Interview / Charles Leadbeater, goeroe van politici
Charles Leadbeater geldt als een man die achter de schermen aan vele touwtjes trekt. Hij was het die Tony Blair in de jaren negentig inwijdde in de geheimen van de nieuwe internet-economie. In 1999 schreef hij de visie die de Europese leiders ertoe inspireerde op de top van Lissabon te dromen over Europa als de meest competitieve kenniseconomie van de wereld. Nu adviseert hij overheden van Engeland tot China en bedrijven van Vodafone tot de Royal Shakespeare Company over innovatie. Soepel gaat hij om met de groten der aarde. Op conferenties verkeert hij met mannen als Bill Gates en de Finse premier Matti Vanhanen. In de inhoudsopgave van een door eurocommissaris Peter Mandelson samengesteld boek staat zijn naam onder die van Bill Clinton. Intussen werkt hij aan zijn eigen boek We Think, waarin hij doordenkt over de vraag hoe internet ons de heerlijke wereld van de massacreativiteit brengt. Zelf probeert hij daar al een voorproefje van te geven door ruwe versies van zijn boek op het web te zetten en lezers de kans te geven mee te schrijven.
Leadbeater ontvangt ons in zijn zelfgebouwde huis in het noorden van Londen. Het uit beton, staal, hout en glas opgetrokken bouwwerk rijst voorbij een garage van Geeks on wheels op aan het eind van een onverhard, doodlopend steegje dat naar obscure oorden lijkt te voeren. Zijn vrouw roept hem via de telefoon uit zijn aquariumachtige kantoor in de tuin. ‘Jullie zien er koud uit, jongens,’ luiden zijn welkomswoorden, en hij schotelt ons een bord kruidige, Indiase kippensoep voor.
Als een echte goeroe lijkt Leadbeater ervan te houden zijn leven te mystificeren. Op zijn website en ook op het door hem zo geroemde Wikipedia geen basale feiten als geboortedatum en studie. ‘Ik dacht dat niemand zich daarvoor interesseert. Maar als jullie dat willen weten, prima. Ik ben geboren in Preston in 1959. Op mijn negende verhuisde ik naar Basingstoke – één grote nieuwbouwwijk – waar mijn vader een sportcentrum runde. Ik was een slechte leerling. Vanaf mijn zestiende raakte ik meer geïnteresseerd in studeren. Toen kreeg ik een scholarship voor Oxford en ik studeerde daar politiek, filosofie en economie.’
Na zijn opleiding ging Leadbeater aan de slag als journalist. Een van de wapenfeiten waar hij graag mee schermt, is dat hij het idee voor de column van Bridget Jones bedacht. ‘Toen ik chef specials was bij The Independent wilden we iets doen om jonge vrouwen aan te trekken. Ik zag een column in een andere krant voor oudere vrouwen. Toen vroeg ik Helen Fielding om iets dergelijks voor de jonge, moderne vrouw te schrijven. Het is fantastisch om iets enorm succesvols te bedenken. Na de eerste zes weken Bridget Jones kwamen de brieven en faxen binnen. Daarna nam het een vlucht. Het was een kwestie van timing: het vinden van de juiste persoon voor het juiste idee op het juiste moment. Fielding bedankt mij uitvoerig in haar boek. Zij woont nu in Beverly Hills. Een van de redenen dat ik na The Independent echt onafhankelijk ben geworden is omdat ik aan dat idee nooit een cent heb verdiend.’
De eerste twee jaar nadat Leadbeater had besloten de sprong te wagen en zich in zijn slaapkamer had gevestigd als onafhankelijk denker en schrijver, verdiende hij geen sou. Toen schreef hij zijn eerste boek: Living on Thin Air: The New Economy. Het waren de hoogtijdagen van de internethype en Leadbeaters blijde boodschap over de nieuwe economie werd een bestseller. ‘In mijn derde jaar verdiende ik meer dan in mijn hele journalistieke carrière. Door twee dingen is het in een stroomversnelling gekomen: Labour ging regeren en het internet was booming. Ook de opkomst van denktanks kwam mij goed uit: die boden me een mooi podium om mijn ideeën te ventileren.’
Leadbeater is een van de vaste krachten van Demos, ‘denktank voor alledaagse democratie’, een club die tal van opdrachten van de Labourregering krijgt en waar enkele voormalige medewerkers van het ooit spraakmakende blad Marxism Today een nieuwe thuisbasis hebben gevonden. Leadbeater schreef daar eind jaren tachtig, begin jaren negentig ook voor. Het is frappant dat een journalist met marxistische wortels nu in vele boardrooms van kapitalistische organisaties aanzit. ‘Ik schaam me allerminst voor mijn verleden. Alle artikelen staan online, lees ze maar. Ik heb er goede en invloedrijke artikelen geschreven, waarvan sommige overlappen met mijn huidige werk.’
Wie zijn oude stukken terugleest, herkent inderdaad veel van de ideeën die hij nu in zijn boek We Think uitwerkt. Zijn technologische utopisme doordesemt het stuk Karaoke Culture uit 1991, waarin hij schrijft dat de Japanse micro-elektronica de muren zal slechten tussen mens en machine en tussen het fysieke en het virtuele. Het pleidooi Power to The Person uit 1988 kan gelezen worden als een voorbode van de ideeën uit We Think over een ‘individueel collectivisme’. Destijds had hij het vooral over hoe de staat voorwaarden moet scheppen voor zichzelf organiserende gemeenschappen. Nu kijkt hij hoe deze gemeenschappen op het internet ontstaan en hoe ze de hele wereld – van wetenschap en onderwijs tot politiek en bedrijfsleven – een ander aanzien geven.
U ziet een nieuwe vorm van zelforganisatie geboren worden. Waar bestaat die uit?
‘We zijn aan het idee gewend geraakt dat je vier dingen nodig hebt om ideeën te verwezenlijken. Een organisatie met een hiërarchie en een strikte taakverdeling. Professionals die weten wat ze doen. Procedures om ideeën te ontwikkelen en producten tot stand te brengen. En ten slotte prikkels om mensen te laten werken, waarvan geld de voornaamste is. Op dit moment gebeurt er van alles wat dit traditionele beeld onderuithaalt. Plotseling voeren mensen zelf, zonder sturing van boven af, zeer complexe taken uit. Ze maken encyclopedieën, ontwerpen virtuele werelden, knutselen nieuwe besturingssystemen in elkaar. Vaak zijn het professionals en amateurs samen. En die laatsten worden er over het algemeen niet voor betaald, geld is in elk geval niet het doel. Dit is nieuw: er is geen baas, geen geld, geen hiërarchie, geen structuur, geen hoofdkantoor, geen organisatie, geen merk. Maar toch doen ze het. De vraag is dan natuurlijk: zijn dit exotische voorbeelden, of vormen ze de blauwdruk voor organisaties van de toekomst? Ik denk het laatste.’
Hoe gaan die er dan uitzien?
‘Dat kan ik nog niet precies voorspellen. Eerst moeten we goed begrijpen waar het fenomeen vandaan komt. Het is een wonderlijke combinatie van verschillende ingrediënten. De opkomst van de tweede, interactieve generatie internet, die nieuwe vormen van participatie en samenwerking mogelijk maakt. Radicale waarden uit de counter culture en avant-garde van de jaren zestig, zoals autonomie en zelfontplooiing. Heel oude ideeën, zoals de commons als de basis voor productie. Als je dat allemaal samenneemt en er nog een snufje hedendaags kapitalisme bijvoegt, krijg je YouTube en Flickr.’
Leadbeater bezingt in zijn boek in wording We Think de nieuwste gedaante van internet – vaak web 2.0 genoemd – als een herleving van de middeleeuwse commons: weilanden die in het collectieve bezit waren van dorpelingen om hun vee op te laten grazen. De online encyclopedie Wikipedia of het open source internet-besturingsprogramma Linux dat miljoenen gebruikers verkiezen boven Microsoft, ziet hij als moderne, digitale gedaanten van de commons. Wikipedia en Linux ontstaan door een continu proces van verbetering door miljoenen liefhebbers die een steentje willen bijdragen, bijna zonder enige centrale sturing. De collectieve activiteit van tallozen op de grazige weiden van het wereldwijde web leidt tot een vorm van massa-innovatie. ‘Wij denken, dus wij zijn’ vervangt volgens Leadbeater het Cartesiaanse cogito, ergo sum – ik denk, dus ik ben.
U lijkt helemaal in de wijsheid van de massa te geloven. De Amerikaanse computerwetenschapper Jaron Lanier waarschuwt op de website The Edge juist voor de gevaren van ‘online collectivisme’ in zijn spraakmakende stuk ‘Digital Maoism’.
‘O, dat. Ik heb het niet gelezen, er wel over gelezen. Hij geeft wel nuttige kritiek: je moet specificeren wanneer de massa wijs is en wanneer ze dwaalt. Een belangrijke voorwaarde is dat het collectief bestaat uit een bonte schare onafhankelijke individuen. Je moet aangeven onder welke omstandigheden “we think” “group think” dreigt te worden. Ik denk dat de digitale wereld de massa helpt creatief te worden. Het internet draagt ertoe bij dat mensen met een onafhankelijke stem gehoord worden. Het introduceert meer transparantie en meer toetsing.’
De filosoof John Gray noemt u een ‘digitale marxist’.
‘Dat vind ik geen belediging, maar een compliment.’
Hij bedoelt dat u denkt dat een technologische revolutie vanzelf tot een betere samenleving zal leiden.
‘In zo’n grof historisch determinisme geloof ik niet. Web 2.0 brengt oude vormen van sociale organisatie weer tot leven. Het zijn die oude vormen die mensen inzicht geven in waar ze de technologie voor kunnen gebruiken. Er is een complexe interactie tussen technologie en sociale organisatie. Het is geen eenrichtingsverkeer.’
U lijkt ervan overtuigd dat de technologie sociale samenhang schept.
‘De cultuur waarin mijn kinderen opgroeien, is individualistisch samenwerkend. Mijn kinderen hebben echt een sterk besef van hun rechten en hun identiteit en van wat ze willen doen. Maar tegelijkertijd zijn ze instinctief gericht op samenwerken. Toen ik opgroeide, hadden we één telefoon die we deelden met onze buren. Als mijn elfjarige zoon thuiskomt, besteedt hij de hele avond aan communiceren met zijn vrienden. Ze doen hun huiswerk samen en klagen samen over hun ouders via het internet. Ik geloof nog steeds heel erg in face-to-face communicatie; internet-gemeenschappen kunnen sociale of geografische gemeenschappen niet vervangen. Maar ze kunnen mensen wel samenbrengen rond onderwerpen die hen interesseren.’
Die eenzame individuen achter een computerscherm vormen toch helemaal geen gemeenschap?
‘Dat vind ik echt onzin. Bijna altijd dient internet als ondersteuning voor echte sociale netwerken. Waarschijnlijk is er wel een gevaar bij mensen die enorm investeren in een virtuele identiteit, bijvoorbeeld in Second life. Maar dat zijn uitzonderingsgevallen. De meeste mensen vragen zich gewoon af hoe ze internet kunnen gebruiken om contacten te leggen en echte gemeenschappen uit te breiden. Er dreigt het gevaar van nostalgie over hoe mooi de wereld van voor de nieuwe media was. Maar de plaats waar ik opgroeide was verschrikkelijk. Er was in de buurt wel een voetbalveld, maar als ik daar naartoe ging, voelde ik me er doodongelukkig.’
U gelooft ook dat internet politieke participatie bevordert.
‘Vroeger dachten we dat politiek ging over partijen, parlementen en verkiezingen. Mensen zijn nog steeds geïnteresseerd in politiek, maar nu zijn ze meer geneigd het te zoeken in single issues. Ik denk dat we de komende tien jaar een bloei zullen zien van burgeractivisme. Wie zullen er kunnen meedoen en in welke vorm? Dat zijn belangrijke vragen. Sluiten mensen zich alleen aan bij netwerken van gelijkgestemden en dreigt het gevaar van fragmentatie? De digitalisering zou heel goed voor de democratie kunnen zijn, maar er liggen ook grote uitdagingen.’
Hoe kunnen we die aangaan?
‘In de kern zullen we moeten vertrouwen op enkele basisprincipes van openheid en eerlijkheid in het publieke domein. Anders dreigt het gevaar van privatisering en balkanisering. Het lijdt geen twijfel dat internet de vrijheid van meningsuiting bevordert. Meer mensen hebben een stem. Maar of het de kwaliteit van het democratische debat vergroot en er naar mensen wordt geluisterd, is een andere kwestie.’
In uw boek heeft u daar geen twijfel over.
‘Ik ben er optimistisch over. Neem de orkaan Katrina. In de nasleep daarvan vond er een mobilisatie plaats van mensen wier verhaal vroeger niet zou zijn gehoord. Dat heeft nog steeds een zuiverend effect op de Amerikaanse politiek. Er zijn mooie voorbeelden van politici die tot transparantie werden gedwongen door bloggers. Politiek is tricky business. Politici zitten gevangen tussen twee werelden. Aan de ene kant verwachten mensen van ze dat ze opener, communicatiever en transparanter zijn. Aan de andere kant moeten ze leiderschap tonen, beslissingen nemen, de baas spelen. Ik ken politici die het totaal anders zouden willen doen, vooral van de jonge generatie.’
Behoort Tony Blair, die u adviseert, daar ook toe?
‘Blair is opgegroeid in een tijd van mediacontrole, centrale machtsuitoefening en spinning. Nu willen mensen de dialoog aangaan in plaats van een mening opgelegd krijgen. New Labour is synoniem met spinning. Hoe overtuig je mensen ervan dat je echt het gesprek aan wilt gaan, als je die reputatie hebt? Als Tony Blair in deze tijd was opgevoed, dan zou hij waarschijnlijk opener zijn geweest over Irak. Dat had wel gemoeten. Zulke beslissingen zullen in de toekomst in een veel transparantere omgeving worden genomen. Velen, ook ik, hebben geprobeerd de politieke cultuur te veranderen. Interessant aan Blair is dat hij altijd is blijven kijken naar de buitenwereld. Hij zit in een politieke machine, maar heeft een intuïtief gevoel voor wat er in het leven van mensen gebeurt. Ik heb hem, en de mensen om hem heen, geadviseerd over innovatie en de kenniseconomie. Dat zijn kernbegrippen geworden. Ze hebben zich door mij gerealiseerd dat publieke diensten persoonlijker en participatiever moeten worden. Ook heb ik ze gestimuleerd om opener te zijn. Want nog steeds is een van de problemen van New Labour dat ze graag denkt vóór de mensen, en niet mét de mensen.’
Wat typeert de leider van de toekomst?
‘Je kunt in deze wereld niet van tevoren weten wat mensen doen, je kunt niet zeggen: jij doet dit, en jij doet dat. Neem het project van het in kaart brengen van het genetische materiaal van de worm C-elegans. Bioloog Sydney Brenner besloot alle kennis over de worm te delen in The Worm Breeder’s Gazette, waaraan onderzoekers van over de hele wereld bijdragen konden leveren. Ze wisten niet waar ze tegen aan zouden lopen en hadden geen taakomschrijving, maar droegen naar eigen inzicht hun steentje bij. Dit leidde in 1998 tot de mijlpaal dat voor het eerst het complete genetische materiaal van een complex organisme in kaart was gebracht. In zo’n wereld van open samenwerking en groepsinnovatie heb je leiders nodig die mensen inspireren en motiveren in plaats van delegeren. Toen ik Jimmy Wales van Wikipedia en Linus Torvalds van Linux tegenkwam, ontdekte ik dat het heel gewone, aardige, rustige en bescheiden jongens waren. Niet zo arrogant en narcistisch als de gemiddelde chief executive officer. Die eigenschappen heb je nodig om gemeenschappen te leiden.’
Wales en Torvalds geven leiding aan een bedrijf dat producten maakt waarvan de consument niet alleen afnemer maar ook producent kan zijn – prosumer in duur jargon. Met zijn eigen boek in wording We Think wil Leadbeater iets soortgelijks doen. Terwijl hij op het podium van zijn in het zonlicht badende keuken de Brinkmanshuffle doet, vertelt hij: ‘Het is een klein, interessant experiment. De zeer ruwe, eerste versie heb ik op het internet gezet. Ik krijg op zijn minst één e-mail per dag met commentaar. In totaal zijn er zo’n 260 waardevolle bijdragen gekomen. Bijna allemaal aanmoedigend, niet kritisch. Een assistent-professor tandheelkunde in Pittsburgh heeft me drie pagina’s gezonden met een suggestie voor de conclusies van het boek. Daarna heb ik het naar de uitgeverij gebracht. Daar waren ze veel kritischer. De echte kritiek die het boek beter maakte, kwam nog steeds van de professionele uitgever.’
Ondermijnt dat niet uw boodschap dat in een open source-samenleving de rol van de professional kleiner wordt?
‘De expert is nog steeds zeer belangrijk, maar is niet langer de enige met spreekrecht. Als ik me had beperkt tot het verwerken van het gesprek met de uitgever, was een zeer waardevolle, toegevoegde waarde achterwege gebleven. Ik heb er contacten door gelegd met allerlei gemeenschappen van mensen die over dezelfde thema’s denken.’
Al uw voorbeelden van de open source-revolutie zijn met internet verbonden. Hoe zal deze manier van denken zich over de rest van de wereld verbreiden?
‘Ford heeft ooit de massaproductie uitgevonden, en hij paste die toe op auto’s. Andere bedrijfstakken namen deze manier van werken over. Dit werd dé manier. Dat kan ook met deze beweging gebeuren. Niet in pure vorm. Maar over tien of vijftien jaar zullen er zeker open source-productiewijzen bestaan. Waarbij de informatie van het productieproces, zoals design en dergelijke, openbaar wordt gemaakt en bijvoorbeeld kan worden gedownload. De open source-denkwijze zal ook wetenschap, politiek en onderwijs ingrijpend beïnvloeden. Ook daar wordt gebroken met traditionele modellen.’
Wat deugt er dan niet aan het huidige onderwijsmodel?
‘In Engeland zien we het onderwijssysteem nu als een soort productielijn: je gaat naar het klaslokaal, en je krijgt kennis terug. Zestig procent van de tijd die kinderen hier op school doorbrengen, gaat op aan het luisteren naar leraren, en het leeuwendeel van de tijd die overblijft aan het klassikaal bestuderen van boeken. Er is dus bijna geen ruimte voor peer to peer learning, voor experimenteel en probleemgestuurd onderwijs. In de nieuwe visie wordt de leraar veel meer een soort game designer die instrumenten, regels en codes ontwikkelt. Die samenwerking orkestreert. De Koreaanse vice-minister van onderwijs stelde mij de vraag: wat is nog de rol van de leraar in een wereld die zo snel verandert en waar kennis zo snel veroudert? De leraar kan niet de enige bron van kennis zijn, maar moet vooral vaardigheden hebben om kinderen te leren leren.’
We leggen Leadbeater uit dat in Nederland allang is afgerekend met dit oude model, maar na invoering van het nieuwe leren juist steeds meer de roep klinkt om eerherstel voor de inspirerende leraar die zijn leerlingen inwijdt in onbekende werelden. Allemaal angst van de gevestigde orde, denkt de Britse vernieuwer. ‘Professionals voelen zich bedreigd. Omdat ze denken dat het einde van hun bestaansrecht in zicht is. Dat is niet zo. Wat er gebeurt is dat profs steeds meer moeten legitimeren wat ze doen, op een veel opener manier. Hun toegevoegde waarde rechtvaardigen. Er zullen altijd professionals blijven. Maar een groot deel van wat ze doen, kan ook door de mensen zelf worden gedaan. Natuurlijk wil je geen amateur die je opereert. Maar het vinden van de beste dokter, het stellen van de diagnose et cetera, dat kan je allemaal zelf. Experts hebben niet langer het alleenrecht op kennis.’
Ook in de wetenschap voorziet Leadbeater een revolutie. De eenzame expert-onderzoeker die in de gewijde stilte van zijn studeerkamer of het laboratorium tot zijn inzichten komt is passé. Samenwerking is het toverwoord. Tussen professionals en amateurs. De rol van de hobbyist leek in de zich steeds verder specialiserende wetenschap lange tijd uitgespeeld. Maar Leadbeater ziet een comeback van de toegewijde liefhebber. Als voorbeeld noemt hij de astronomie. Een technologische innovatie – de sterke en goedkope Dobson-telescoop – staat amateurs toe dieper de hemel in te kijken. Een voor de gewone man betaalbare chip maakt het mogelijk zwak licht van ver afgelegen sterren te registreren. En internetgemeenschappen zorgen ervoor dat sterrenspotters de nieuwste waarnemingen in een mum van tijd wereldkundig kunnen maken. De astronomie ziet Leadbeater als het lichtende voorbeeld voor de andere wetenschappen. Grote ontdekkingen zullen het resultaat zijn van de innige samenwerking van professionals en amateurs. De ‘Pro Am Revolutie’ doopte Leadbeater dit. The New York Times vond dit idee in 2004 een van de twaalf ‘Biggest Global Ideas’.
Niet alleen over de rol van amateurs is Leadbeater optimistisch, maar ook over de vraag of wetenschappers die met de eer van hun ontdekkingen willen strijken, wel zo happig zullen zijn op openheid en kennisdeling. Terwijl hij schema’s tekent in zijn kladblok, licht Leadbeater toe: ‘Succesvolle innovatie zal gebouwd zijn op een vreemde mix van samenwerking, competitie en individualisme. Heel mooi aan open source is dat het zegt: dat is jouw bijdrage, maar om het te laten werken moet je het opnemen in een groter geheel. In grote, traditionele bedrijven verliezen mensen het idee van “dat is mijn deel” omdat ze het gevoel hebben dat hun bijdrage door de baas wordt geclaimd.’
Leadbeater pleit voor openheid en samenwerking. Juist om het hoofd te bieden aan de opkomende Aziatische economieën is ‘kosmopolitische innovatie’ de weg die het Westen moet bewandelen: mondiale samenwerking en openheid voor bijdragen uit heel de wereld. ‘Mijn boodschap aan het Westen is: verlies niet de moed, jullie hebben zo’n sterke historie. Zeker, er is alle reden bij de les te blijven. Kijk naar Taiwan in de late jaren zeventig. Toen hadden ze daar geen enkel aandeel in de productie van chips. Door zeer gerichte en weloverwogen staatsinvesteringen en door emigranten ervan te overtuigen terug te komen, hebben ze nu vijfenzeventig procent van die markt in handen. Dat komt allemaal van één groot wetenschapspark. Stel je daar vier of vijf van voor in India en China… In Peking alleen al studeren jaarlijks meer ingenieurs af dan in West-Europa. Daar kun je in absolute cijfers nooit tegenop. We kunnen niet met ze concurreren op productie, wel op kwaliteit. Het is van het hoogste belang dat ons onderwijssysteem creatieve mensen opleidt. Onderwijsinstituten in China delen geen data en werken niet samen. Wij doen dat veel beter.’
De man die zichzelf ‘militant optimist’ noemt en voor zijn zonovergoten toekomstvisioenen een gewillig oor vindt bij de groten der aarde, ziet dus volop kansen voor het Westen. Als dat de strijd maar met open vizier aangaat en een kosmopolitische houding kiest. ‘De succesvolste industrieën van Engeland interacteren volop met andere culturen en continenten. Europa’s innovatiefste economieën, Zweden en Finland, zijn volstrekt afhankelijk van internationale markten en sectoren.’
Het nee tegen Europa en de behoudende verkiezingsuitslagen in Nederland lijken te botsen met Leadbeaters adviezen. ‘Er is een erg sterke, naar binnen gerichte trend in Europa, een culturele reactie op de globalisering ingegeven door nostalgie en angst. Veel politici vervallen, bewust of onbewust, in de retoriek van de angst. De oorlog tegen de terreur. Het Chinese monster. Als pessimisme de dominante ideologie wordt, heeft dat desastreuze gevolgen voor de VS en Europa.’ Met een hem kenmerkende sweeping statement besluit Leadbeater: ‘Optimisme, het geloof dat we de kwaliteit van leven kunnen verbeteren, is de motor van de liberale democratie.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.