Ondernemer in Azië
Ik krijg nog regelmatig mensen op bezoek die omvallen van verbazing als ze op de Bund in Shanghai staan. Al die wolkenkrabbers met megatelevisieschermen. En niet alleen Shanghai is zo ontwikkeld. Overal in China vind je steden met dezelfde torenflats, dezelfde KFC’s en McDonald’s. En dezelfde enorme winkelcentra vol luxe winkels.
Ik denk dat de Olympische Spelen meer invloed zullen hebben op de buitenwereld dan op China zelf. Voor het eerst ontdekken Europeanen en Amerikanen massaal wat hier de afgelopen tien, twintig jaar is gebeurd. Je kunt het lezen in de krant, maar het wordt pas werkelijkheid als je het ziet. De Chinezen zullen pronken met hun successen op allerlei terreinen, van wetenschap tot industrie en van kunst tot architectuur. Het is behoorlijk indrukwekkend als je dat allemaal op een rijtje zet.
In Europa wordt angstig gereageerd op de opkomst van China. Een paar jaar geleden kwam een delegatie van Economische Zaken naar Shanghai om te spreken met Nederlandse ondernemers. ‘Hoe kunnen we als Nederland voorkomen dat al het werk naar China verdwijnt?’ vroegen ze. Die houding is treurig, een zwaktebod. Nederland moet kijken waar het zelf goed in is.
Ik vind het onverklaarbaar dat Nederland bezuinigt op hoger onderwijs. De Chinezen pompen er juist meer en meer geld in. De Tsinghua Universiteit in Beijing behoort op sommige terreinen al tot de beste universiteiten ter wereld. Westerse landen hebben een voordeel: het Chinese onderwijssysteem is met name gericht op uit het hoofd leren, niet op creativiteit en zelfstandig combineren. Daar liggen kansen voor Europa.
In de negentien jaar dat ik in dit land kom, is het onherkenbaar veranderd. Mijn eerste reis maakte ik op mijn vijfentwintigste als inkoopster voor C&A. In die tijd deden de meeste multinationals zaken vanuit Hong Kong. Geen mens wilde naar China. De algemene opvatting luidde: het is een smerig land met mensen die rochelen, boeren en spugen. En het eten is vies. Directe vluchten bestonden niet. Zelfs toen ik elf jaar geleden in Shanghai ging wonen, kon ik hier nog niet rechtstreeks uit Amsterdam naartoe vliegen. Op mijn eerste reis bezocht ik textielfabrieken in de buurt van Beijing. Voor veel Chinezen waren wij de eerste buitenlanders met wie ze in contact kwamen. Ze hadden letterlijk de rode loper uitgerold en een banier opgehangen om ons welkom te heten in Engels vol taalfouten. En natuurlijk moesten ze allemaal op de foto met die rare buitenlanders.
Wat me destijds opviel, is hoe graag de Chinezen wílden, hoe eager ze waren. Jarenlang had de overheid ondernemerschap verboden en toen het eindelijk mocht, gingen alle remmen los. In de eerste jaren maakte ik de eerste stapjes op weg naar semi-privatisering mee. Dat verliep moeizaam. We hadden dagenlange vergaderingen met Chinese bedrijven waarbij zowel de fabrieksdirecteur als de plaatselijke partijvoorzitter aan tafel zat. Ook hadden ze altijd iemand meegebracht van wie je vermoedde dat hij Nederlands sprak, maar dat niet vertelde. Dan gingen wij onderling Frans spreken en zagen we zo iemand ineens zenuwachtig heen en weer wiebelen op zijn stoel. Dan wist je het wel. Onder tafel stond steevast een spuugbak. Ik trok oude schoenen aan, want na een dag vergaderen zaten ze onder het spuug. Natuurlijk ging er veel mis en ik ben ook wel eens opgelicht. Iedereen kent die verhalen. Maar je moet weten dat ook de Chinezen werden belazerd als ze te goedgelovig waren. Dan hadden ze spullen geleverd aan een buitenlander die vervolgens niet betaalde.
Toen ik het plan had een eigen bedrijf te beginnen in hoogwaardig textiel uit China, verklaarde iedereen me voor gek. De meeste textielondernemers concurreerden puur op de prijs. Hoogwaardig textiel kunnen die Chinezen nooit maken, dachten ze. Dit land heeft zich razendsnel ontwikkeld. Dat komt ook door een centrale regering die planmatig te werk gaat en geen tegenspraak duldt. Ik heb meegemaakt dat medewerkers naar me toekwamen om te zeggen dat ze er de volgende dag niet zouden zijn. Hun woningen werden gesloopt en ze moesten naar de andere kant van de stad verhuizen. Zoiets gaat heel resoluut.
Als je hier de deur uitloopt en op straat gaat staan roepen dat je tegen president Hu Jintao bent, kom je gegarandeerd in de problemen. Niet lang geleden zijn twee jongens nog tot veertien jaar gevangenisstraf veroordeeld, alleen omdat ze onderling hadden gesproken over de mogelijkheid tot het oprichten van een partij. Aan de andere kant: in andere ontwikkelingslanden staat het met de mensenrechten ook niet best. Het is geen eenzijdig verhaal. De Chinese overheid heeft ook veel bereikt. Ze heeft de huisvesting verbeterd en er is een begin gemaakt van een sociaal stelsel. Het welzijn van de meeste mensen is enorm verbeterd. Je ziet ook een verbetering in de arbeidsomstandigheden. Vroeger kwam ik regelmatig fabrieken tegen waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden werkten en lange uren draaiden tegen lage lonen. Hoe durf je te vragen of ik hier een order wil plaatsen, zei ik dan. Tegenwoordig zie ik het minder. Ik vind het ook een taak van de consument. Sommige kledingstukken zijn zo goedkoop dat je wel zeker weet dat die niet op een normale manier gemaakt kunnen zijn.
Ik vraag me wel af hoe dit land zich verder zal ontwikkelen. De jonge generatie Chinezen lijkt erg zelfingenomen. Hun ouders hebben het vroeger nooit breed gehad en waren altijd aan het werk. Ze zijn vaak opgevoed door hun opa’s en oma’s, mensen die de Culturele Revolutie full blast hebben meegemaakt. Vanwege de één-kind-politiek hebben ze maar één kleinkind waar ze al hun hoop en geld in steken. Zo’n jongen of meisje wordt daardoor totaal verpest. Je schrikt soms van de onwetendheid over de rest van de wereld. En dat terwijl ze via internet toch aan de meeste informatie kunnen komen. Ze lijken niet echt geïnteresseerd. Dag in, dag uit horen ze via de gecensureerde kranten en de televisie dat China het meest fantastische land ter wereld is en dat de economie alweer met veertien procent is gegroeid.
Ik ga uitbreiden naar India. Als je dat land met China vergelijkt, heeft het op het eerste gezicht een bedrijfseconomisch nadeel. Democratie betekent ook inspraakprocedures waardoor de overheid niet rücksichtslos de infrastructuur kan verbeteren. Ook liggen de lonen in India hoger omdat de vakbonden zich sterk maken voor hun leden. Maar aan de andere kant wordt China steeds duurder. Bovendien kunnen Indiërs gemakkelijker naar het buitenland reizen en zijn daardoor veel beter op de hoogte van de rest van de wereld. Ze zijn creatiever en het academisch niveau ligt hoger. Bovendien is het verstandig het bedrijfsrisico over twee landen te spreiden. Ik hoop op the best of both worlds.
Ik denk dat India zich enorm gaat ontwikkelen. Niet zo snel als China wellicht, maar op een duurzamere manier. Als ik in India ben, voel ik dezelfde energie en de wil tot vooruitgang als vijftien jaar geleden in China. Daar wil ik bij zijn. Wellicht dat ik er op termijn zelfs samen met Thijs en Fie, mijn kinderen, naartoe wil verhuizen. Zodat ik opnieuw in een land kan wonen dat zo’n bijzondere periode doormaakt.
Monique Maissan
1964Geboren te Rotterdam
1983 -1987 HTS Amsterdam, opleiding Confectie
1987 -1996 Inkoopster van dameskleding bij C&A, onder meer in China
1997Verhuizing naar Shanghai. Managing Director van het Aziatische kantoor van het Duitse textielbedrijf Ospinter
1998Oprichter Vision Textiles, een bedrijf dat hoogwaardige kleding produceert voor merken als Oilily en Claudia Sträter.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.