bij.’ Hij noemde haar ‘mijn bitsige zusje’. ‘Vrienden voeden elkaar op en Renate is een deel van mijn opvoeding. Ik heb met wie ik tegenkwam behoorlijk gemazzeld in het leven.’

Dekwit

Die vrienden vond hij wel vaker onder collega’s bij Vrij Nederland. ‘Onze meester is dood’, zetten tekenaars Siegfried Woldhek en Peter van Straaten in hun gezamenlijke rouwadvertentie voor Peter Vos. Ze deelden hun liefde voor tekenen en voor vogels. ‘Meedenken met gelukkiger, lichter dieren,’ zoals Vos het noemde, met een citaat van Dick Hillenius. Met zijn drieën trokken ze eropuit om vogels te bekijken. ‘En om te ouwehoeren. We hadden wel een schetsboek in de tas maar we gebruikten het niet.’ Allebei vertellen de tekenaars over de wet van Vos: nóóit ‘dekwit’ gebruiken om je fouten te verbloemen. Van Straaten hield zich er niet aan, zegt hij. ‘Ik werk nu eenmaal voor de reproductie, niet voor aan de muur.’

Siegfried Woldhek luisterde wel naar Vos. ‘Peter kijkt nog steeds mee over mijn schouder. Dekwit maakt je lui, zei hij. Je moet je fouten oplossen in het werk. Dat levert je scherpte op, concentratie.’ Hij noemt Vos de belangrijkste tekenaar van de vorige eeuw. ‘Ik ken niemand met zo’n mooie lijn. Peters lijntjes zwiepen of aaien, bijten en zingen.’ Peter van Straaten ontmoette de even oude Peter Vos toen ze allebei nog studeerden. ‘Hij had tekeningen bij zich en ik viel zowat van mijn stoel. Ik dacht dat ik goed kon tekenen, maar dit was echt ongelooflijk.’ Toen hij ook voor Vrij Nederland ging werken, raakten de twee Peters bevriend. Ze werden ook vaak verwisseld: won Vos een Gouden Penseel, kreeg híj felicitaties, vertelt Van Straaten. Ze bleven elkaar altijd zien, al werd dat op het laatst minder. ‘Hij was helaas een beetje verbitterd; hij voelde zich slecht behandeld door Vrij Nederland en miskend door de kunstwereld. Een ontmoeting liep steevast uit op drinken en zingen. Het was vooral Peter die dan zong; hij had zoveel liedjes.’

Gedichten

‘Ik zie het hiernamaals wel eens als zo’n grote ligusterheg,’ zei Peter Vos. ‘Daar zitten er een heleboel mussen en die praten allemaal gelijk, door hun geluid laten ze weten dat ze er nog zijn. Een soort sociëteit. Tsjielp! Tsjielp!’ Op de vraag hoe hij zou willen sterven, antwoordde Vos toen hij 33 was, de leeftijd waarop zijn broer Paul overleed: ‘Ik denk niet dat daarmee rekening gehouden wordt.’ In september 2010, vlak voor de opening van de tentoonstelling van Peter Vos en zijn vriend Charles Donker in het Centraal Museum in Utrecht, werd de diagnose alvleesklierkanker gesteld. ‘Hij is nog even naar de opening gegaan terwijl hij verrekte van de pijn en heeft zo afscheid genomen van zijn vrienden,’ zegt Saïda Vos die hem de laatste weken van zijn leven verzorgde. Toen zijzelf voor een hartoperatie werd opgenomen, waren Peters zoon Sander en zijn stiefzoon Anwar bij Peter Vos, zoals Peter zelf en zijn broer ooit aan het sterfbed van hun vader zaten. ‘Hij lag in zijn atelier,’ vertelt Sander Vos. Peter Vos was gestopt met tekenen, maar hij bekeek samen met Sander zijn eigen werk. ‘Het geloof van zijn ouders in hel en verdoemenis had hij van zich afgeschud,’ zegt zijn zoon. ‘Maar voor de zekerheid moest ik wel The God Delusion van Richard Dawkins voor hem uit de boekenkast pakken. En hij las werk van overleden vrienden als Karel van ’t Reve en Rudy Kousbroek.’ Toen dat door de morfine niet meer lukte, las Sander hem voor. ‘Vooral gedichten, véél gedichten: Le bateau ivre van Rimbaud, Paul van Ostaijen, een gedicht van Anton van Duinkerken uit een bundel die zijn vader nog had uitgegeven. Tussendoor hoorde je hem dan zachtjes zeggen: “O, wat móói!”’

Museum Het Rembrandthuis in Amsterdam organiseert vanaf 8 juni de eerste grote expositie waarin Peter Vos’ meest ambitieuze project centraal staat: de getekende Metamorfosen van Ovidius.

Diezelfde dag is de Grote Peter Vos Avond op Cultura 24, vanaf 20:30 uur. Meer info hierover en enkele fragmenten uit de docu’s die getoond zullen worden vindt u in de bladwijzer ‘Docu: Metamorfosen van tekenaar Peter Vos’ van Mischa Cohen.