James Franco’s veelgeprezen film doet buitengesloten kunstenaars geen eer aan.

Afgelopen week kwam ieders favoriete slechte film The Room uit in zeshonderd bioscopen in de VS, de eerste echte bioscooprelease sinds de film uitkwam in 2003. Deze onverwachte mijlpaal was in de eerste plaats te danken aan het succes van The Disaster Artist, James Franco’s film-over-de-film, waarvoor Franco tot nu toe o.a. een Golden Globe en een Gotham Award won.

Het is geen geheim wat James Franco zo aansprak aan The Room en diens wonderlijke ontstaansgeschiedenis. “Het is een verhaal over outsider artists die hun droom proberen te verwerkelijken”, zei Franco in een interview met W Magazine. In een stuk voor Vice beschrijft hij hoe hij in de worstelingen van Tommy Wiseau de universele ervaring van het creëren van kunst las. Voor Wiseau is het maken van zijn film niet alleen een vorm van expressie, maar ook een poging om toe te treden tot een sociale cirkel die hem consequent buiten sluit. Met zijn film en uitbundige zelfpromotie (een gigantische close-up van zijn gepijnigde gezicht doemde vijf laar lang op boven een benzinestation in Los Angeles, met daarnaast zijn persoonlijke telefoonnummer) is Wiseau op zoek naar faam, en bijgevolg naar liefde en acceptatie. Franco: “In so many ways, Tommy c’est moi.”

Tommy Wiseau, Associated Press/Hollandse Hoogte

Ik vond het daarom verrassend, maar misschien ook wel veelzeggend, dat Tommy Wiseau in The Disaster Artist wordt neergezet als een onaangepast en bijna onverdraaglijk onsympathiek figuur. Hij is verschrikkelijk manipulatief, toont geen enkel inlevingsvermogen voor de mensen die hem helpen zijn film te maken, en lijkt uitsluitend geïnteresseerd in zijn eigen belang. Hij gunt zijn ‘beste vriend’ Greg Sestero geen succes of liefde buiten hun gezamelijke filmproject, en saboteert zonder wroeging Sestero’s kans om het te maken als baardige achtergrondhouthakker. Bij elke tegenslag gaat hij schreeuwen en met spullen smijten, als een peuter die nog niet geleerd heeft dat hij niet het centrum van de wereld is.

In The Disaster Artist hoeft Tommy Wiseau dat ook niet te leren, want hij heeft een schijnbaar oneindige hoeveelheid geld tot zijn beschikking. Hij is een outsider, maar wel een outsider die er een pied-à-terre in Los Angeles op nahoudt en miljoenen dollars heeft om zijn ego-project te sponsoren. We leren niets over Wiseau en zijn ervaringen voor het maken van de film. Het is een vreemde positie: de film zet Wiseau neer als een onhebbelijke manbaby, maar tegelijkertijd is hij de underdog waar we aan het eind voor moeten juichen.

Het is op zich een waardevol idee om een zonderlinge film als The Room, tot voor kort niet veel meer dan een internationale inside joke, te bekijken als een vorm van outsider art, een kunstwerk gemaakt door iemand die niet geholpen (en dus ook niet gehinderd) wordt door toegang tot de gevestigde kunstwereld. Wie praat over outsider art (ofwel art brut, een gangbare Nederlandse term is er niet), heeft het al snel over de vraag waarom mensen de neiging voelen kunst te creëren, en daarmee de vraag wat kunst is. Waarom laadt een postbode in ruraal Frankrijk drieëndertig jaar lang zijn kruiwagen vol steen om op een verloren stuk grond een paleis te bouwen? Wat drijft een concièrge er toe om gevonden stukjes aluminiumfolie en gloeilampjes om te toveren in schitterende altaars?

Maar Franco doet dat geen recht aan door het verhaal van Tommy Wiseau in een soort universeel ‘als je maar gelooft in jezelf, dan komt alles goed’-narratief te persen. Wat hij lijkt te vieren, is dat je ook zonder talent, een goed karakter of empathie een heel eind kunt komen, zolang je doof blijft voor kritiek en een oneindige hoeveelheid geld hebt.