Kennedy en de schrijvers

Het was 22 november 1963. Kennedy vermoord, wereldwijde schok. Volwassenen in rep en roer, negenjarige jongetjes die in Haarlem uit bed werden gehaald om van het wereldnieuws getuige te zijn.

Toch bleef het in de maanden, jaren erna erg rustig in de Nederlandse literatuur. Nog altijd de bekendste tekst over de moord is het volgende niemendalletje van C. Buddingh’:

dordrecht 25 november 1963

l.s.

wegens de gebeurtenissen in amerika

gaat de ouderavond vandaag niet door

de avond wordt nu gehouden

op maandag 9 december (over veertien dagen)

ook weer in de meerpaal

om acht uur

de oudercommissie

Dit tot gedicht opgestegen kattenbelletje laat intussen wel goed zien hoe een historische gebeurtenis van formaat in de jaren zestig het plaatselijk leven wist te ontwrichten – het moet een van de eerste signalen van de globalisering zijn geweest. Ik denk overigens niet dat Buddingh’ kon bevroeden dat zijn readymade zo’n carrière zou maken en eigenlijk nooit overvleugeld werd door pakkender teksten van Nederlands fabricaat. De moord op Kennedy was immers de beroemdste whodunit uit de recente geschiedenis en zoiets als de twintigste-eeuwse kruisdood van een messias. Daarbij leverde ze de moeder aller ‘waar was je toen’-vragen op. Maar Nederlandse schrijvers zwegen. De grote drie? Je hoorde ze er niet over. Zelfs Mulisch, in bijvoorbeeld Bericht aan de rattenkoning, toch een kroniek van de jaren zestig, rept er niet over en ook in De ontdekking van de hemel, waarin 22 november 1963 toch zeker wordt gepasseerd, komt het niet voor. Zelfs niet als decorstuk.

Dat is het dan weer wel in bijvoorbeeld Oek de Jongs Pier en oceaan, waarin de moord een achtergrondsplinter is, meer een obligate aanwijzing dat er ook nog een wereld buiten de hoofdpersoon is dan iets anders.

Succesvolle broer

Waarom lezen we zo weinig over de moord op Kennedy in de Nederlandse letteren? Misschien komt het, psychologische verklaring, omdat een held tragisch sneuvelde. Journalist Alistair Cooke zei indertijd in zijn necrologie dat de Amerikanen met de dood van Kennedy een succesvolle broer verloren. En Nederlandse schrijvers houden niet van succesvolle broers. In de Nederlandse literatuur was de tijd van helden, dood of niet, voorbij. Alleen anti-helden – Osewoudt, Han de Wit – functioneerden nog. En dan, wat moest Nederland met het wereldnieuws? W.F. Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur: ‘Er is een kleinigheid die ons lot toch nog anders maakt: niemand luistert naar wat wij te vertellen hebben.’

Ook speelt ongetwijfeld een rol dat de televisie in Nederland lang niet overal aanstond om de geesten te verbijsteren. De moord op Kennedy was hier nog mondeling nieuws. Een verslag, een foto, geen bewegend beeld. De nieuwe werkelijkheid was hier nog niet goed doorgedrongen.

Bij Leo Vroman, woonachtig in Amerika, stond de televisie dan weer wel aan, getuige het volgende gedichtje:

Ik kan niet geloven dat de schoot/waarin hij als een laatste hulde het hoofd deed dat ineens ontsproot/tot het haar als een bloempot vulde/mee uit moet bloeien in de dood

De moord bestond wel, maar niet in de letteren, eerder als dramatische foto, memento mori. Bibeb, in een interview met Gerard van het Reve: ‘Huize Algra heeft een grote kamer met twee bedsteden, één ervan dient als klerenkast (met aan de wanden een foto van Jacky Kennedy aan de groeve van haar man, en van Jan Cremer).’ Waarin een klein land klein kan zijn.

Orgie

In Amerika zelf pakte men vanzelfsprekend heel wat breder uit. Honderden non-fictieboeken van journalisten en onderzoekers die de ware toedracht wisten of er naar gisten zagen het licht, plus tv-documentaires, en speelfilms en songs (‘The sound of silence’ van Simon and Garfunkel bijvoorbeeld).

Ook de grote Amerikaanse schrijvers kwamen in beweging, zij het wat traag, en nou ook niet direct met overtuigende romans. John Updike, een van die groten, beschreef in een column de wereldwijde verdoving na de moord heel raak: ‘Het was alsof we van vrijdag tot maandag hadden geslapen en een drukkende, onpeilbaar betekenisvolle droom hadden gezien die, ontdekten we toen we weer wakker werden, miljoenen ook hadden gehad. Meubels, gezinsleden, de straten en de hemel vervaagden; alleen de droom op de televisie was echt.’

Maar hoe in godsnaam moest je die drukkende, onpeilbaar betekenisvolle droom vormgeven, hoe kon je de slag aangaan met de televisie, die voor het eerst een politieke moord zo onontkoombaar direct en tegelijkertijd zo verwarrend in beeld had gebracht?

Het is karakteristiek dat Updike een paar jaar later in Paren de berichtgeving over de moord via de radio laat lopen. Zo hoefde hij niet te verbeelden wat iedereen al had gezien.

Paren, Peyton Place voor intellectuelen, gaat over verveelde stellen in Massachusetts die feesten, drinken en met elkaars partners neuken. Overspelige Foxy hoort van de moord als ze bij tandarts Freddy zit. De radio staat aan. ‘Wij vernemen dat er geweerschoten zijn gehoord in Dallas dicht bij president Kennedy’s autostoet’ en even later: ‘De president was beschoten, de president was getroffen, hij was in het hoofd getroffen, zijn toestand was ernstig, er was een priester ontboden, de president was dood. Om twee uur was dit alles bekend.’ Maar hoe moet het nu met het feestje dat de paren voor vanavond hebben gepland? ‘“Je moet het afzeggen,” zei Foxy tegen hem. “Maar ik heb alle drank al ingeslagen,” protesteerde Freddy.’

Dus gaat het feestje gewoon door, een orgie van dans, drank en decolletés (‘heeft een van jullie al in Marcia’s jurk gekeken? Ze heeft neuskegels tot op haar navel’) en luchtige ballroommuziek: ‘Wrap your troubles in dreams’. Slechts een van de partytijgers, kerk- en vreemdganger Piet Hanema (‘of Dutch descent’) voelt enige wroeging als hij ten dans wordt gevraagd: ‘Wil je? Dat lijkt me heiligschennis, vrolijk walsen op die arme kerel z’n graf.’

Het tafereeltje lijkt me symbolisch voor de reactie van de Amerikaanse literatuur die niet goed weet hoe zich te gedragen bij de plotselinge, door zoveel mysteries omgeven moordpartij(en).

Incubatietijd

Waarom lukte het ze in dit geval zo slecht ‘to blend private destinies with public events’, zoals The New York Times de taak van de schrijver ooit omschreef? Dat komt denk ik omdat de moord op Kennedy zo’n buitengewoon complexe, veelkoppige, diffuse gebeurtenis was. In het algemeen zijn schrijvers goed geëquipeerd om van eenvoudige zaken als liefde, dood, herinneringen, iets heel ingewikkelds te maken. Maar hoe breng je iets waar je geen greep op krijgt mooi en treffend voor het voetlicht? De nieuwe werkelijkheid, het grote drama van de dag, was ze te overdonderend, te versplinterd. Veertig jaar later zou het volgende tv-trauma, Nine-Eleven, een veelvoud aan literaire werken opleveren. Schrijvers zoals Jonathan Safran Foer en Philip Roth, bij ons Peter Verhelst, weten inmiddels kennelijk beter, minder geïntimideerd, te kiezen uit de caleidoscopische veelheid aan mogelijke invalshoeken en perspectieven, kunnen het verhaal naar zichzelf toehalen. In 1963 was de literatuur nog een maagd die bedeesd bij de wereldse actualiteit aanklopte.

Don DeLillo bijvoorbeeld beweerde wel dat hij zonder die moord geen schrijver was geworden want dat ze hem het centrale thema van zijn schrijverschap leverde: ‘willekeur, het gevoel dat niets is wat het lijkt’, maar het duurde vijfentwintig jaar voor hij zich waagde aan een roman erover: Libra.

Stephen King, meester van horror en fantasy, verklaarde in interviews dat hij in 1972 al met een boek over de moord rondliep, maar zijn 22-11-1963 kwam er pas in 2011. Norman Mailer, ook geobsedeerd door dé moord van zijn generatie, had net iets minder incubatietijd nodig. Oswald’s Tale verscheen in 1995. Ja, Oswald en niet Kennedy, want in al die drie boeken staat de schijnwerper op de vermeende moordenaar van JFK, Lee Harvey Oswald, die je met zijn mislukte persoonlijke leven wel de tragische held in de Kennedy-literatuur mag noemen, met de lachende, knappe president van de mooie woorden en de dito vrouwen als flat character; ook in Amerika hebben ze allicht liever een geflopte achterneef dan een geslaagde broer. Terzijde: het is vast geen toeval dat een dronken Bob Dylan na een concert ooit zei dat hij iets van zichzelf herkende in Oswald.

Dichters

Het is opmerkelijk hoeveel beter dichters met het onderwerp weten om te gaan. Niet de moord zelf maar de mediatisering en de publieke en persoonlijke reacties staan op hun programma. Wat hebben zij met juistheid en actualiteit te maken? Het gaat erom hoe iets overkomt. Verwarring en kwaadheid vormen bij hen geen belemmering om te schrijven maar juist een stimulans. Beatdichter Gregory Corso schreef een gedicht, ‘Lines Written Nov. 22, 23 – 1963 – in discord’, met regels over het geschokte vertrouwen in de mensheid als ‘I look contemptuously down upon the screwed-up neolithic creep’.

Het mooiste bracht allicht John Berryman de zaak in beeld in zijn ‘Formal Elegy’, waarin hij niet zozeer de moord of zijn gevoelens erbij onder woorden brengt, maar, hippend van de eerste persoon naar de derde persoon, reageert op al die beelden die over hem worden uitgestort: Kennedy, Oswald, Jack Ruby, Dallas, de Arlington begraafplaats, de dichter zelf en bovenal die andere hoofdrolspeler, de televisie want dat was deze moord toch vooral ook, de eerste tv-moord.

Scuppered the yachts, the choppers, big cars, jets. / Nobody goes anywhere, / lengthened (days) into TV. / I am four feet long, invisibly. /What in the end will be left of us is a stare, / underwater.

Ik denk dat de dichters er met hun perspectivische en stilistische vrijheden meer van wisten te bakken dan de prozaïsten, die zich gebonden achtten aan het verhaal. Berrymans beeld van de tv-kijker als een klein jochie, onopgemerkt maar gebiologeerd starend naar de beeldbuis, vat het beter samen dan welke epische uitweiding ook. De moord op Kennedy betekende in de literatuur de definitieve doorbraak van de televisie en de televisiekijker als inspiratiebron.

De beste romans zijn dan ook die welke het caleidoscopische, complexe karakter van de gebeurtenis in beeld brengen. Het boek van Mailer met zijn solipsistische sukkel Oswald en dat van King, met zijn goedwillende leraar die door het tijddeurtje van 1958 probeert de loop van de geschiedenis te veranderen, behoren daar niet toe.

Don DeLillo slaagt al beter. Hij beschrijft in Libra het verhaal vanuit verschillende perspectieven, als om zijn gevoel ‘dat niets is wat het lijkt’ te demonstreren. Vanuit Lee Harvey Oswald, de banale kneus uit de Bronx met z’n persoonlijke Cuba-sympathieën, vanuit een overijverige CIA-man en zijn kornuiten en vanuit een onderzoeker die verstrikt raakt in een jungle van ooggetuigenverslagen, chemische analyses, haarmonsters. Dat alles overgoten met de alledaagse gedachten van alle deelnemers. Het is een amalgaam in de geest van Berrymans gedicht: niet de moord zelf staat centraal maar de onontwarbare versplintering van alles, de ongelijksoortige emoties, de rare details.

Als volgt bijvoorbeeld nadert Jack Ruby zijn toekomstige slachtoffer: ‘Hij was aan de late kant. Als ik er niet op tijd ben moet ik het kennelijk niet doen. Hij reed door Dealey Plaza, een beetje om, om nog eens naar de kransen te kijken. Hij praatte tegen Sheba [zijn hond] of ze honger had, wilde ze haar Alpo? Hij parkeerde op een parkeerplaats tegenover het Western Union kantoor. Hij opende de achterbak, haalde het hondenvoer en een blikopener tevoorschijn en maakte een maaltje voor de hond, die hij op de voorbank achterliet. Hij haalde 2000 dollar uit zijn portemonnee en stopte het in zijn zakken want zo hoort een clubeigenaar binnen te komen. Hij stopte het pistool in zijn rechter heupzak. Zijn naam stond in gouden letters in zijn hoed gestempeld.’

Als een autorace

Het meest rake, tevens gekste en op een bepaalde manier ook dichterlijke verslag komt van de Britse surrealist J.G. Ballard, die in 1965 een kort verhaal schreef getiteld ‘The Assassination of John Fitzgerald Kennedy Considered as a Downhill Motor Race’. Het is gebaseerd op een absurdistisch verhaal van Alfred Jarry, ‘De kruisiging beschouwd als een wielerwedstrijd’, en beschrijft de moord op Kennedy als een autorace, in de trant van Monty Pythons Flying Circus: ‘Oswald was de starter. Vanuit zijn raam boven het parcours startte hij de race met zijn startpistool. Men neemt aan dat het eerste schot niet door alle coureurs goed werd gehoord. In de verwarring die erop volgde liet Oswald zijn pistool nog twee keer overgaan, maar de wedstrijd was al onderweg. Kennedy startte slecht. Er zat een gouverneur in zijn auto en zijn snelheid bleef constant rond de 20 kilometer per uur. Toen echter kort daarna de gouverneur buiten werking was gesteld accelereerde de auto snel en behield gedurende de rest van de race een hoge snelheid.’

Een satire op de moord op Kennedy als media-event. Ballards zwarte humor en de lichte toon van zijn wedstrijdmetafoor kon de meeste Amerikaanse lezers natuurlijk niet bekoren; ze beschouwden het als een blasfemische ontheiliging van hun nationale icoon. Maar tegelijk bleven ze zelf goedbeschouwd het antwoord schuldig op de vraag hoe je er dan wel over moest schrijven.

De literatuur, opeens opgejaagd door actualiteit, media en journalistiek, wist zich daar in de jaren zestig nog geen houding in te geven. Dat zie je ook bij ons in Nederland in het schromelijk ontbreken van contemporaine romans en verhalen die ons eigen nieuws van die tijd – de ontzuiling, bevrijding en emancipatie, provo’s, hippies en feministes – treffend verbeelden. De literatuur moest nog leren dat ze geen nieuw licht op gebeurtenissen hoefde te werpen, er niks van hoefde te snappen of te duiden, geen visie hoefde te hebben, maar dat ze juist verwarring, emoties en fantasie in beheer heeft. De moord op Kennedy was daarbij een hete aardappel die pas na verloop van tijd afkoelde.

VN Bladwijzer

Online bron

Motherboard

Het verdwenen frame

Internet zou internet niet zijn als er geen beelden opdoken die elders subtieltjes weggelaten worden. Een aanzienlijke gemeenschap heeft zich gevormd rondom het beroemde ‘frame 313’, de beelden van de bloedexplosie op het moment dat de kogel het hoofd van Kennedy raakt, te zien op de amateurbeelden van Abraham Zapruder, schrijft de Amerikaanse site Motherboard. Geschrokken door de beelden besloot Zapruder het bewuste frame eruit te knippen en het publiek te sparen. Het ontbreken van het frame en het aansluitende gerotzooi om het weer terug te krijgen werd voer voor complotdenkers. Frame 313 is sindsdien uitgegroeid tot het symbool van discussiegroepen en forums gewijd aan complottheorieën.

Ga naar

vn.nl/kennedy

Nee