De media hebben hun tsunamiberichtgeving sterk overdreven, vindt Harry Betist, directeur van het Thais Verkeersbureau. Daarom organiseerde hij een ‘fact finding’-reis naar het vakantie-eiland Phuket. ‘Door de tsunami zijn de stranden schoner dan ooit.’
Op donderdag 17 februari prik ik op zo’n vijfduizend meter boven Polen onwennig met mijn vork in een amuse van witvis en mierikswortelmosterd. Smakelijk. Om maar te zwijgen van de fazant in zwarte olijvensaus met spätzle, de chocolademoussetaart met frambozencoulis en de selectie Franse kaasjes. Het is goed toeven in de dynasty class van China Airlines, de luchtvaartmaatschappij die vliegt onder de slogan: For you… we blossom every day. Een paars gerokte stewardess met gitzwart opgestoken haar brengt me pantoffels en een etuitje met een tandenborstel, scheergerei en vocht inbrengende crème. Uit mijn armleuning klapt een touchscreen beeldschermpje waarmee ik de nieuwste Robert De Niro kan bekijken, een bloody mary kan bestellen of taxfree een flacon Davidoff kan kopen.
De collega’s van de andere media, die naast en achter me zitten, lijken vertrouwd met de luxe. De verslaggever van De Telegraaf vraagt om een warm doekje voor zijn gezicht. De redacteur van het reisblad Azië laat zich een nieuw glas chardonnay inschenken. De journalist van De Gelderlander zet al vroeg een slaapmaskertje op.
Na tien uur vliegen spuit een stewardess een zoete wolk parfum het gangpad in. Als niet veel later het landingsgestel van de Boeing 747 het asfalt van Bangkok International Airport raakt, schalt uit de luidsprekers de Negende Symfonie van Beethoven.
Eén overstap en negentig minuten verder komen we aan op het Thaise eiland Phuket, ook wel bekend als de Parel van de Andamaanse Zee. Bij een temperatuur van achtentwintig graden Celsius worden we verwelkomd door een medewerker van ons hotel en een petieterig meisje in een roze sarong. Ze drukken de handpalmen tegen elkaar en buigen licht het hoofd: ‘Sawasdee-ka!’ Het plateau met gin-tonics dat ons gepresenteerd wordt, laat ik passeren. Ik vind halfelf in de ochtend nog wat vroeg voor alcohol.
Thailand werd op tweede kerstdag 2004 letterlijk overspoeld door ellende. Ruim drieënvijftighonderd inwoners en toeristen, onder wie twintig Nederlanders, vonden door tsunami de dood. Meer dan drieduizend mensen zijn nog vermist.
Werk aan de winkel, moet directeur Harry Betist van het Thais Verkeersbureau hebben gedacht toen hij in de laatste week van december naar de televisie keek. Het toerisme naar het Land van de Glimlach zou als gevolg van de zeebeving drastisch gaan afnemen, realiseerde Betist zich. Dus liet hij al op 8 januari van dit jaar in Vrij Nederland weten alles in het werk te gaan stellen om het getroffen gebied weer positief onder de aandacht te brengen. ‘Zodra de puinhopen zijn opgeruimd, zullen we mediarelaties en medewerkers van reisbureaus uitnodigen om ter plaatse te komen kijken.’
Twee weken later ontving ik een e-mail van het Thais Verkeersbureau met de heuglijke mededeling dat op Phuket alles weer spic en span is. ‘Sommige bestemmingen en accommodaties aan de westkust zijn voor lange tijd beschadigd. De stranden van Phuket daarentegen liggen er weer prachtig bij.’ Opmerkelijk. In de krant had ik gelezen dat de tsunami er honderden slachtoffers had gemaakt, tientallen hotels en restaurants had weggevaagd en menig koraalrif had verwoest. Ik had zelfs vernomen dat het vakantieoord, volgens metingen van onderzoeker Itthi Trisirisattayawong van de Chulalongkorn Universiteit, tweeëndertig centimeter naar het zuidwesten is verplaatst. Maar als ik het verkeersbureau mocht geloven, was dat allemaal ver bezijden de waarheid. ‘De afgelopen tijd is ons gebleken dat de berichtgeving niet altijd even adequaat is en tekst/beeld niet altijd synchroon met gemelde lokaties en namen lopen.’ Ik werd daarom van harte uitgenodigd voor een volledig verzorgde, vijfdaagse fact finding-reis waarop ik met eigen ogen kon zien hoe de zaken er op Phuket voorstonden. Het tripje zou ruimschoots gelegenheid bieden tot ‘interviews’, ‘inspecties’ en ‘get togethers’. Mocht ik de invitatie aannemen, werd me aangeraden vooral voldoende fotorolletjes in te slaan. ‘Thailand is een waar paradijs om te filmen en te fotograferen.’
Nu lig ik hier, in kamer 106 van het luxueuze Burasari Resort, languit op een kingsize bed. Ik heb, volgens het fact finding-programma, precies twintig minuten om uit te rusten, mijn tas uit te pakken en me op te frissen. Buiten op mijn teakhouten privéterras schijnt fel de zon. Binnen blaast de airconditioning zo hard dat de vitrages ervan wapperen. Ik controleer welke kanalen ik kan ontvangen op mijn breedbeeldtelevisie. National Geographic, zo blijkt, heeft morgen een thema-avond over de tsunami.
‘De media hebben de zaken sterk overdreven,’ begint Harry Betist, die mee is als begeleider van de fact finding-reis, de eerste ‘get together’. We hebben ons verzameld in Chez Serge, het Franse fusion-restaurant van het Burasari Resort, recht tegenover het zwembad met waterval. Behalve het Nederlandse journaille, de haren nog nat, is ook Yvonne de Haay Stekelenburg aangeschoven, die al twaalf jaar op Phuket werkt als hostess. ‘Natuurlijk,’ vervolgt Betist (montuurloze bril, kuitbroek, buiktasje), ‘er zijn hier een paar honderd mensen omgekomen. Maar als je dat getal afzet tegen het totaal aantal tsunamidoden, valt dat reuze mee.’ De Haay Stekelenburg, een kleine, gezette vrouw met een kort donker kapsel, knikt driftig. ‘De kranten deden het voorkomen alsof hier de lijken door de straten dreven,’ foetert ze. ‘Nou, er was hier geen lijk te vinden.’ Betist: ‘Maar dat beeld zit nu wel in de hoofden van de mensen. Daarom willen ze niet meer naar Phuket op vakantie. Terwijl de omstandigheden nu juist perfect zijn. Door de tsunami zijn de stranden schoner dan ooit.’ De Haay Stekelenburg: ‘Dankzij de media verliezen de Thai een grote bron van inkomsten. Zo worden ze dus dubbel geslachtofferd.’ De redacteur van Azië neemt een slok van zijn bier. Hij slaat zijn opschrijfboekje open en noteert: ‘Media. Dubbel geslachtofferd.’
Na de ‘get together’ is het tijd voor inspectie. We worden in een busje gezet om een aantal hotels te gaan bekijken die, wordt ons gezegd, ernstig beschadigd zijn door de tsunami. Als we onderweg even willen stoppen om foto’s te maken van een geshoveld stuk strand en een gebouw dat volledig in puin ligt, trekt Harry Betist een zuur gezicht. ‘Daar is eigenlijk geen tijd voor,’ moppert hij. Nou vooruit dan, als we maar opschieten. Liever vestigt de baas van het Thais Verkeersbureau de aandacht op de vakantieonderkomens die hij speciaal voor de inspectietocht heeft geselecteerd. Het Kata Beach Resort bijvoorbeeld, een viersterrenhotel met een fontein in de lobby en een tropische tuin. ‘Goh, wat ligt het er hier allemaal weer mooi bij,’ zegt Betist hardop wanneer we een rondje over het complex maken. ‘Vinden jullie ook niet dat het er hier allemaal weer mooi bij ligt?’ De verslaggevers van De Telegraaf en Azië vinden het ook. Ze maken aantekeningen en schieten plaatjes van palmen en varens.
Ik knoop een praatje aan met een schoonmaker. Die vertelt me dat het niet zo verwonderlijk is dat het er hier allemaal weer mooi bij ligt. Kata Beach Resort blijkt, op een kromme parasol en een paar natte voeten na, nauwelijks hinder te hebben ondervonden van de zeebeving.
Vijf ernstig beschadigde hotels zonder ernstige beschadigingen later zijn we terug in Burasari. Komende anderhalf uur is voor onszelf.
Ik besluit tot een wandeling. Waar ons busje rechtsaf ging, ga ik linksaf. Zo kom ik uit op de weg langs Patong Beach. Dit stukje Phuket maakt geen deel uit van het fact finding-programma, maar de feiten die ik hier vind, liegen er niet om. Al na vijftig meter lopen zie ik verschillende resorts, restaurants en winkels aan brokstukken liggen. Links en rechts vinden herstelwerkzaamheden plaats, maar het is duidelijk dat het nog maanden zal duren voordat Patong weer helemaal vakantiefotogeniek is. Mevrouw Pakjan Kabsob, eigenaresse van het Baan Laimai Beach Resort, komt maar net boven het lawaai uit van de tien bouwvakkers die bij haar aan het werk zijn. ‘Bij ons zijn geen doden gevallen. Alleen een gewonde,’ vertelt ze. ‘Daar ben ik natuurlijk blij om.’ Minder blij is ze met wat de tsunami met haar keuken, restaurant en spa heeft gedaan. Die zijn ‘volledig vernield’. Haar hotelkamers, die ongedeerd bleven, staan sinds de zeebeving leeg. ‘Alles bij elkaar,’ zegt de Thaise, ‘heb ik voor veertig miljoen baht (zo’n achthonderdduizend euro – RvdG) schade opgelopen.’
Gelukkig staat ’s avonds weer iets vrolijks op het programma: een voortreffelijk vijfgangendiner in Chez Serge en een uitje naar een Las Vegas-achtige theatershow met clowns, goochelaars en dertig olifanten. Na afloop van de voorstelling krijgen we een cd-rom en een fotoboek cadeau.
De volgende dag ontvangt Phuket hoog bezoek: George Bush sr. en Bill Clinton. De voormalige presidenten van Amerika zijn op tournee langs de tsunamigebieden om zoveel mogelijk aandacht en geld voor de slachtoffers van de ramp te genereren. Vandaag bezichtigen ze, onder toeziend oog van de internationale pers, een aantal getroffen wijken op het eiland en leggen ze rouwkransen bij de Mai Khao-begraafplaats. Ook doen ze Ban Nam Khem aan, een vissersdorp ten noorden van Phuket, waar duizenden mensen door de zee werden verzwolgen. Als kinderen het Amerikaanse duo tekeningen overhandigen met daarop een enorme golf, een reddingshelikopter en verdrinkende dorpsgenoten, krijgen de oud-wereldleiders tranen in hun ogen. ‘It’s very moving,’ zegt Bush sr. met gebroken stem. ‘I’ll never forget this.’
Wij fact finders krijgen er niets van mee. Voor ons staat een dagje snorkelen gepland. Of beter, een ‘inspectie van de onderwaterwereld’. Yvonne de Haay Stekelenburg is ook van de partij. Ze wil, op weg naar het haventje van waaruit we vertrekken, nog even haar ongenoegen over de media kwijt. ‘Sommige zenders beweerden dat het merendeel van onze koraalriffen door de tsunami is aangetast,’ mokt ze. ‘Maar dat is echt onzin. Het gaat slechts om tien procent!’ In het haventje laat De Haay Stekelenburg ons op een zeekaart zien welke route we vandaag zullen varen. De journalist van De Gelderlander vraagt haar of we ook even een kijkje mogen nemen bij het strand Ton Sai, dat genadeloze klappen van de zeebeving kreeg te verwerken. ‘Daar komen we tenslotte toch langs.’ De hostess twijfelt net iets te lang, en dus grijpt Harry Betist in. ‘Dat lijkt me geen goed idee,’ zegt hij enigszins paniekerig. ‘Dan krijg je alleen maar rotzooi te zien. Daarover is al genoeg geschreven.’ We gaan aan boord van een twintig meter lange speedboot met twee motoren van 200 pk. Met tachtig kilometer per uur scheuren we langs baaien en bounty-stranden. De zon staat hoog aan de hemel en brandt op ons gezicht. De zeewind is verraderlijk verkoelend. Terwijl de golven tegen de boeg beuken, vertelt De Haay Stekelenburg hoe ze de eerste weken na de tsunami heeft beleefd. ‘Niet een van de toeristen die ik onder mijn hoede had, heb ik teruggevonden. Nee, ik heb ook niet echt gezocht. Dat leek me zinloos. Ik ben er maar van uitgegaan dat ze allemaal op eigen gelegenheid naar huis zijn teruggekeerd.’ De hostess zegt het zwaar te hebben sinds de zeebeving. ‘Voorheen zette ik een miljoen baht per maand om. Door de dalende toeristenaantallen nog maar tienduizend baht. Ik weet niet hoe lang ik dat volhoud.’ Ze maakt het zichzelf ook niet echt makkelijk. Met enige trots vertelt ze dat ze iedere dag honderdtwintig zwerfhonden te eten geeft op Patong Beach. ‘Voorheen voerde ik ze met de restjes uit de hotelkeukens, maar nu de resorts een bezettingsgraad van nog geen vijftien procent hebben, gaat dat niet meer. Tegenwoordig betaal ik het voer dus maar uit eigen zak.’ Dan, terwijl we op volle zee zitten, krijgt de gastvrouw opeens een sms’je. ‘Aardbeving in Indonesië, 6.9 op de schaal van Richter.’ Lichte paniek op de boot. Zelfs de redacteur van Azië, die de gehele reis met anekdoten strooit als ‘ik zal nooit vergeten hoe ik in de jungle van Cambodja de dood in de ogen keek’ en ‘dat herinnert me aan die keer dat ik met een oude eend door de Sahara trok’, wordt wat bleekjes om de neus. Gelukkig is daar Harry Betist om de gemoederen tot bedaren te brengen. ‘Het is vast maar een onschuldig bevinkje,’ sust hij. ‘Je moet de dingen niet groter maken dan ze zijn.’
We varen door en gaan niet veel later voor anker in de wonderschone Maya Bay. Hier ligt het hagelwitte palmenstrand waar de film The Beach met Leonardo DiCaprio werd opgenomen. ‘Zo jongens, wie wil er snorkelen?’ vraagt De Haay Stekelenburg opgewekt. ‘Dan kunnen jullie zelf zien hoe prachtig het rif hier is.’ En inderdaad, als we in onze zwembroek het helblauwe water in plonzen, aanschouwen we niet anders dan puntgaaf koraal en bonte scholen tropische vissen. ‘Zie je wel?’ zegt De Haay Stekelenburg triomfantelijk nadat we drie kwartier later weer aan boord zijn geklommen. ‘Ik had het toch gezegd?’ We varen terug naar het haventje. Terwijl we ons te goed doen aan verse ananas, deelt Harry Betist, inmiddels rood verbrand, ons mee dat hij voor vanavond een verrassing in petto heeft.
De verrassing is niet dat we aan het begin van de avond met een Jaguar bij ons hotel worden opgehaald voor een ‘get together’ met een stel lokale agenten van Nederlandse reisorganisaties op een gigantisch motorjacht genaamd The Voyager. De verrassing blijkt te zijn dat we daarna door Betist worden meegenomen naar Bangla Road, een plek die bijzonder in trek is bij vrijgezelle Europeanen van middelbare leeftijd met een zwak voor fragiel vrouwelijk schoon. We gaan girliebar in, gogobar uit. Mijn collega’s en de jongens uit de reisbranche laten zich de Thaise gastvrijheid uitstekend welgevallen. De baht staat gunstig, dus geld speelt geen rol. ‘Ga maar bij hém op schoot zitten,’ zegt een van de reisagenten tegen een meisje in uitnodigende dracht en wijst naar de journalist van De Gel-derlander. ‘Volgens mij is ze een jaar of zestien,’ mompelt de verslaggever en slaat het aanbod af. ‘Maak je geen zorgen,’ stelt de reisagent hem gerust. ‘Die grietjes zijn allemaal veel ouder dan ze eruitzien. Heus!’
Op zondag 20 februari bericht de Thaise krant The Sunday Nation dat tenminste zeshonderd inwoners van de zwaar getroffen provincie Krabi sinds de zeebeving last hebben van stress, slapeloosheid of zelfmoordneigingen. Wij brengen ’s middags een bezoek aan Krabi, voor een ontspannen boottochtje door de mangrovebossen. Als we klaar zijn met varen, rijden we naar een nabijgelegen vliegveld en stappen we op een binnenlandse vlucht naar Ko Samui. Dit eiland aan de oostkust van Thailand ligt ver verwijderd van de gebieden waar de tsunami heeft huisgehouden. Toch, legt Harry Betist ons uit, is het niet gek dat we uitgerekend hier onze fact finding-reis afsluiten. ‘Zo kunnen jullie ook eens zien hoe het er op een andere Thaise vakantiebestemming aan toe gaat.’
Het gaat er prima aan toe. Op heel Ko Samui hangt een gemoedelijke, bij tijden zelfs warme sfeer. Begrijpelijk dat minister van Binnenlandse Zaken Johan Remkes hier met vrienden een vakantiehuis heeft. Ons hotel is zo mogelijk nog luxer dan het vorige. Mijn kamer heeft telefoon op het toilet en in de secretaire ligt een setje golfballen gereed. Wel jammer dat op het eiland wat weinig te interviewen, te inspecteren of te gettogetheren valt. Maar daar heeft de directeur van het Thais Verkeersbureau iets op bedacht: een uitgebreid excursieprogramma. En zo bezichtigen we in het laatste gedeelte van onze fact finding-reis achtereenvolgens een waterval, een winkelstraat, een tempel en een rotspartij in de vorm van een fallus en een schaamspleet. Hoogtepunt van de dag is een Thaise kookcursus waar we leren hoe we larb ghai, pha naeng nuae en niet te vergeten tom khai gai sai ka min moeten bereiden. Als we onze zelfgemaakte gerechten naar binnen hebben gewerkt, krijgen we van de chefkok een oorkonde uitgereikt waarop in krulletters vermeld staat dat we de Thai Culinary Cuisine Cooking Class succesvol hebben afgerond. Het schort dat we tijdens het koken om hadden, mogen we mee naar huis nemen.
Het is maandagavond kwart voor twaalf. Mijn collega-journalisten en ik staan met onze tassen en koffers in de vertrekhal van Bangkok International Airport. Hier nemen we afscheid van Harry Betist. Voor ons liggen tien gerieflijke uren dynasty class in het verschiet, maar Betist blijft nog even in Thailand. De komende vijf dagen begeleidt hij een fact finding-reis van een delegatie Nederlandse reisagenten. Déze zit er bijna op. Betist schudt ons stevig de hand, kijkt ons recht in de ogen en zegt: ‘Maak er een mooi verhaal van.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.