Greta Riemersma, oud-correspondent in Marokko, vroeg zich af waarom tolerante moslims zo weinig tegengeluid laten horen. En ontdekte dat moslims wereldwijd wel degelijk laten weten dat ze niet achter IS en andere extremisten staan. Ze worden alleen onvoldoende gehoord.

Toen ik eind 2013 naar Egypte ging, verklaarde mijn familie mij voor gek. Vlak daarvoor waren op het Tahrirplein in Caïro tijdens betogingen tegen president Morsi vrouwen verkracht, journalisten belaagd en doden gevallen, mijn familie vreesde het ergste. ‘Nou, fijn je gekend te hebben,’ zei mijn broer toen hij van mijn plannen hoorde. Ook anderen waren bezorgd, dus liever was ik niet meer gegaan. Maar er was geen weg terug. Ik zou schrijfster Nawal el Saadawi interviewen, die met gevaar voor eigen leven islamfanatici en wisselende Egyptische regimes had bekritiseerd – ik zou mezelf een loser vinden als ik die afspraak zou afzeggen omdat ik báng was.

Illustratie: Tammo Schuringa
Illustratie: Tammo Schuringa

Bovendien wuifde mijn man alle zorgen weg. Hij herinnerde mij aan de vragen die hij soms krijgt van mensen die een vakantie overwegen naar Marokko, zijn geboorteland. Heb je er wel pinautomaten? Moet je er als vrouw gesluierd lopen? Hij moet altijd lachen als hij dit soort dingen te horen krijgt, omdat ze vrij weinig te maken hebben met de werkelijkheid. ‘De meeste westerlingen weten nauwelijks iets van de islamitische wereld, ze horen alleen over IS en Al-Qaida en dat is het,’ zei mijn man.

Hij kent de Egyptische cultuur goed. ‘Egyptenaren zijn over het algemeen beschaafde mensen en die zijn nu heus niet allemaal ineens veranderd in beesten.’ Dit was even een lastig puntje voor mij, want de gewelddadigheden op het Tahrirplein waren toch gepleegd door aardig wat beesten. ‘Hoe weet jij zo zeker dat mij in dat land niets gebeurt?’ vroeg ik. ‘Ja zeg,’ zei mijn man. ‘Blijf dan thuis als je niet durft.’ Maar híj zag het gevaar niet. ‘Je komt vast iemand tegen die je helpt en dan kom je lachend terug.’

Dadels voor mijn man
Zo ging ik het vliegtuig in en op de luchthaven in Caïro ontmoette ik een Egyptenaar. Ik had hem niet gezocht. Hij was met dezelfde vlucht gekomen als ik en van alle passagiers waren wij de enige twee met pech: onze koffers verschenen niet op de bagageband. Dat betekende formulieren invullen, en voor het loket waar dat moest gebeuren, raakten we aan de praat. Hij heette Ahmed en was 27. Hij ging een aantal keren per jaar naar Nederland voor zaken en sprak over de Kalverstraat en de Albert Heijn.

Na een minuut of twintig vonden we ineens onze spullen terug. In de euforie vroeg hij mij: ‘Kan ik je naar je hotel brengen?’ Ik vond het best. Ik kon me niet voorstellen dat ik te maken had met een van de beesten van het Tahrirplein, en verder zou ik niet weten wat een 27-jarige man in de zin kon hebben met een vrouw van eind veertig. Als ik nu Patricia Paay was, maar tegen haar verschijning moet ik het radicaal afleggen.

Beste, aardige moslims, DOE wat, ZEG wat! Laat je toch niet overschreeuwen door de idioten in de gelederen.

Voor ik het wist zat ik achter in de oude Volkswagen Jetta van Ahmeds oom en scheurden we over de drukke verbindingswegen van donker Caïro. Er klonk vrolijke muziek in de auto en ik grinnikte om de naam van de oom, die Negma, ofwel ‘Ster’ luidde. De mannen vroegen of ik nog wat wilde eten bij de moeder van Ahmed en ik dacht: ach ja, waarom niet. Even later stapte ik in de volkswijk Shoubra een flat in waar de moeder haar armen voor mij spreidde. ‘Mijn dochter,’ zei ze, waarna ze de Koran citeerde: ‘Kom Egypte, zo God het wil, veilig binnen.’

Tijdens mijn korte verblijf in Caïro maakte ik dingen mee die ik van tevoren niet had bedacht. Met Ahmed stond ik voor de piramides van Giza en met oom Ster wandelden we door de oude wijken van Caïro. Ik kreeg overal stapels eten te verwerken en ik moest cadeaus aannemen: dadels voor mijn man en schilderijtjes voor mijn kinderen. En ik hoefde nergens te betalen. Ik probeerde het bij elke gelegenheid opnieuw, maar Ahmed zei: ‘Waarom beginnen Nederlanders toch altijd over betalen? Het leven is toch meer dan betalen?’

‘Wij’ en ‘zij’
Na de aanslag op Charlie Hebdo heb ik me nogal opgewonden over de stilte die moslims verspreidden. Zeker, de IS-aanhangers onder hen veroorzaken voortdurend een hoop herrie, maar de overgrote meerderheid die IS abject vindt, formuleerde in mijn beleving nauwelijks een tegengeluid. Mijn frustratie nam toe nadat ik begin februari een artikel had geschreven voor Vrij Nederland over hoe allochtonen voortdurend worden aangesproken op hun zogenaamde anders-zijn, zoals ook mijn drie half-Marokkaanse kinderen. Meteen daarna kreeg ik een uitnodiging van het Samenwerkingsverband Marokkanen in Nederland om iets te komen vertellen over vooroordelen.

Ik stemde in en onwillekeurig vormden zich wat zinnetjes in mijn hoofd. Maar al vrij snel liep ik vast. Want wat zou ik ze moeten vertellen dat ze zelf nog niet weten? Moest ik ze uitleggen hoe vervelend vooroordelen over de Marokkaanse cultuur zijn? Hoe onterecht het is dat alle moslims worden aangekeken op de horrordaden van IS, zoals ik zelf in alle Egyptenaren de beesten van het Tahrirplein zag? Ik wilde dat met liefde doen, alleen zou ik ze dan ook willen aanraden die vooroordelen te ontkrachten. Sta met zijn allen op en laat zien hoe het zit, vooral op het gebied van de islam, want daarover is al jaren het meest te doen.

Illustratie: Tammo Schuringa
Illustratie: Tammo Schuringa

Niet dat ik de illusie had dat het meteen vrede op aarde wordt als moslims ‘met zijn allen opstaan’, en ik wist ook niet precies wat dat ‘met zijn allen opstaan’ zou moeten zijn. Ik heb nooit gevonden dat moslims afstand moeten nemen van iets waar ze niets mee te maken hebben, het was meer het gevoel: beste, aardige moslims, DOE wat, ZEG wat! Laat je toch niet overschreeuwen door de idioten in de gelederen.

Ik wist al dat de meeste moslims in Nederland niet erg geneigd zijn publiekelijk wat dan ook te zeggen over de islam. Het maakte op veel Nederlanders indruk dat de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb jihadisten aanraadde vooral op te rotten als ze zo graag willen moorden en verkrachten in het kalifaat – maar nogal wat moslims zagen hem als een verrader. In hun visie verdeelt Aboutaleb de samenleving in ‘wij’ en ‘zij’. Een van hen twitterde: ‘Beroepsallochtonenonzin’.

Na de gebeurtenissen in Parijs lieten moslims massaal weten dat ze geen afstand gingen nemen, wat ik me kon voorstellen, maar niet dat het daarna grosso modo stil werd. Het onderwerp ligt ‘gevoelig’, begreep ik. Op Facebook las ik over een moslima die een vriendin twee maanden had genegeerd nadat die vroeg ‘hoe zij in het verhaal van IS stond’. In de Volkskrant weigerde filmer Abdelkarim El-Fassi het antwoord op de vraag of hij moslim is, omdat dit volgens hem een ‘uitsluitingsmechanisme’ is geworden. Sorry, maar ik werd gek. Ik dacht aan mijn toespraak voor de Marokkaanse Nederlanders die ik niet ging houden als ik mezelf moest censureren. Ik constateerde dat het islamdebat in Nederland even vast zit als een oude schoen in een bevroren sloot.

Ik herinnerde me Adriaan van Dis, die begin februari bij De Wereld Draait Door zei dat hij ‘zo ontzéttend’ verlangde naar een reactie ‘uit de islamitische cultuur’. Ik begreep hem – overigens niet omdat ik ervan overtuigd wilde worden dat ‘de islam’ deugt. Debatten over ‘de islam’, dat wil zeggen de islamitische heilige teksten waarover Geert Wilders al jaren roept dat ze verderfelijk zijn, zeggen mij vrij weinig. Túúrlijk staan er wonderlijke dingen in heilige teksten, als kind van gereformeerde ouders weet ik niet beter. Op de School met de Bijbel vernam ik al op mijn zevende hoe op een feestje van koning Herodes het afgehakte hoofd van Johannes de Doper op een schaal werd binnengedragen. Maar ik heb nooit een moment gedacht: hé, onthoofden, dat doe ik ook als ik later groot ben.

Mij gaat het om wat moslims met hun heilige teksten doen. De Koran is voor velen een onveranderlijke waarheid, ik weet het, maar de praktijk geeft een ander beeld. Velen leven uit dit boek na wat hun goeddunkt. Dat is net als voor andere soorten gelovigen een kwestie van opvoeding, logisch nadenken, opportunisme en hypocrisie. De moslimwereld is even divers als de rest van de wereld. Nederlanders vinden al dat ze niet lijken op Duitsers, dus waarom zou een Libanees lijken op een Somaliër? Wat heeft een Turk te maken met iemand uit Afghanistan? Laat de verschillen zien – dat was waarnaar ik verlangde.

Ladingen alcohol
Moslims zouden moeten begrijpen dat het niet eenvoudig is het allemaal te snappen. Het kost tijd. Ik ken mijn man al twintig jaar, maar nog steeds kan ik verrast zijn over wat ik met hem of andere moslims meemaak, ik schreef er in 2011 een boek over. En uiteraard begrijp ik niets van alle terreur die in de naam van Allah wordt gepleegd. ‘Hoe weet jij zo zeker dat jouw geloof niet oproept tot geweld?’ vroeg ik mijn man laatst. Als ik dan terugdenk aan mijn eerste bezoek aan zijn familie in Kenitra, vlakbij de Marokkaanse hoofdstad Rabat, raak ik helemaal in de war. Toen ik zijn broers en zussen in 1995 voor het eerst zag, merkte ik aan niets dat ze een geloof aanhingen. Ik hoorde mijn man wel over de islam, dan zei hij bijvoorbeeld: ‘Als je te fanatiek bent in het geloof, verlies je.’ Het citaat wordt toegeschreven aan profeet Mohammed en mijn man legde uit: ‘Het is net als met een hand vol zand. Als je te hard knijpt, loopt het zand tussen je vingers door.’

De moslimwereld is even divers als de rest van de wereld. Laat de verschillen zien- dat was waarnaar ik verlangde.

Zo, dat was wat anders dan ik als ex-gereformeerde had meegemaakt, want het was vroeger wel de bedoeling dat ik álle Tien Geboden naleefde. Ik wist niet veel van moslims, ik had mijn ouders horen vertellen dat ‘de mohammedanen’ ook onze Jezus aanbaden, wat ik gek vond. Maar na het bezoek aan de familie van mijn man beschouwde ik moslims als vrij vrolijke, niet al te bijbelvaste katholieken. In de uitgaansgelegenheden waar mijn man en ik in Marokko kwamen, zag ik mensen enorme ladingen alcohol naar binnen schuiven, wat volgens de islamitische heilige teksten toch echt verboden is. Ik begreep dat je na de zonde aan God vergeving kon vragen en vervolgens weer verder kon met leven zoals jij dat wilde.

In de jaren erna bleef ik de lichtheid van het geloof zien. Niet dat ik moslim werd, ik ben het nooit geworden. De oudste broer van mijn man heeft me één keer gevraagd of het iets voor mij zou zijn, hij voelde zich ertoe verplicht. Maar ik zei nee. ‘Als je later voor God staat, wil je dan zeggen dat ik het je heb gevraagd?’ Prima, geen punt. Mijn man is er nooit over begonnen. Hij is beïnvloed door zijn vader, die uit de Sahara kwam waar spiritualiteit voor veel mensen belangrijker is dan het naleven van regels. Iedereen moet zelf weten wat hij wel of niet doet met God. ‘Er is geen dwang in het geloof,’ zegt Ayet al Kursi, een belangrijk Koranvers. Zo denkt mijn man er ook over.

Die haatfiguren
In de jaren na de aanslagen op de Twin Towers in New York op 11 september 2001, zagen we de familie van mijn man veranderen. Tijdens een vakantie in Kenitra troffen we zijn jongste broer aan in de outfit van een fanatieke moslim: lang gewaad, baard, mutsje. De familie liet hem even zijn gang gaan. De jongste broer had zijn halve leven geprobeerd in Europa te komen, maar dat was mislukt. Hij had drank en drugs gebruikt om zijn misère te vergeten en nu probeerde hij het geloof. Maar na een paar weken greep de familie in. De zussen accepteerden niet dat hij hun vroeg hun blote armen te bedekken. ‘Als je het nog een keer zegt, liggen je tanden op de grond,’ zei een van de zussen. De oudste broer gaf hem opdracht zijn baard af te scheren, een spijkerbroek aan te trekken en dat was dat.

We merkten pas goed wat de veranderingen inhielden toen we tussen 2007 en 2010 in Kenitra woonden, waar ik werkte als correspondent. De hele familie bad nu vijf keer per dag. De zussen van mijn man droegen een hoofddoek en djellaba. Ze keken vaak naar televisiepredikers. Ik wist dat dit in de hele moslimwereld gaande was, maar toch snapten mijn man en ik er weinig van. Waarom moest dit nou? ‘Wij hebben ons geloof ontdekt door de televisie,’ zeiden zijn zussen. ‘Hou toch op met luisteren naar die haatfiguren,’ antwoordde mijn man. Maar zijn zussen lachten hem uit, wist hij niet dat haatzaaien in Marokko al jaren verboden was?

Illustratie: Tammo Schuringa
Illustratie: Tammo Schuringa

De Marokkaanse geheime dienst DST zit bovenop iedereen die wat al te fanatiek is in het geloof en luistert mee in elke moskee; vergeleken bij de mannen van de DST is Aboutaleb nog buitengewoon soft. Niet alleen wij waren verbaasd over deze praktijk, ook een bebaarde Marokkaanse Nederlander die ik in Marokko trof. Hij was opgegroeid in Limburg, was zich nogal drastisch gaan verdiepen in het geloof en studeerde nu Arabisch in het geboorteland van zijn ouders. Maar hij kreeg al snel signalen dat de DST hem in de gaten hield. ‘Je kunt in Marokko beter hasj verkopen dan je baard laten staan,’ waarschuwde een politiechef de Limburger, die de geloofspraktijk in Marokko maar niks vond. In Nederland was hij gewend aan moslims die stukken actiever waren.

Dit was voor ons niet meer te volgen. Pas na een poosje kregen we door dat sommige Marokkanen in Nederland, net als in andere migrantengemeenschappen, conservatiever zijn dan degenen in het land van herkomst. Voor de meeste mensen in Marokko is er in wezen niet veel veranderd. Ze zijn alleen meer dan vroeger bezig met de regels van het geloof en bespreken kwesties als: hoe moet ik mijn benen over elkaar doen als ik bid, moet ik na de ramadan nog extra dagen vasten en doe ik wel of niet een hoofddoek om.

We constateerden dit onder andere na veel discussie met de familie. Want wat was voor hen nou het grote belang van al die regels? Mijn man ging in deze kwestie verder dan ik, het is zijn familie. Ik vond het na een tijd gênant worden dat ik zijn zussen zat te vertellen wat er mis is met hun hoofddoek. Ik dacht: waarom zou ik hun zeggen wat ze moeten dragen, ze doen dat nooit bij mij. We merkten dat de familie het leven nog even licht opneemt als altijd – en zoveel meer mensen in Marokko doen dat.

Veel Nederlanders kunnen het moeilijk geloven als ik dit vertel, maar ik verzin het niet. Ik hoef niemand enthousiast te maken voor Marokko of de islam. Ik weet dat ook in Marokko extremisten rondlopen, ondanks de DST. Toch lijkt het me belangrijk dat ál dit soort verhalen over de islamitische wereld bekend worden. IS heeft ook in Nederland een grote aantrekkingskracht op moslimjongeren, valt in moslimkringen overal te beluisteren. Het radicale moslimschap is een straatcultuur aan het worden. En het zullen toch moslims moeten zijn die dit soort jongeren laten inzien dat hun geloof ook zacht kan zijn.

Daarnaast lijkt het me voor iederéén prettig om te weten dat moslims geen eenvormige mensenmassa vormen. Iedereen had het allang kunnen weten, maar zoals gezegd: het kost tijd. Je hebt moslims die in hun heilige teksten een horrorscenario lezen, zoals in Syrië en Irak. Je hebt moslims die vrouwen aanzien voor mensen met een beperking die beter niet kunnen autorijden, zoals in Saoedi-Arabië. Je hebt moslims die tussen de benen van vrouwen alles weghalen wat plezier geeft, zoals in Egypte en andere landen in Oost-Afrika. En je hebt een heleboel moslims die dat allemaal níet doen en van al die praktijken walgen – en die wonen overal.

Moreel knock-out
Ik zat dus met die uitnodiging van de Marokkaanse Nederlanders voor een lezing over vooroordelen in mijn maag en had net als Adriaan van Dis een verlangen naar een reactie uit de islamitische cultuur. Ik vroeg me af: waarom is die reactie er niet? Ik bekeek nog eens de uitzending van De Wereld Draait Door met Van Dis. Tegenover hem aan tafel zat voornoemde filmer Abdelkarim El-Fassi, die iets zei wat mijn belangstelling wekte. Volgens hem hebben moslims al zo váák pogingen gedaan om de angst en het wantrouwen bij niet-moslims weg te nemen. ‘Maar daar schuilt wel een wederkerigheid in. Als ik een statement maak, moeten mensen die handreiking wel accepteren.’ En dát nu gebeurt volgens El-Fassi niet.

Ik besloot uit te zoeken of meer moslims en ex-moslims het zo zien, maar mijn veldonderzoekje, en passant onder degenen die ik tegenkwam, duurde kort. Wie ik ook sprak, ze begonnen óf te zuchten óf te lachen. ‘Als ik op televisie iets hoor over de islam, zap ik meteen weg,’ zei een vrouw. ‘Ik kan hier niet meer over praten, ik kan al die statements over de islam niet meer aan,’ zei een man.

Het radicale moslimschap is een straatcultuur geworden. Moslims moeten laten zien dat hun geloof ook zacht kan zijn.

Op grond van wat ik heb meegemaakt, gelezen en eerder heb gehoord, denk ik dat het volgende aan de hand is. Na 11 september 2001 kregen moslims van allerlei mensen vragen: wat ze van de aanslagen vonden, maar ook waarom ze geen varkensvlees aten of wat de ramadan toch voor iets was. Ook bij mijn man gebeurde dit en na verloop van tijd kreeg hij het idee dat hij alleen nog maar een geloofsovertuiging was. Een vriend van hem, chef bij de Coca-Colafabriek in Stockholm, belde hem op: ‘Mijn God, ik ben voor mijn collega’s altijd een goed geïntegreerde Marokkaanse Zweed geweest, plotseling ben ik een moslim.’

Schrijver Abdelkader Benali zei het een aantal jaren geleden in de Volkskrant zo: ‘De dag na 11 september kwam ik naar buiten, boven mijn huis cirkelde een gevechtsvliegtuigje, het Nederlandse leger was paraat, en een buurvrouw zei tegen mij: “Kennen jullie geen naastenliefde?” Dat was de toon. Ik werd afgerekend op wat mensen deden met wie ik niets te maken heb. En ik wist niet wat ik moest zeggen. Het was alsof iemand me moreel knock-out had geslagen met een misplaatste klap.’

Veel moslims vinden dat er veertien jaar later niets is veranderd. Zij zijn in westerse maatschappijen overal en altijd eerder moslim dan man, vrouw, vader, moeder, timmerman of advocaat. Uiteraard beseffen ze dat het ligt aan de moslimextremisten die niet stoppen met hun terreur. Maar hun punt is dit: in kleine kring hebben ze zich al zo vaak verdedigd als antwoord op alle vragen die ze krijgen. Ze hebben al tientallen keren laten weten dat ze het totaal oneens zijn met deze extremistische lui.

Daarbij vinden ze dat moslims wel degelijk publiekelijk uitdragen dat er iets moet veranderen, zeker de laatste maanden. Onlangs zijn in Saoedi-Arabië islamitische theologen uit het Midden-Oosten bij elkaar gekomen om te bekijken hoe ze een tegenwicht kunnen bieden aan de perverse praatjes van IS. In Marokko heeft de koning na de aanslag op Charlie Hebdo gebeden met een rabbijn en een bisschop. Er is een Facebookpagina ‘Nietmijnislam’ met ruim 26.000 likes en een hashtag met dezelfde naam; de club kon onlangs slechts met moeite een zaaltje vinden om bij elkaar te komen, zo huiverig waren zaalverhuurders voor een bijeenkomst over de islam. In een moskee in Groningen hoorde mijn man een imam uit Casablanca zeggen dat moslims alles moeten doen om hun kinderen uit de klauwen van IS te houden. Deze imam zei ook dat sommige moslimmannen hun vrouwen achterlijk behandelen en dat ze daarmee moeten ophouden.

Spreek jij je eens even uit
Er is van alles gaande – Ayaan Hirsi Ali is allang niet meer de enige die pleit voor hervormingen. Maar de frustratie van veel moslims is dat deze werkelijkheid maar moeizaam overkomt. Zij vinden dat een deel van de oorzaak ‘de media’ zijn, die maar doorgaan met tonen wat er mis is met ‘de islam’ en minder oog hebben voor wat er ten goede verandert. Nu hoor ik als journalist al vijfentwintig jaar dat ‘de media’ de schuld zijn van zoveel, maar deze kritiek begrijp ik enigszins. Ik had eens het idee met een straatcoach op stap te gaan die probeert te voorkomen dat moslimjongeren afglijden richting criminaliteit of de extreme islam. ‘Ik ben bang dat het saai wordt,’ was de reactie van een collega-journalist. Ik wilde een serie interviews maken met als vraag: hoe heeft de islam zo kunnen ontsporen? Een chef zag er wel wat in, maar hij zei erbij: ‘Ik ben nogal negatief over hoe de islam zich ontwikkelt en wat je niet moet willen proberen is dit beeld rechtzetten.’

Media besteden al veertien jaar veel aandacht aan alles wat er mis is in de moslimwereld, omdat er veel mis ís. Ik heb ook volop van die verhalen geschreven. Maar journalisten zijn net mensen en soms zijn ze te lang niet buiten het redactielokaal geweest of redeneren ze te veel vanuit starre beelden. Moslims zelf denken dat er pas echt een waarheidsgetrouw beeld over hun levens ontstaat als zij zélf aan het werk gaan bij de media, en dan niet als eenling op een witte redactie, maar met meer zogeheten nieuwe Nederlanders. Dat de meeste redacties ook na decennia van immigratie nog steeds eenzijdig zijn samengesteld, krijgt steeds meer kritiek. Op de VPRO-site citeerde documentairemaakster Sunny Bergman een Marokkaans-Nederlandse freelancer die had vastgesteld: ‘Hilversum lijkt wel een Arisch verbeteringskamp.’

Moslims denken dat er pas echt een waarheidsgetrouw beeld over hen ontstaat als zij zélf aan het werk gaan bij de media.

Er tekent zich het volgende af: een deel van de kinderen van de eerste generatie Turkse en Marokkaanse gastarbeiders eist zijn plek in Nederland op. Deze mensen zijn klaar met het verhaal dat de integratie mislukt is, ze hebben niets te maken met het multiculturele drama dat publicist Paul Scheffer alweer vijftien jaar geleden constateerde. Zij voelen zich geen nieuwe Nederlanders, zij voelen zich Nederlanders. ‘Waar volgens mij de oplossing in schuilt,’ zei Abdelkarim El-Fassi tegen Adriaan van Dis in De Wereld Draait Door, ‘is dat u mij in de eerste plaats ziet als een Nederlands staatsburger. Dat ben ik, zo moet u mij zien, niet als moslim.’

In Marokko zagen we het beter naarmate we er langer woonden: de nakomelingen van de Marokkaanse gastarbeiders lijken niet meer op Marokkanen. Het zijn Europeanen die zich in Marokko vrijer gedragen en meer lawaai maken. Ze geven overal vrijelijk hun mening over en zoenen openlijk. Ze hebben duidelijk geen last van de temperende werking die een hiërarchische, strikte maatschappij heeft op het karakter. Oudere Marokkaanse migranten vertelden ons dat ze hun kinderen niet meer meekregen naar familie in kleine huisjes in de bergen, hooguit wilden die een strandvakantie vanuit een hotel.

Op 11 september 2001 waren deze nakomelingen soms nog maar in de puberteit. Ze worden nu in westerse samenlevingen al een half leven lang aangesproken op hun geloof of dat van hun ouders. Sommigen kiezen ervoor nog méér moslim te worden, anderen willen juist van het stigma af en bekeken worden als individu. Hoe dan ook weigeren ze zich te laten voorschrijven hoe ze moeten reageren op de toestand in de wereld. ‘De samenleving als geheel reageert heel primitief: spreek jij je eens even uit,’ zei Nourdin el Ouali, leider van de Rotterdamse moslimpartij NIDA, in de uitzending van De Wereld Draait Door met Van Dis. ‘Ik heb die vraag niet nodig, ik kan me best uitspreken, niemand hoeft dat van me te verlangen.’

Precies zoals zij
Duidelijk. Blijft over de vraag: hoe nu verder. Mij lijkt het verstandig dat het onderwerp ‘islam’ bespreekbaar blijft. Ik bedoel maar: vanzelf gaat er bijna nooit een probleem over, zeker niet als het zo ernstig is als het toenemend moslimextremisme. Ik denk dat degenen die zich niet op verzoek willen uitspreken, op hun beurt niet anderen moeten voorschrijven hun mond te houden. Want dat gebeurt als iemand als Aboutaleb als een verrader wordt gezien. Laat iedereen toch zelf weten wat hij of zij zegt.

Maar er is ook een andere kant. Als er dan toch zoveel mensen zijn met vragen over ‘de islam’ kunnen ze zich er ook eens in verdiepen. Ik zeg niet dat ze allemaal naar Caïro moeten, of naar Marokko, of naar een moskee. In Nederland gebeurt op het gebied van de kunsten ontzettend veel. Zoveel mensen uit de islamitische cultuur vertellen de prachtigste verhalen over hun achtergrond, denk aan acteurs als Nazmiye Oral, Sabri Saad el Hamus, Nasrdin Dchar en Fahd Larhzaoui, schrijvers als Said El Haji, Murat Isik, Asis Aynan, Naema Tahir, Abdelkader Benali en Özcan Akyol, cabaretiers als Najib Amhali, Anuar en Soundos El Ahmadi, en documentairemaakster Fidan Ekiz. Ze hebben het over hun ouders, over de vrijheid die vrouwen bevechten, over het taboe op homoseksualiteit dat ze willen doorbreken, over het geloof dat ze hebben afgezworen of waaraan ze hun eigen invulling geven, en over Nederland.

Eind maart was ik bij een voorstelling in Carré waarin onder anderen Abdelkarim El-Fassi zijn film Mijn vader, de expat vertoonde. Carré was uitverkocht, ik schat dat het publiek voor driekwart bestond uit Marokkaanse Nederlanders, onder wie veel vrouwen met een hoofddoek. De sfeer was uitbundig en het dak ging eraf toen koningin Máxima binnenkwam. In de film rijdt El-Fassi met zijn vader in een oude Renault 4 door Marokko, het geboorteland van zijn vader. Onderweg stoppen ze en praten ze over vroeger. El-Fassi weet niet veel van de geschiedenis van zijn vader, die als gastarbeider in Zeeland terechtkwam, en je merkt dat hij liefst Nederlands praat. Zijn vader zegt tegen hem en zijn zus: ‘Als ik naar jullie kijk, zie ik Nederlanders. Jullie hebben totaal geen problemen met Nederlanders, jullie zijn precies zoals zij. Waarom? De plek waar een kind voor het eerst zijn ogen opent, dat is zijn thuis.’

Een uitzinnig applaus barstte los.

Na afloop van de voorstelling, toen ik buiten langs het publiek liep dat wachtte tot Máxima in haar Audi met kenteken AA stapte, dacht ik aan de lezing voor het Samenwerkingsverband Marokkanen in Nederland. Ik ging toch maar wat op papier zetten over vooroordelen.