Reportage / Veelpleger

JOHN JANSSEN WERD OP KLAARLICHTE DAG op heterdaad betrapt. Het is november 2004. Hij heeft een raampje ingetikt van een auto. ‘Ik probeerde een paar Bros-repen te pakken die op de bestuurdersstoel lagen, maar ik ben met m’n kop op de toeter gevallen.’ Hij lacht er nu om, maar destijds was dat anders. Hij is zich van de treurigheid van zijn junkieleven tot op het bot bewust. ‘Ik zwierf al jaren op straat. Ik had tweehonderdvijftig euro per dag nodig. Voor coke en voor een bolletje bruin – heroïne. Ik wilde niet crimineel zijn, maar ik had dat geld nodig. Ik heb wel met tranen in mijn ogen ingebroken. Ik wilde niet, maar moest dat doen om mijn verslaving te kunnen onderhouden.’

Na vijf maanden voorarrest moet hij op 19 maart 2005 voor de rechter verschijnen om zich te verantwoorden voor deze autokraak.

John (37) is een van de negentienduizend veelplegers die in de databank van de politie staan geregistreerd. Hij is van eenvoudige komaf. Zijn moeder is huisvrouw, zijn vader werkte als arbeider bij Nedschroef. Ook John ging mee naar de fabriek zodra dat kon. Zijn enige zusje zat op een naaiatelier totdat ze trouwde en kinderen kreeg. ‘Mijn vader ging vervroegd met pensioen. Daarna werd ik ontslagen. Die directeur vond dat ik er een potje van maakte. Ik kwam ook heel vaak niet, omdat ik toen al verslaafd was aan cocaïne.’

John hoort bij een van de eerste groepen in Zuid-Nederland die een zogenaamde ISD-maatregel krijgen opgelegd – een nieuw hard beleid van justitie om in een speciale inrichting stelselmatige daders aan te pakken. Hij heeft een lange reeks van inbraken op zijn naam staan. ‘Ik heb nooit geweld gebruikt, geen vrouwen op straat lastig gevallen. Eén keer heb ik ontzettend veel geluk gehad. Ik wilde een autoradio stelen en toen lag er op de voorbank een envelop met achtendertigduizend euro. Fantastisch. Ik heb meteen een kamer in een duur hotel genomen, een zak ?heroïne gekocht, coke erbij en hoeren uitgenodigd. Drie weken later was het op.’

John belandde vaak voor korte tijd in de cel, maar in 2005 geeft de rechter hem in plaats van een straf een maatregel van twee jaar. Dat is nieuw. Dat komt omdat de op heterdaad betrapte veelpleger heeft beloofd mee te werken aan zijn terugkeer in de maatschappij. Dat betekent: afkicken in de gevangenis. Daarna mag hij naar buiten en moet hij verplicht meewerken aan het reïntegratieplan dat speciaal voor hem wordt opgesteld. Dat lijkt allemaal heel mooi, maar justitie heeft daarbij wel een stok achter de deur. Valt John buiten terug in zijn oude patroon, dan wacht hem alsnog zijn gevangenisstraf. Anders dan voorheen zijn er nu begeleiders die hem niet ieder afzonderlijk bijstaan; er zijn onderling afspraken gemaakt om de veelpleger op het juiste spoor te houden (zie kader).

Na zijn veroordeling wordt John overgeplaatst naar de ISD-afdeling in de Penitentiaire Inrichtingen in Vught. Hij is vol goede moed, zegt hij. ‘Ik heb twintig, dertig keer geprobeerd om clean te worden. Vijf behandelingen heb ik afgemaakt. Heus, ik besef dat dit mijn laatste kans is. Die grijp ik.’

Voorjaar 2006

John komt schoongeboend de kamer binnen van Jos van Lokven, de Coördinator Terug­dringen Recidive in de PI Vught. Maar de douche heeft nog altijd niet de geur van een junkieleven op straat verdrongen, die hangt nog vaag om hem heen. John kijkt opgeruimd naar de levensgrote schilderijen van de Rolling Stones. De voormalige veelpleger kruipt meteen in de rol van psycholoog die een verklaring heeft voor het leven dat hij leidde. Als hij emotioneel wordt, laat hij het welzijnsjargon varen en klinkt er onvervalst Brabants. De plotselinge dood van zijn beste vriend is volgens hem de aanleiding voor zijn jarenlange verslaving, al besefte hij dat niet op dat moment. ‘Ik was zestien jaar. Mijn vriend kwam van een bruiloft in Eindhoven en sloeg met zijn auto over de kop. Van het ene moment op het andere was hij er niet meer. Ik was heel close met zijn familie, maar dat contact werd onmiddellijk verbroken. Die ouders hadden genoeg aan hun eigen verdriet. Tot dan toe had ik alleen geëxperimenteerd met drugs: een beetje blowen, wel eens coke gesnoven. Maar nu was het een middel om van de pijn van het verlies af te komen.’ Eerst verdiende hij ‘makkelijk geld’ bij de stichting ALM (‘Een cover voor een coffeeshop’). Vervolgens begon het leven van een stelende junk.

Op zijn vierentwintigste belandde John voor de eerste keer in een gedwongen afkickkliniek. Daarna ging hij naar een begeleidwonenproject. ‘Na acht maanden mocht ik zelf pinnen om kleren te kopen, maar ik ging rechtstreeks met dat geld naar mijn dealer. Het was net alsof het te goed met me ging. Ik kon daar niet mee omgaan. Je kunt geen rots in de branding zijn als je jezelf nog maar een kiezelsteentje voelt.’

Zijn ouders hebben altijd goed voor hem gezorgd, zegt hij. ‘Maar als verslaafde maak je misbruik van de situatie. Ook thuis. Het liep daar dus uit de hand. Mijn vader had gepraat met ouders van andere drugsverslaafden. Die vertelden hem dat je de band met je kind moest verbreken. Maar dat wilde mijn moeder niet. Mijn ouders gingen er aan onderdoor. Het liep uit op een scheiding.’ Als gevolg daarvan ging John nog meer gebruiken: ‘Ik kan niet met emoties omgaan. Ik werd een polygebruiker, viel dokters lastig. Ik dacht niet meer aan andere mensen. Het was een vreselijk leven, maar ik kon niet anders. Zo’n leven doet pijn, snapt ge dat?!’

Johns begeleiders op de ISD-afdeling schatten zijn kans van slagen na een jaar inmiddels hoog in. Coördinator Van Lokven en ISD-?manager Katinka Reijnders hebben een zwak voor hem. John is intelligenter dan de meeste veelplegers die ze onder hun hoede hebben. Hij kan goed uit zijn woorden komen en lijkt zijn probleem te onderkennen. Nu alle partijen in de ‘veiligheidsketen’ zich willen inspannen, moet het toch lukken om hem weer een plaats in de maatschappij te geven, hopen ze.

In de groenploeg

De politie in iedere stad kent zijn zware gebruikers. Zo ook die in Helmond. John belandde al in 2003 op de zogeheten ‘veelplegerslijst’ van zijn geboortestad. ‘Toen ik dat door had, ben ik snel naar Eindhoven verkast. Wat heet slim? Wie verslaafd is, heeft een extra zintuig om aan drugs te komen.’

In Eindhoven kwam hij opnieuw in aanraking met de verslaafdenzorg. Hij wilde voor de zoveelste keer afkicken. Hij had een relatie met een meisje dat ook van haar verslaving probeerde af te komen. ‘Ik was echt verliefd en we hebben samengewoond. Toch ging het weer mis. Nu ik terugkijk, denk ik dat zij alleen een bondgenoot in me zocht. Daar was ik niet tegen opgewassen. Ze had rijke ouders. Haar vader had haar seksueel misbruikt. Die man viel toen ik bij hen thuis was al zuipend van zijn stoel. Ik kon dat niet aan. Al die zooi, al die emoties. Ik was dertien maanden clean geweest en toch ging ik weer gebruiken.’

Johns levensloop leverde hem bij medewerkers in de welzijnszorg de bijnaam ‘de Kameleon’ op. Hij kan zich namelijk voor korte en langere tijd wonderwel aanpassen aan zijn omgeving, zeggen die. De overlevingslessen van twintig jaar verslaving en het volgen van alle denkbare therapieën zijn daar debet aan.

In maart 2006 lijkt John zich op de ISD-afdeling inderdaad zeer op zijn gemak te voelen. Hij krijgt dagelijks methadon. ‘Ik ben nu niet meer met mijn verslaving bezig, ik kan me concentreren op mijn toekomst. Natuurlijk wil ik ook een gezin, een hypotheek, een auto en nieuwe kleren.’ John kijkt vrolijk: ‘Ik hoef niet meer na te denken op welk bankje ik nu weer de nacht moet doorbrengen.’

De voormalig veelpleger zit nu in de groenploeg van de inrichting en zijn werkmeester is content. Het zware werk, spitten in de grond, lijkt voor hem bijna een plaatsvervangende verslaving te worden. ‘Ik moet oppassen dat ik geen workaholic word,’ lacht hij.

Hij weigert de cognitieve vaardigheidstraining te volgen in de gevangenis. ‘Dat heb ik buiten ook al twee keer gedaan. Ik weet gewoon wat de gewenste antwoorden zijn. Ik weet hoe ik me moet gedragen. Dat is geld verspillen.’

Als hij op cel zit, speelt hij met Playstation (‘Ik ben niet van de computergeneratie, ik moet dat dus leren’) en hij leest de boeken uit de gevangenisbibliotheek: ‘Romans. Nu ben ik bezig met Internet for Dummies. Ken je die serie niet? Er zijn wel veertig delen “For Dummies”.’ Hij somt ze op. ‘Ik kan vooruit.’ Enthousiast neemt hij afscheid: ‘Nou houdoe!’

Zomer 2006

John Janssen verwacht voorjaar 2006 dat hij binnen enkele weken toestemming heeft om naar buiten te mogen. Zijn verslaving heeft hij immers onder controle. Maar zijn ‘case’ moet eerst worden besproken in het nieuwe centrale overleg onder leiding van het Open­baar Ministerie waaraan alle betrokken instanties deelnemen. Het gaat om vertegenwoordigers van justitie, politie, gemeente en de hulpverleners van Novadic-Kentron Ver­sla­vingszorg én de medewerker van Novadic-Kentron Verslavingsreclassering. Ondanks dezelfde naam zijn het echter twee zelfstandige uitvoeringsorganisaties, die niet altijd op een lijn hoeven te zitten. De bijeenkomst is in Eindhoven. Officier van justitie Ton Willem­sen zit de urenlange vergadering voor. Irene Joziasse, Johns ISD-trajectbegeleidster uit de PI Vught, doet haar uiterste best om hem met zijn onderhoudsdosis methadon geplaatst krijgen in een van de vele huizen van het Sint Anna­klooster. Dat is een begeleidwonenproject van de gemeente Eindhoven. De verslavingsreclassering treedt daarbij op als toezichthouder. Aanvankelijk lijkt John welkom. Maar de hulpverleners van Sint Annaklooster hebben geen trek in hem. Ze willen totaal cleane ‘gevallen’. Eerder doorverwezen veelplegers met methadon vielen direct terug in hun oude patroon, luidt hun verweer. In plaats van elkaar steun te bieden in het tegengaan van de verslaving, werd het een grote junkenboel. Ze zijn niet te vermurwen. Ook de reclasseringsmedewerker staat niet te juichen om ‘de Kameleon’ nu al over te plaatsen. Hij heeft vaker met hem van doen gehad.

In juni moet John ook zelf weer bij de rechtbank verschijnen. Die toetst telkens na negen maanden of de ISD-maatregel nog moet worden gehandhaafd. Maar ook de rechter vindt het nog niet raadzaam om hem al onder toezicht van de reclassering buiten de gevangenismuren te plaatsen.

Herfst 2006

Alles lijkt goed te gaan met John. Zo goed dat hij in september een bezoek aan zijn zieke moeder kan brengen. Hij heeft haar twee jaar niet gezien. Ze heeft een ernstige beenbreuk opgelopen en tijdens de operatie heeft de narcose ‘een delier’ veroorzaakt, zo meldt hij VN. Zijn zus met wie hij ook geen contact onderhoudt, vond het nodig om hem hiervan in kennis te stellen. Hij schrijft: ‘Tot aan de dag van het bezoek, dacht ik dat ik niet zenuwachtig zou zijn voor het weerzien met mijn moeder. In de auto op weg ernaartoe bleek al gauw dat het anders was. Ik merkte dit aan mijn vele praten en een onrustig gevoel dat ik over me had. Maar dat was ik kwijt toen ik mijn moeders lach zag toen ik binnenkwam. (…) Er is gelachen en gehuild. Toen ik wegging, dacht ik: wat zou ik doen als ik nu vrij was? Dan had ik een slaapplaats moeten zoeken. Nu ging ik terug naar mijn cel om te wachten op wat er komen ging. Het klinkt misschien gek, maar mijn moeder heeft rust als ik vastzit, heeft ze me verteld. Hoe raar kan het lopen?’

John is nog altijd aan de methadon. Hier­mee kan hij zijn ‘zucht naar drugs’ onderdrukken. Maar hierdoor zit er geen schot in zijn ‘behandelplan’, want de begeleiding in Sint Anna­klooster heeft nu definitief laten weten dat hij niet welkom is. Andere mensen die van de drugs af zijn, hebben last van zijn methadongebruik. Het kan bij hen de zucht weer aanwakkeren, zo legt John de motivatie van de reclassering uit.

Het bezoek aan zijn familie en de emoties die daarmee gepaard zijn gegaan, eisen nadien zijn tol, zo blijkt. Bij een volgende vrije dag valt John voor één keer terug in zijn verslavingsgedrag. Hij scoort heroïne, maar biecht dit meteen op aan zijn ISD-begeleiders. Hij denkt dat het door zijn eerlijkheid komt dat hij niet onmiddellijk wordt overgeplaatst naar de strafafdeling. Katinka Reijnders: ‘We weten dat bij jongens als John dit erbij hoort. Hij heeft van ons een waarschuwing gekregen. Het heeft bovendien tot gevolg gehad dat we het scenario voor zijn verblijf buiten de gevangenismuren hebben bijgesteld.’

Winter 2006

John werkt nog altijd in de tuinen van de Vughtse penitentiaire inrichtingen. Hij is wat kilo’s aangekomen. ‘Als junk verzorg je jezelf slecht, je eet bijna niet, maar je valt ook af door de stress om te moeten scoren.’ Toch is hij somber. Hij heeft nu last van andere stress: ‘Je moet aan je toekomst werken, maar ik ben nog steeds binnen. Hoe kan ik dat dan doen? Mijn ISD-maatregel loopt af op 19 oktober 2007. Dan moet ik dus nu al in een huis zitten.’

John heeft het daarom ook gehad met de reclassering: ‘Aan het begin van de straf heeft die begeleider gezegd: We hebben een huis voor u klaar staan. Dat blijkt gelogen. Ook de rechter heeft beloofd dat als de ISD-maat­regel afloopt, er een huis voor me was geregeld. Daarvoor heeft de gemeente subsidie vrijgemaakt. Ik vind het onderhand genoeg. Ik zit nu al anderhalf jaar gevangen. Er zijn alleen maar vage ideeën over de toekomst.’

Volgens John houdt de ISD-maatregel in dat hij maar één jaar in Vught hoefde te zitten, daarna mocht hij naar buiten, naar Eind­hoven. Maar dat is zijn geheel eigen interpretatie van de ISD-maatregel, zeggen zijn trajectbegeleiders. ‘Die termijnen staan nergens zwart op wit.’ Ondertussen heeft John ook meegedaan aan een vrijwillig psychologisch onderzoek in de PI. Volgens de onderzoekster schatte iedereen in de hulpverlening hem ‘te hoog’ in, vertelt hij. ‘Er zijn daardoor te snelle stappen gemaakt. Ik stond daar zelf ook van te kijken.’

John gaat nu niet naar Eindhoven zoals hij zo graag wilde, maar zal eerst op een ‘zorgboerderij’ worden geplaatst. ‘Ik weet niet of ik dat wel wil. Ik snap dat dit is bedoeld om mij wat structuur in mijn leven te laten aanbrengen. Maar om daarvoor nu in the middle of nowhere te moeten gaan werken en wonen? Hoe kan ik mijn sociale contacten onderhouden? Hoe kan ik zo mijn leven weer opbouwen? Ik wil best op zo’n farm werken, maar er wonen? Ik weet nu al dat het met die zorgboerderij niet gaat werken.’ Uiteindelijk heeft zich toch bij het nieuwe plan neergelegd. ‘Als ik weiger, word ik overgeplaatst en moet ik alsnog de twee jaar uitzitten.’

Hij sputtert nog wat door: ‘Ik weet zeker dat ik buiten clean blijf. Ook in Eindhoven.’

John doet het inderdaad nu goed, maar dat komt vooral door de methadon, legt trajectbegeleidster Irene Joziasse uit. ‘Als de verslaafdenzorg buiten hem niet wil hebben met deze onderhoudsmedicatie, zullen we met een alternatief voor hem moeten komen. We dachten: John is een slimme vent. Als we zorgen voor een begeleide woonplek en zijn verslaving behandelen, dan trekt hij het wel. Maar dat is een stap te ver. Dat is ons duidelijk geworden uit het psychologische onderzoek.’

Plaatsing op een zorgboerderij is een stap tussen de gevangenis en het begeleid wonen. Daarom is daar nu voor gekozen. ‘Johns motivatie om af te kicken staat als een dijk. Daar ligt het niet aan. Hij kan werken als een paard. Dat doet hij ook graag. Maar hij is bang om naar buiten te gaan. Daar is weer de verleiding van de drugs en de verslaafde vrienden. Maar een maatregel waarbij iemand vierentwintig uur aan het handje wordt genomen, bestaat niet.’

Voorjaar 2007

Stralend komt John ons tegemoet gerend. Hij woont sinds enkele weken in Gilze Rijen op een zorgboerderij. Op het erf van de boer staat in de hoek ‘zijn’ caravan. Binnen is het netjes, zegt hij trots. Hij kookt voor zichzelf. Een deel van de gordijnen voor de ramen is dicht. John heeft door zijn verblijf in de cel nog wat moeite met al die vergezichten om hem heen. ‘Ik ben naar binnen gericht.’ Maar eenmaal in de schuren met honderden witte geiten loopt hij rond al was hij de bezitter zelf. Trots geeft hij gedetailleerd uitleg over de melkveestapel. De boer is blij met zijn knecht, zegt John. De echte eigenaar van de geiten bevestigt dat desgevraagd gretig: ‘’t Is ’n harde werker.’

Ook Annety Weterings van ‘Novafarm’ (onderdeel van Novadic-Kentron Verslavingszorg) komt vandaag bij John kijken. Ze is zijn nieuwe steun en toeverlaat. John moet leren om straks met geld om te gaan als hij zelf boodschappen moet halen, vertelt hij. Dat is nog een hele klus. Boodschappen moet hij op de fiets doen. Er is nog een minpuntje. Hij mag op zondag van de boer niet werken. Wat moet je in godsnaam doen met een vrij weekend? Luieren, sporten, studeren of uitgaan zijn voor hem niet meteen een optie. ‘Alleen als ik werk, denk ik niet aan mijn verslaving.’

Hij is opgewonden, want over twee dagen moet hij voor de rechtbank in Den Bosch verschijnen. Het gaat om de tweede toetsing over de noodzaak tot het voortzetten van zijn ISD-maatregel. De rechter heeft alle verslagen en rapporten van de penitentiaire inrichtingen uit Vught en van de reclassering toegezonden gekregen en moet oordelen of alles goed verloopt.John: ‘Ik wil van die rechter horen hoe het nu met mijn huisje staat. Want dat moet nu wel snel worden geregeld.’

Bij de rechter

De zitting staat gepland op 25 april 2007, aan het begin van de middag. Het is een zonovergoten dag. John is bijna onherkenbaar als hij het moderne Bossche paleis van justitie binnenloopt. Hij heeft een kek petje op zijn hoofd, draagt een nieuw schoon T-shirt. Anetty Weterings is aan zijn zijde, ze heeft hem opgehaald. Ook Johns huidige reclasseringsambtenaar Theo Weijtens is er. John gaat in de drukke hal zelf op zoek naar zijn advocate Hettie Cremers. Ze is samen met Holleeder-rechter Rino Verpalen de auteur van het vermaarde Bajesboek – dat verdachten wijst op hun rechten. Zo heeft ze John ook leren kennen. Tijdens zijn junkenbestaan had een rechter John op vrijdag uit voorarrest vrijgesproken, maar in het huis van bewaring geloofden ze zijn verhaal niet. John zat daardoor ten onrechte nog een aantal dagen vast. De advocate wilde dit verhaal opnemen in de nieuwe editie van het Bajesboek. Ze bood John in ruil daarvoor juridische bijstand aan in zijn huidige zaak met de ISD-maatregel. Cremers, een keurige dame, heeft het beste voor met haar cliënt. Al willen de meeste veelplegers liever vandaag dan morgen op vrije voeten worden gesteld, ze heeft John ervan overtuigd dat hij beter af is met zijn ISD-maatregel. John luistert maar half naar haar, heeft het voortdurend over ‘het huisje’ dat justitie hem in het vooruitzicht heeft gesteld. Zijn raadsvrouwe en zijn reclasseringsambtenaar proberen voorzichtig duidelijk te maken dat hij geen al te hoge verwachtingen moet hebben over de beloofde woning aan het eind van de ISD-maatregel. Weijtens: ‘Er is gesproken over “externe woongelegenheid”.’

John kan echter aan niets anders meer denken dan aan zijn ‘huisje’: ‘Wat gebeurt er met de woning als ik op 19 oktober nog niet zelfstandig genoeg ben? Wat dan?’ Hij schreeuwt het bijna uit. In zijn zenuwen twijfelt hij ineens hevig aan de voorwaarden van de maatregel. ‘Ik wou dat ik er niet aan was begonnen. Ik had mijn straf anders allang uitgezeten en dan was ik al vrij.’ Weijtens probeert hem gerust te stellen. Zodra de ISD vervalt, krijgt John rechtstreeks hulp van de reclassering en de verslaafdenzorg.

Het wachten op de zitting valt de voormalig veelpleger duidelijk zwaar. Johns zaak wordt behandeld voor een meervoudige kamer. De officier van justitie is Ton Willemsen, dezelfde die ook de vergadering van het regio-overleg voorzit. De zaak die vóór Johns dossier wordt behandeld, loopt in tijd gierend uit de hand. Ook dit is een ISD-klant van justitie. Deze man is al menigmaal de fout in gegaan en telkens teruggeplaatst naar de gevangenis in Vught. John kent hem ook. Hij heeft nog op hem ingepraat om de drugs te laten staan, vertelt hij. ‘Maar dat kon die man niet.’

Na twee uur komt de raadsman van deze ISD’er uit de zittingszaal. Zijn gezicht is rood aangelopen, hij heeft al die tijd staan pleiten om zijn cliënt vrij te krijgen. Zijn veelpleger wilde de straat weer op. En de rechter kon uiteindelijk niet anders dan hem laten gaan.

De gezichten van de officier van justitie en de rechters staan nog op onweer, maar ze klaren meteen op als John binnenkomt. ‘U ziet er gezond uit!’ klinkt het. Op verzoek van de rechtbank lichten ISD-manager Katinka Reijn­ders en reclasseringsmedewerker Theo Weij­tens hun rapportages over Johns vorderingen toe. John zelf vertelt de rechter vol enthousiasme over zijn werk op de zorgboerderij. Maar de rechter wil weten of hij straks weer zijn ­eigen boontjes kan doppen en of hij ook concrete plannen heeft? ‘U heeft in de gevangenis een vak geleerd, metaal bewerken. Denkt u dat u zich daar verder in wil bekwamen?’

Maar John reageert nauwelijks op de vragen. Hij is louter gefocust op ‘het zelfstandig worden’. Dat daar ook een baan bij hoort, lijkt even niet in zijn toekomstbeeld opgenomen. Hij heeft de garantie gehad dat er in oktober een huis voor hem klaar staat, zegt hij tegen de heren in toga. ‘Beloofd is beloofd.’

De voorzitter van de rechtbank kijkt hem nu doordringend aan: ‘Ik kan je dat niet beloven. Daar ga ik niet over. Onze taak is om uit te spreken of de ISD-maatregel moet voortduren of niet.’

John roept nu angstig dat het straks misschien nog mis zal gaan. De rechter probeert hem een hart onder de riem te steken: ‘Meneer Janssen, het moet heel gek gaan, wil het niet in orde komen. Ook als de ISD is afgelopen, bestaat de reclassering nog.’

Officier Willemsen verzekert John eveneens dat als hij zich aan de spelregels houdt, er een toekomst voor hem is. Er is een indicatie dat hij na zijn verblijf op de zorgboerderij zelfstandig mag gaan wonen. ‘We beseffen dat uw angst groot is om terug te vallen in de verslaving. We proberen daarom uw rugzak zo te vullen dat u zich staande weet te houden.’

De ISD-maatregel blijft gehandhaafd. ‘Beschouw het als een denkbeeldige stok achter de deur,’ stellen rechters en officier hem gerust. John verlaat opgewekt de zittingszaal.

Zomer 2007

John belt vanuit zijn caravan bij de geitenboer in het Brabantse dorps Gilze Rijen. Het is ?6 juni 2007 en hij is in paniek. In zijn ogen krijgt hij géén huis en géén baan. ‘Over drie maanden zou ik een woning krijgen, maar ik hoor nu dat ik naar een HAT-eenheid in Eindhoven moet. Ik moet mijn uitkering afgeven. Alles wat ik nu leer over omgaan met geld kan ik dan niet in de praktijk brengen.’ En er is nog meer om over te klagen: ‘Ik zou werk krijgen, maar nu hoor ik dat ik eerst drie maanden onder begeleiding moet laten zien wat ik kan. Dat wordt dus weer werken met behoud van een uitkering en niet een gewone baan.’

Hij ziet het somber in: ‘Ik vind het niet fatsoenlijk zoals ik word behandeld. Ik zit straks in Eindhoven en heb geen echt werk. Daar word ik heel depressief van.’ Hij moppert omdat hem is verteld dat hij na afloop van de ISD-maatregel onder de vleugels valt van Novadic-Kentron Verslavingszorg. ‘Ik heb nu zeven mensen die me begeleiden.’ En dan breekt er zowaar nog een lach door. ‘Er zijn zo veel begeleiders dat als je ze allemaal gereedschap zou geven, ze een echt huis voor mij kunnen gaan bouwen.’

John: ‘Kijk, ik heb me tot nu toe altijd aan mijn belofte gehouden, dan verwacht ik dat de andere kant dat ook doet. Ze willen nu dat ik mijn bek houd, maar als het zo gaat, weet ik niet of ik nog lid wil worden van de maatschappij. Van al die mensen die met mij een ISD-maatregel kregen, ben ik nog de enige die buiten is. De anderen zijn allemaal terug in de gevangenis. Als dit plan met die HAT-eenheid doorgaat, meld ik me meteen weer aan voor de gevangenis. Ik ben bang voor wat me straks in Eindhoven te wachten staat.’

Toch was het John zelf die voor zichzelf een toekomst in de grote stad Eindhoven wenste.

Herfst 2007

Fotograaf Ad Nuis is er bij als John vlak voor de afloop van de ISD-maatregel voor diens gevoel halsoverkop van het boerenerf in Gilze Rijen naar hartje Eindhoven wordt gebracht. In het centrum huist de hardcore junkenscene waartoe John behoorde. Het lijkt de kat op het spek binden. Het is vrijdagavond tegen vijf uur. John is vooral in paniek over zijn Playstation, die is kapot. Hij vertrekt niet voordat die gemaakt is. Katinka Reijnders van de PI Vugt: ‘Hij belde ons erover op. Overdag heeft hij zijn werk met de geiten, maar ?’s avonds speelt hij met Playstation om niet aan de drugs te hoeven denken. Een nieuwe verslaving dus. We hebben alles uit de kast getrokken om dat ding te laten repareren.’

Johns zo felbegeerde ‘huisje’ – zijn houvast in moeilijke tijden – blijkt een uitgewoonde kamer met een rafelige bank. Het schuimrubber steekt door de gaten. Op het bed zijn geen lakens voorhanden. Een hoofdkussen ontbreekt. De montere veelpleger van de boerderij ziet eruit als een verschrikt konijn in de koplampen van een auto. Hij weet dat het mis zal gaan. Hij durft niet naar buiten. Toch koopt hij een kussen. Maar daarna durft hij echt niet meer naar buiten, zegt hij. Hij zit te bibberen op de bank, bang voor de toekomst.

En het gaat mis. Niet het eerste weekend, maar het tweede. Zijn geld gaat op aan bruine bolletjes. Hij kan daardoor zijn huur niet betalen en dreigt uit zijn kamer te worden gezet.John is even een paar dagen zoek. Maar dan meldt hij zich weer.

De ISD-maatregel is met ingang van 19 oktober 2007 afgelopen. De dreiging van langdurige opsluiting in de gevangenis bij recidive is er voor John niet meer bij. Toch wil hij niet toegeven aan zijn verslaving. Het ging immers zo goed met hem toen hij bij de geitenboerderij werkte. Hij hoop de reclassering ervan te overtuigen dat het allemaal te snel is gegaan. Hij was nog niet toe aan ‘zelfstandig wonen’. Hij wil alsnog hulp, maar die komt deze keer niet op stel en sprong.

Een tante schiet hem vervolgens te hulp en leent hem de huur zodat hij tot 1 november nog onderdak heeft. Het ziet er echter nog steeds niet goed voor hem uit. Begin november wacht hem na al die jaren binnen en al die moeite van het afkicken immers weer de straat.

Van de groep ISD’ers waartoe John behoorde, ging zo’n negentig procent na een mislukte resocialisatiepoging alsnog de gevangenis in om de opgelegde twee jaar uit te zitten. Dát weet hij. Toen hij nog in Vught in de groenvoorziening werkte, zag hij zijn medegevangenen na enkele weken ‘buiten’ al snel verslaafd terugkomen. ‘Daar heb ik geen zin in.’

Levende lijken

Een landelijk overzicht van het effect van de ISD-maatregel op de veelpleger zelf ontbreekt tot nu toe. De recente Monitor Veelplegers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie bestrijkt de periode tot 2005. De nieuwe koers die nadien is ingeslagen, leek aanvankelijk het begin van een succesverhaal, zoals de politie en de gevangenisdirectie beloofden. Maar dat optimisme maakte gaandeweg plaats voor iets meer realiteitszin. Een van Johns ISD-trajectbegeleiders legt het uit: ‘Zelfs bij een ideaal plaatje waarin je zo iemand alles biedt, kun je falen. Niet iedereen is te verbeteren of te redden. Daarvoor zijn velen uit die groep met hun verslaving of hun psychische stoornis al te ver heen.’

‘Als deze veelplegers bij ons in de penitentiaire inrichtingen in Vught binnenkomen, zijn het lijken. Ze zijn bijna dood, al weten ze dat zelf niet. Na twee maanden zijn ze pas weer een beetje bijgekomen. En dan heb je nog niets kunnen ondernemen voor een mogelijk behandelplan, laat staan een toekomst buiten,’ zegt Jos van Lokven, Coördinator Terug­dringen Recidive.

Trajectbegeleidster Irene Joziasse vindt dat John een punt had toen hij in 2006 tegenover haar stelde dat hij in de ISB-maatregel is ‘gelokt’. ‘Er zijn van de kant van justitie en reclassering van tevoren te mooie beloftes gedaan. We hebben geen laatje met huizen en banen die à la minute beschikbaar zijn.’ Ze steekt ook de hand in eigen boezem. ‘We pretenderen maatwerk te leveren, maar – om het even breder te trekken dan Johns zaak – we hebben de psychische en verslavingsproblemen die de doelgroep met zich meebrengt, onderschat. Alles moet in een kort tijdsbestek gebeuren. Er is niet meer dan die twee jaar van de ISD-maatregel voor zowel de intra- als de extramurale fase. Ze moeten binnen afkicken en buiten hun plek in de maatschappij heroveren. Door ze bij ons te plaatsen, houd je deze mensen van de straat. We kunnen ze wat vakopleiding ?geven. Maar negen van de tien komen daar gezien hun niveau niet voor in aanmerking.’

Van Lokven is het daarmee eens. ‘De praktijk wijst uit dat zo’n tachtig procent van de ISD’ers zwakbegaafde en psychisch gestoorde verslaafden zijn. Voor die mensen moet je waarschijnlijk iets anders verzinnen dan zelfstandig wonen en een baan. Niet alleen de vrije verstrekking van methadon, maar ook van heroïne zou bespreekbaar moeten zijn, al is zo’n discussie lastig te voeren onder het regime van Justitie. Ook zou er in navolging van de goede resultaten in Amsterdam en Utrecht ook nauwer moeten worden samengewerkt met de psychische gezondheidsdienst.’

Een begin is er al gemaakt in Vught: sinds oktober 2007 heeft de penitentiaire inrichting een traject-psychologe van Novadic-Kentron Verslavingszorg in dienst genomen voor een betere diagnose.

Katinka Reijnders: ‘De geschiedenis van John Janssen is er een voorbeeld van hoe moeilijk deze mensen het hebben en hoe hard ze moeten werken. Wij zijn buiten de gangbare paden getreden om hem te helpen omdat we zagen hoe hij vocht tegen zijn verslaving en de uitzichtloosheid. We zagen de beperkingen van zijn traject en de moeizame voortgang daarvan, al kon dat ook deels op zijn eigen conto worden geschreven. Maar waar we konden helpen, hebben we dat gedaan.’

December 2007/januari 2008

John blijkt een vechter – een duikelaartje dat toch telkens zijn precaire evenwicht lijkt te hervinden. De mensen van justitie, uit de zorg en de reclassering laten hem niet snel vallen, zo blijkt. Zij hebben immers veel in hem geïnvesteerd. John is weer terug in Gilze Rijen, meldt hij. Hij staat weer tussen de kuddes witte geiten die hij mag helpen verzorgen en melken. Hij woont opnieuw in de oude caravan. Hier mag hij vier tot zes maanden verblijven. Hij weet inmiddels zeker dat hij niet naar Eindhoven wil. Een huisje voor hem alleen zit er niet in. John: ‘Het wordt begeleid wonen-plus in Oss. Met nog altijd begeleiding dus. Ik kan het anders niet aan. Nu pas zie ik mijn fouten in.’

Een psychiater heeft een diagnose gesteld, vertelt hij trots. ‘Ik heb geen ADHD, maar een variant erop, die mogelijk met medicijnen is aan te pakken.’ Eindelijk lijkt John criminele veelpleger af. Zijn toekomstdroom: Allereerst dat felbegeerde ‘huisje’ en dan een echte baan in de ‘afvalverwerkingsindustrie’.

Wat dan? John: ‘Vuilniszakken ophalen. Of misschien word ik wel loonwerker in de agrarische sector. Ik heb nu immers ervaring met geiten.’

Maatregelen tegen de harde kern

Het komt door een hoofdcommissaris in Flevoland. Hij kreeg in 2002 een prestatiecontract en beloofde de criminaliteit in zijn regio rigoureus terug te brengen. Zo niet, dan mochten ze hem de laan uit sturen. Hij zocht uit waar zijn korps zo druk mee was. De agenten staken veel tijd in criminele jongeren – dat was bekend. Maar het meeste werk hadden ze aan het voortdurend oppakken van zwaar verslaafde dertigers en veertigers met psychische problemen. Dat was een eyeopener! Ook bij de andere korpsen werd daarna onderzoek gedaan. Vooral in de grote steden schroefde deze ‘draaideurcrimineel’ de werkdruk op. De kleine delicten van de ‘veelpleger’ bleken de maatschappij een waar vermogen te kosten.

VN publiceerde in februari 2004 als eerste een veelplegers-toptien. Nederland telde op dat moment zo’n negentienduizend draaideurcriminelen. Vierduizend behoorden tot de extreem harde kern. Met zijn allen waren ze verantwoordelijk voor zestig procent van de criminaliteit. Tot de top drie behoorden inderdaad de aan alcohol en/of drugs verslaafde oudere blanke mannen. Veelal dakloos en ook hevig in de war.

Hoogste tijd dus voor maatregelen, vonden de betrokken autoriteiten.

Inmiddels bestaan convenanten tussen alle partijen die ?betrokken zijn bij de aanpak van de veelpleger – in het vakjargon aangeduid als ‘stelselmatige dader’. Politie en Openbaar Ministerie hebben bindende afspraken ­gemaakt met gemeenten en andere betrokkenen zoals justitiële ­inrichtingen, de reclassering, verslavings- en gezondheidszorginstellingen en maatschappelijk werk. Zelfs de onafhankelijke rechterlijke macht heeft zich ervan laten overtuigen dat het soms beter is om een licht vergrijp – maar wél het zoveelste kerfje op de stok – zwaar te bestraffen. De rechter mag een veelpleger een zogenaamde ISD-maatregel (ingevoerd eind 2004) opleggen. De man of vrouw wordt dan voor de keuze gesteld: meteen twee jaar lang de cel in óf afkicken en meedoen aan een resocialisatie­programma in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD). Justitie blijft gedurende die ISD-periode verantwoordelijk voor de veelpleger, ook als de afgekickte veelpleger al in een project buiten de gevangenismuren zit. Het gaat dus om een heropvoeding met een stevige stok achter de deur. Als het misgaat, moet de veelpleger alsnog terug de cel in. Voorarrest en de tijd in het resocialisatieprogramma worden daarna niet van de opgelegde twee jaar afgetrokken. Ook is er geen sprake van een vervroegde invrijheidstelling bij oppassend gedrag.

Wat de verschillende instellingen ieder voor zich niet lukte, hoopt de overheid gezamenlijk met harde hand en met behulp van de rechters te bewerkstellingen.

Er is inmiddels een aantal juichverhalen uit het veld. In Rotterdam laat de politie op voorlichtingsbijeenkomsten een geslaagde jonge veelpleger van Marokkaanse afkomst opdraven. Hij mag zelf uitleggen hoe hij met behulp van de wijkagent uit het criminele circuit kwam. In Utrecht zijn goede resultaten bereikt door de gezamenlijke keten-aanpak. In Den Haag melden reclasseringswerkers dat ze jonge mannen op het juiste spoor kregen. Ze weten alleen niet of dit door de nieuwe aanpak wordt veroorzaakt, zeggen ze in het politieblad Blauw (november 2007). ‘Dat is moeilijk vast te stellen. De gemeente werkt met diverse ?organisaties in de stad aan meer veiligheid en minder criminaliteit. Dat laatste doel is in elk geval bereikt.’

De politie slaat zichzelf inderdaad op de borst over de dalende criminaliteitscijfers. In vier jaar tijd (2002-2006) is er sprake van bijna een kwart minder inbraak en diefstal.

Nederland lijkt dus veiliger geworden dankzij de ‘ISD-maatregel’. Tot die bevinding komen ook rechters en justitieambtenaren in het tijdschrift Rechtstreeks van de Raad voor de Rechtspraak. Maar eind 2007 signaleren de politiechefs op een interne bijeenkomst voor alle korpsen in het land dat er sprake is van stagnerende criminaliteitscijfers. De vergrijpen nemen niet toe, maar ook niet meer af. Ze tasten nog in het duister over de reden.