Het afgelopen jaar viel Netflix een beetje tegen, vindt Jeroen Vullings, kwantiteit overschreeuwde kwaliteit. Nu keert hij terug naar waar het voor hem allemaal begon: HBO.

Nog niet zo lang geleden, om precies te zijn vanaf de komst van de cynische politieke serie House of Cards en het vrouwengevangenisdrama Orange Is the New Black in 2013, kon je blind vertrouwen op de ‘Netflix Originals’, de producties die dit Amerikaanse internetstreambedrijf zelf produceerde. Natuurlijk was niet alles naar eenieders smaak; de inmiddels beëindigde horrorserie Hemlock Grove uit datzelfde jaar wist mij niet te kluisteren. Netflix wás het; het nieuwe HBO, gonsde het bij het koffieapparaat.

Ik vond het daarom niet zo’n gemis dat HBO verleden jaar verdween uit het aanbod hier te lande. Niet alleen omdat je de meeste series waar het om gaat via een andere aanbieder kon blijven zien, maar vooral omdat het specifieke HBO-aanbod mij tegenviel: teveel B-films, vooral uit het horrorgenre, en maar een paar series, die je maar net aan moesten staan. Natuurlijk: het ging eerst en vooral om het fantasy-epos Game of Thrones, gevolgd door de achttiende-eeuwse piratenserie Black Sails, de undercover-politieserie True Detective, het singlesdrama Girls, de bitterzoete scheidingskomedie Divorce en nog het een en ander. Maar niet om zoveel als Netflix bood. Ik rouwde kortom niet, dacht: ik heb toch al teveel om te zien. Ik was verwend door Netflix, besef ik nu, met de Franse paranormale serie The Returned, het gedoemde-familiedrama te Florida Bloodline, de New Yorkse sitcom Master of None, het war on drugs-drama Narcos, de Breaking Bad-prequel Better Call Saul, de Franse grotestadspolitiek van Marseille, de Stephen King-geïnspireerde retrohorror van Stranger Things, het drama over geruchtmakende verdwijningen The Missing, en op de valreep van 2016 het twintigste-eeuwse Britse koningsdrama The Crown en de supranormale serie The OA.

De nichegraverij van Netflix riekt naar algoritmes.

Maar dat was – dit blijft m’n persóónlijke verhaal – buiten Netflix gerekend. Vrijwel iedere week krijg ik meldingen van weer een nieuwe ‘Original’. Niet zelden een serie uit het superheldenechelon, een Marvel-reeks die het tot nu toe slechts enigszins moet hebben van de blinde durfal Daredevil en beslist niet van de zwakke broeders en zuster Luke Cage, Iron Fist en Jessica Jones, die niet krachtig genoeg zijn om een serie geheel te dragen. Nog vaker betreft het series uit Korea, Zuid-Amerika, het na The Killing, The Bridge en Borgen qua series onuitputtelijke Scandinavië, kortom andere delen van de wereld dan het Angelsaksisch taalgebied. Niks op tegen, met een beetje geluk zijn zulke (nog) onbekenden van hetzelfde niveau als de Roemeense misdaadserie Umbra, die HBO uitzond.

Maar meestal denk ik het al te weten bij het zoveelste ongure bos waar weer een dood kind wordt aangetroffen door een klabak die net aan rust toe was na een traumatiserende zaak, of de zoveelste vrolijke, verbijsterend uitgebreid vertakte familie die zich te sappel moet maken om een lokale verwikkeling. Dat is dan nog gerekend buiten de vele series van langer her die ooit elders furore maakten (de spannende gevangenispulpserie Prison Break bijvoorbeeld) of juist een kommervol bestaan in de luwte van de publieksbelangstelling leidden en nu afgestoft als verse waar worden gepresenteerd. Ik heb de indruk dat er kwantitatief meer dan ooit te zien is op Netflix en tegelijkertijd kwalitatief minder dan voorheen.

Tot nu toe valt het nieuwe aanbod mij in stijgende mate tegen. Ik zie daarin te weinig artistiek niveau, te weinig eigenzinnigheid en, in lijn daarmee, teveel Netflix’ ambitie om de wereld te veroveren met op het te brede publiek toegesneden producties. Van commerciële drijfveren hoef je niet op te kijken, die waren er altijd al, maar van het sterke begin in 2013 waarmee betaaltelevisiekanaal HBO – ooit zelf met dé gangsterserie aller gangsterseries The Sopranos, Larry David-vehikel Curb Your Enthusiasm en stijlicoon Sex and the City verpletterend binnengekomen – door Netflix naar de achtergrond leek te zijn verdreven, rest zo goed als niets meer. De voortdurende nichegraverij om weer een nieuwe specifieke bevolkingsgroep te behagen riekt naar algoritme-gestuurd beleid. 2017 bracht tot nu toe weinig goeds, de schmierende zombiekomedie Santa Clarita Diet – áárdig, als drempelloos amusement. Het vroeg achttiende-eeuwse pelsjagersdrama Frontier keek ik gemelijk uit, bij gebrek aan beter, maar een tweede seizoen is te veel gevraagd. Recentelijk hoor ik dat ik het tienermysterie Riverdale een kans moet geven, wie weet.

Terug naar de eerste liefde

De voorheen altijd bomvolle ‘Mijn lijst’ in m’n Netflix-app lijkt meer en meer op een Kamergotchi die nauwelijks voedsel krijgt aangeleverd. Dat kán aan mij liggen, misschien heb ik Netflix-meesterwerken gemist, ik hoor het graag. Maar voorlopig keer ik terug naar m’n eerste serieliefde: HBO. Twee recente DVD-boxen met HBO-series die het afgelopen seizoen daar te zien waren, bieden soelaas: de eerste seizoenen van respectievelijk het noir-misdaaddrama The night of en het heftige post-Vietnamdrama Quarry. In The night of komt een jonge, argeloze niet-westerse immigrantenzoon na een verkeerd aflopende nacht vol pillen met een sexy, in zichzelf kervende borderliner in een juridische en penitentiaire hel terecht. Hij is schuldig tot het tegendeel bewezen is en dát is nu net erg moeilijk te realiseren. Geweldige cast, advocaat John Turturro voorop. Los van de eigentijdse sociale kritiek op de chaos van het politieapparaat, het gevangeniswezen en het strafrechtelijke systeem ademt deze serie cinematografisch de jaren negentig: het nachtleven, de achterkant van de glamour, is inktzwart.

Nog beter, véél beter, want indringender is Quarry: het verhaal van de langharige marinier Mac Conway die in 1972 uit Vietnam terugkeert naar Memphis. Daar zitten ze niet bepaald op hem te wachten, op deze officier die een My Lai-achtige moordpartij op dorpelingen op z’n geweten heeft. Aan de bak komt hij dan ook nergens op het legale vlak. Uiteindelijk krijgt hij emplooi als huurmoordenaar bij een mysterieus misdaadsyndicaat. Dus ja, een en al fors geweld, rauw in beeld gebracht, want alleen daarin kan de door en door gekwelde zenuwpatiënt Mac zich ten volle uiten. Zelden iemand gezien die zo fucked up is. Misschien daarom vertoont de acteur die Mac vertolkt, Logan Marshall-Green, in precies hetzelfde veteranenkloffie, met hetzelfde lange haar, even labiel – kortom helemaal zijn rol in Quarry – een gestoorde dronepiloot in Oliver Stones film Snowden. Een knipoog, van de ene naar de andere oorlog, zou je kunnen zeggen. En een terecht eerbetoon van Oliver Stone aan Quarry.