Leidt de komst van vluchtelingen tot verdringing op de arbeidsmarkt? Of kunnen we misschien ook profiteren van al die extra krachten? ‘Ze hebben het lef gehad om te vluchten en alles achter zich te laten, dat zegt veel over hun karakter.’

‘Wij Syriërs kunnen er niet tegen om de hele dag thuis te zitten. De meesten van ons willen dolgraag werken en zelf geld verdienen in plaats van te leven van wat jullie een uitkering noemen. Maar er zijn hier zoveel regels, het is bijna onmogelijk om een baan te vinden.’ Mohamad Manna (35) heeft een open en vriendelijke uitstraling. Maar zodra hij begint te praten over zijn zoektocht naar werk, verhardt zijn blik. Precies een jaar geleden vluchtte hij uit Damascus, nadat hij bij een raketinslag in zijn straat gewond raakte. Zijn bedrijf in innovatie van marketing en sales was hij toen al kwijtgeraakt. Al zijn klanten hadden vanwege de oorlog hun werkzaamheden gestaakt of elders voortgezet. Ook zijn vrouw had haar baan als secretaresse bij een bank verloren. Manna zag niet langer een toekomst in zijn geboorteland. En belangrijker: hij wilde zijn zoontje van zeven en dochtertje van drie in een veilige omgeving laten opgroeien. Na een barre tocht van een maand streek hij precies een jaar geleden neer in Nederland. Drie keer heeft hij sindsdien moeten verkassen: van Ter Apel naar Oranje, van Oranje naar Gilze en van Gilze naar Velp. Daar wacht hij vanuit het asielzoekerscentrum nu al zeven maanden op een woning in Maasdriel, de gemeente waaraan hij is toegewezen. Zodra hij die heeft, kan hij eindelijk aan zijn inburgering beginnen. En pas daarna is hij verplicht te zoeken naar een baan.

Maar dat duurt Manna allemaal veel te lang. De Syriër staat te popelen om aan de slag te gaan. Met zijn bachelor Arabisch kan hij zo als tolk worden ingehuurd. Ook weet hij dus alles van marketing en sales. Eigenlijk is hij bereid alles aan te grijpen, zegt hij met ogen vol vuur. De afgelopen maanden heeft hij overal in Arnhem, waaraan Velp grenst, contacten gelegd. Hij leerde mensen kennen in het park, liep winkels en restaurants binnen en legde relaties als vrijwilliger bij VluchtelingenWerk. Want, zo is zijn overtuiging, als je maar genoeg probeert en alles op alles zet, krijg je uiteindelijk wel een kans. En die kreeg hij. Bij een Syrisch restaurant, voor ongeveer vijfentwintig uur in de week. Hij kan zo beginnen. Er is alleen één probleem: Manna is door het COA uitgewezen naar het dorp Maasdriel, ongeveer vijfenzeventig kilometer verderop. Met de trein en de bus zou dat zo’n vier uur reistijd op een dag betekenen, en dat is – zeker vanwege de avonddiensten – niet te doen. Hij heeft het COA nog gevraagd om zijn woonplaats naar Arnhem te wijzigen. Maar dat verzoek is afgewezen, vanwege de regels. En dus ziet Manna zijn zelf bevochten plekje op de arbeidsmarkt aan zijn neus voorbijgaan.

Voordat je écht de mogelijkheid hebt om te werken, ben je zo een paar jaar verder. En voor velen is het dan te laat. Het is slechts één van de obstakels waar je als ambitieuze vluchteling tegenaan loopt. Wie na aankomst in Nederland denkt snel aan het werk te kunnen, komt vaak bedrogen uit. Niet alleen moet je eerst wachten op een verblijfsvergunning, maar daarna begint het hele circus van wachten op een woning in een vaak ver van het asielzoekerscentrum gelegen gemeente. Ook moet je verplicht een inburgeringstraject doorlopen dat veel tijd in beslag neemt. Voordat je écht de mogelijkheid hebt om te werken, ben je zo een paar jaar verder. En voor velen is het dan te laat. Met de enorme toestroom van vluchtelingen de afgelopen periode wordt dit een steeds nijpender probleem. Op dit moment zitten alleen al in de opvangcentra zo’n veertigduizend vluchtelingen te wachten op een vergunning of woning in de gemeente waaraan ze zijn toegewezen. Iedere week komen er tussen de duizend en tweeduizend bij. Niemand heeft goed zicht op hun achtergrond of capaciteiten, laat staan dat iemand verantwoordelijk is voor hun begeleiding naar een baan.

Laaghangend fruit

Het traject naar werk moet bij vluchtelingen veel korter, vindt ook minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Afgelopen maand kondigde hij een Taskforce aan, waarbij hij samen met partijen als VNO-NCW, FNV, het COA en VluchtelingenWerk op zoek gaat naar maatregelen om het proces te versnellen. De bespreekpunten: hoe kan de screening van vluchtelingen sneller plaatsvinden, hoe moeten diploma’s worden gewaardeerd, hoe kunnen vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten en hoe kunnen andere belemmeringen bij tewerkstelling worden weggenomen? En dat alles het liefst binnen de wet en de privacyregels.

Intussen lopen de emoties in de samenleving steeds verder op. ‘Ze pikken onze banen in’ en ‘ze profiteren van onze sociale voorzieningen’ zijn veelgehoorde kreten. Veel Nederlanders zijn bang dat de komst van vluchtelingen leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt. Ook vrezen ze dat vluchtelingen bevoordeeld worden boven de toch al zeshonderdduizend werklozen die ons land telt. Zijn deze angsten reëel? Hoe staat het eigenlijk met de arbeidsparticipatie van eerdere groepen vluchtelingen die naar Nederland kwamen? En wat gebeurt er nu wél in de praktijk in de begeleiding naar werk? Is er ook een mogelijkheid dat we van al die extra werkkracht juist zouden kunnen profiteren?

Een eerste blik op de cijfers van eerdere vluchtelingengroepen stemt weinig vrolijk. Minder dan de helft van de vluchtelingen in Nederland had in 2013 een betaalde baan, blijkt uit de laatste Integratiebarometer van VluchtelingenWerk. Op zich was dat een flinke stijging ten opzichte van twee jaar eerder, toen nog maar zevendertig procent betaald werk verrichtte. Maar die toename zit vooral in kleine baantjes. Bijna tweederde van de werkende vluchtelingen doet dat minder dan twaalf uur per week. Ook is het gros in dienst van een uitzendbureau of afhankelijk van een ander tijdelijk contract.
‘Het schiet niet op met de arbeidsparticipatie van vluchtelingen,’ zegt Henk Nijhuis van VluchtelingenWerk onomwonden. Dat is onder meer een gevolg van de crisis, verklaart de stafmedewerker arbeidsparticipatie. Hierdoor zijn niet alleen veel autochtonen maar zeker ook veel vluchtelingen hun banen kwijtgeraakt. Maar de belangrijkste oorzaak volgens Nijhuis: gemeenten bekommeren zich minder om de integratie van vluchtelingen, ook als het gaat om hun begeleiding naar werk. In de jaren tachtig en negentig kregen ze vanuit het Rijk nog forse budgetten voor lokale opvang en integratie van vluchtelingen. Maar sinds eind jaren negentig is die speciale aandacht verdwenen. Vanaf 2013 zijn vluchtelingen helemaal op zichzelf aangewezen als het gaat om hun inburgering, terwijl de eisen ook nog eens flink zijn opgeschroefd. Na een succesvolle afronding belanden veel vluchtelingen bij hun gemeente in de kaartenbak, samen met alle reguliere bijstandsgerechtigden. En daarbij dreigen ze steeds meer een ondergeschoven kindje te worden, zegt Nijhuis. ‘Het aantal werkzoekenden is de laatste jaren toegenomen, terwijl op de reïntegratiebudgetten volop is gekort. Het zal natuurlijk niet met opzet gebeuren, maar ik denk dat casemanagers in hun afwegingen sluipenderwijs meer en meer kiezen voor bemiddeling van zoals ze dat noemen laaghangend fruit: werkzoekenden die je relatief gemakkelijk aan een baan kunt helpen. En dat zijn nou eenmaal geen vluchtelingen.’

Reem Alahdab uit Aleppo, Syrië. Leeftijd: 47 jaar. Spreekt: Arabisch, Engels en een beetje Nederlands. Opleiding: bachelor werktuigbouwkunde aan de Universiteit van Aleppo. Werkervaring: werktuigbouwkundige bij twee elektriciteitsmaatschappijen in Aleppo en universitair docente. Foto: Henk Wildschut
Struikelblokken

Terwijl het voor hen toch al zo lastig is een plaatsje op de arbeidsmarkt te bemachtigen, zegt ook Jaco Dagevos, bijzonder hoogleraar integratie en migratie aan de Erasmus Universiteit en verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau. De taalbarrière, het afwaarderen van diploma’s, een slechte mentale en fysieke gezondheid, het zijn slechts enkele struikelblokken waar ze tegenaan lopen. Dagevos: ‘Veel vluchtelingen komen hier als jongvolwassenen zo rond hun dertigste. Dan is het leren van een nieuwe taal moeilijk. Door hun vluchtgeschiedenis en langdurige verblijf ontwikkelen ze vaak depressieve klachten.’ De migratieprofessor onderzocht een paar jaar geleden de arbeidsparticipatie van vier groepen vluchtelingen: Somaliërs, Irakezen, Afghanen en Iraniërs. Van de eerste groep was in 2013 slechts een kwart aan het werk. Van de Afghanen en Irakezen had minder dan de helft een baan. De Iraniërs stonden er nog het gunstigst voor, met zestig procent arbeidsparticipatie. Onder die groep zitten dan ook relatief veel hoogopgeleiden. Over de achtergrond van de huidige vluchtelingenstroom Syriërs en Eritreeërs is weinig bekend, maar onlangs schatte de voorzitter van het COA Gerard Bakker in dat eenderde van de Syriërs hoog is opgeleid. Hun integratie zou daarom volgens Dagevos het best te vergelijken zijn met die van de Iraniërs. Maar dan moeten ze wel veel meer geholpen worden dan nu het geval is, vindt hij net als Nijhuis. ‘Het is doodzonde dat de inburgeringstaak bij de gemeente is weggevallen. Vluchtelingen moeten van alles, maar het risico is groot dat ze zelf nauwelijks de weg vinden door het beleidsmoeras. En met de enorme instroom nu zie je de wachttijden bij de asielzoekerscentra steeds verder oplopen. Hoe langer alles duurt, hoe kleiner de kans op een baan.’

Vluchtelingen moeten van alles, maar het risico is groot dat ze zelf nauwelijks de weg vinden door het beleidsmoeras.

Met handen en voeten gebonden

Bij zijn zoektocht naar werk staat Mohamad Manna er niet helemáál alleen voor. In het asielzoekerscentrum in Velp leerde hij Monique Journée kennen, die als programmabegeleidster bij het COA intakegesprekken met vluchtelingen voerde en ze trainingen gaf over de Nederlandse samenleving. Zij heeft zich over het lot van de energieke Syriër ontfermd. En over dat van veel andere vluchtelingen. In de voormalige zustersflat zag ze om zich heen talloze mensen langdurig wachten, eerst op een verblijfsvergunning en vervolgens op een woning. Die onzekerheid maakt veel van hen passief, zegt Journée. ‘Manna trekt er weliswaar veel op uit en ontmoet daardoor ook veel Nederlanders, maar hij is een uitzondering. De meesten blijven hangen in hun eigen Arabische omgeving en maken nauwelijks contact met de Nederlandse maatschappij.’

Journée was met handen en voeten gebonden aan de regelgeving en kon weinig voor hen betekenen. Totdat ze het bureaucratische COA verliet en afgelopen maand samen met een paar anderen het initiatief Werken zonder grenzen lanceerde. Met deze matchingwebsite willen de oprichters de talenten van vluchtelingen in beeld brengen en ze koppelen aan werkgevers met interessante vacatures. De initiatiefnemers zetten hoog in: eind volgend jaar willen ze duizend vluchtelingen hebben geholpen aan een stage, vrijwilligerswerk of zelfs een betaalde baan. Vanuit de doelgroep zelf is er genoeg animo, zegt Journée. Afgelopen week plaatste ze een advertentieberichtje op een Facebooksite van Syriërs in Nederland. In een mum van tijd stroomde haar mailbox vol met inschrijfformulieren. ’s Avonds stond de teller al op honderdveertig aanmeldingen. Journée was stomverbaasd. ‘Ik wist niet wat me overkwam. Er zat van alles tussen: apothekers, advocaten, kunstschilders, jongeren die nog bezig waren aan hun middelbare school, laagopgeleiden. Ik kreeg zelfs reacties van een acteur en een dj!’
Ze zullen allemaal nog even geduld moeten hebben. De oprichters zijn druk bezig contacten te leggen met gemeenten en ondernemers. Binnenkort willen ze op allerlei plekken in het land lokale meet & greets organiseren. Als vluchtelingen een gezicht krijgen, zijn werkgevers sneller enthousiast om ze aan te nemen, zo is het idee. Een aantal gemeenten heeft al toegezegd.

Ontmoet een vluchteling

Werken zonder grenzen is niet de enige beweging die de afgelopen periode is ontstaan om meer vluchtelingen aan een baan te helpen. Terwijl de ambtenaren en beleidsmedewerkers van de Taskforce zich achter de vergadertafel beraden op maatregelen binnen de wettelijke kaders, ontspruiten overal in het land initiatieven van particulieren die hun steentje willen bijdragen. Zo ook Nimet Akdemir, eigenaresse van het Veronicaschip in Amsterdam. Als kind van gastarbeiders uit Turkije heeft ze zelf van dichtbij meegemaakt hoe moeilijk het is om als vreemdeling hier te aarden. En dat was dan nog in de jaren zestig en zeventig, toen de gemeenten allerlei middelen tot hun beschikking hadden. Niets was te gek, zegt Akdemir lachend. Haar ouders kregen zelfs fietslessen. Werk vonden ze uiteindelijk ook, ze gingen beiden bij de Van Nelle fabriek aan de slag. Haar vader bij de afdeling zware shag, haar moeder bij de toetjes. En toch, zegt de onderneemster, zijn ze nooit écht goed geïntegreerd. Al hun activiteiten bleven binnen de bandbreedte van de Turkse gemeenschap. ‘Ze spreken gebrekkig Nederlands en hebben weinig sociale contacten in de maatschappij.’

Deze keer moet die integratie echt beter worden geregeld, dacht ze bij het lezen van alle berichten over de vluchtelingenstroom naar Nederland. Velen van hen komen uit een oorlogssituatie en zullen nooit meer teruggaan. Hoe mooi zou het zijn, mijmerde ze verder, als we ze helpen met het opbouwen van een netwerk, met het leggen van contacten. Zo is haar platform geboren: Ontmoet een vluchteling. Op haar schip aan de Amsterdamse NDSM-werf organiseert Akdemir sociale evenementen, koffiedates en taallessen. Ook heeft er onlangs een heuse netwerkbijeenkomst tussen werkgevers en vluchtelingen plaatsgevonden. Want, zegt Akdemir stellig, integratie begint op de werkvloer. Net als Journée gelooft ze heilig in de werking van face-to-face contacten.
Maar liefst vijfhonderd vluchtelingen kwamen opdagen die zonnige zaterdag in oktober. Er was alleen één kleine tegenvaller: er waren slechts tien werkgevers. ‘We hadden het in ons enthousiasme allemaal iets te snel gepland,’ legt Akdemir uit. De achtergrond van alle aangemelde vluchtelingen moest eerst in kaart worden gebracht: wie waren ze, wat hadden ze gedaan en wat konden ze. Die klus nam veel tijd in beslag, waardoor ze nog maar een paar dagen over hadden om passende ondernemers te benaderen. Veel van hen reageerden positief, maar vonden het te kort dag. Toch zijn er wel een paar matches uitgekomen, glundert ze. Een kok, een IT’er en iemand in de zorg. Andere gesprekken tussen werkgevers en potentiële kandidaten zijn nog gaande.
In januari wil Akdemir, samen met de gemeente Amsterdam, een nieuwe bijeenkomst organiseren. Dan zal ze alle partijen tijdig inseinen.

Mohamad Denno uit Aleppo, Syrië. Leeftijd: 45 jaar. Spreekt: Arabisch. Engels, Turks en Nederlands. Opleiding: bachelor computer engineering aan de Universiteit van Aleppo, marketing- en salescursussen bij Syrian European Business Centre. Werkervaring: marketingmanager bij hardware-importeurs Denno Co. en PC Hall, productiemanager bij Modern Electronic Systems. Foto: Henk Wildschut
Als een boemerang

Een van de ondernemers die het evenement op het Veronicaschip bezochten, was Remco Boas. ‘Ik liep al een tijdje rond met het gevoel dat ik iets wilde doen voor vluchtelingen,’ zegt de joviale Amsterdamse uitbater van twee restaurants en eigenaar van twee internetbedrijven. ‘Die mensen hebben huis en haard moeten achterlaten en zouden hier met open armen ontvangen moeten worden!’ Bovendien kan hij zelf altijd wel goede nieuwe krachten gebruiken. Denk aan een kok, bedienden, webdesigners of programmeurs. Helaas heeft hij op de boot geen geschikte kandidaten eruit weten te pikken. De bijeenkomst verliep een beetje rommelig, vond hij. ‘De vluchtelingen droegen armbandjes met verschillende kleurtjes die hun werkachtergrond moesten aangeven. Maar door hun dikke winterkleren zag je die bandjes helemaal niet. Ik had vooral het gevoel dat ik spoorzoeker aan het spelen was.’
Toch is Boas blij dat hij geweest is. ‘Ik heb een aantal goede gesprekken gevoerd met mensen die ik met andere bedrijven uit mijn netwerk in contact wil brengen. Een interieurarchitect, een ICT’er en een systeemoperator.’
Niet iedereen in zijn omgeving reageert positief op zijn inspanningen voor vluchtelingen. ‘Waarom help je niet eerst de werklozen in Nederland aan een baan?’, bijten sommigen hem toe. Boas vindt die uitspraak kortzichtig. ‘Ik ben ervan overtuigd dat het helpen van deze mensen terugkomt als een boemerang in de economie. Velen van hen zijn ondernemende types en goed opgeleid. Ze hebben het lef gehad om te vluchten en alles achter zich te laten, dat zegt veel over hun karakter. Deze mensen willen graag aan het werk!’

Natuurlijk wel binnen de regels

Boas is niet de enige werkgever die kansen ruikt. Bij VluchtelingenWerk staat de telefoon roodgloeiend. ‘De afgelopen maanden zijn we door enorm veel werkgevers benaderd,’ zegt stafmedewerker Henk Nijhuis. ‘Veel bedrijven uit de ICT-sector en de bouwwereld staan te springen om mensen. En dat blijft maar doorgaan.’
Een deel van de verzoeken geleiden ze door naar hun eigen project Startbaan, waarmee sinds april 2013 zo’n zeshonderd vluchtelingen aan een baan, stage of vrijwilligerswerk zijn geholpen.

Ongeveer honderddertigduizend vacatures in Nederland zijn moeilijk te vervullen. Vooral in de bouw, de ICT-sector, de technische branche en deels in de zorg is een fors gebrek aan geschikte krachten. Hans de Boer, voorzitter van VNO-NCW, zei vorige maand in actualiteitenprogramma WNL op Zondag te verwachten dat een deel van de vluchtelingen in dit gat zou kunnen springen. ‘Laten we de mensen bij binnenkomst screenen om te zien wat ze kunnen betekenen,’ opperde de werkgeversbaas. Het is een van de onderwerpen uit de Taskforce. Ze zijn het nog aan het bespreken, zegt een woordvoerster van VNO-NCW over de huidige stand van zaken. ‘Er spelen nog wat privacykwesties, en we willen natuurlijk wel binnen de regels werken.’ Intussen stromen ook bij de grote lobbyclub de verzoeken van geïnteresseerde bedrijven binnen. Voorlopig staan ze nog in de wacht.

‘Waanzinnig’ gemotiveerd

Terwijl de Haagse Taskforce volop beleidsnotities met onderlinge werkafspraken produceert, nemen sommige bedrijven alvast het heft in eigen handen. Zo richt adviesbureau Accenture zich al enige tijd met eigen wervingsactiviteiten op getalenteerde vluchtelingen. ‘Wij zijn altijd op zoek naar mensen met kennis en ervaring op het gebied van technologie,’ zegt Manon van Beek, Country Manager Director van Accenture Nederland. ‘Die zijn ongelooflijk schaars in Nederland, dus wij werven ook noodgedwongen in het buitenland. Als iemand niet perfect Nederlands spreekt, is dat in de technologiesector geen bezwaar. Met goed Engels kun je prima uit de voeten komen. De grote groep vluchtelingen in Nederland is voor ons echt een kans om meer talent aan ons te binden.’ De belangrijkste bron daarvoor is de Stichting voor Vluchtelingstudenten UAF, waarmee de consultant sinds een aantal jaren een samenwerkingsverband heeft. Tientallen medewerkers van Accenture zetten zich vrijwillig in als coach, verschillende studenten krijgen een stageplaats en een aantal is inmiddels in dienst genomen.

Eigenlijk snijdt het mes aan dríe kanten.Cherif Haidra is een van hen. Veel wil de 28-jarige Mauritaniër niet zeggen over zijn geschiedenis, behalve dat hij moest vluchten voor het oplopende rassenconflict in West-Afrika. In 2007 belandde hij in Nederland, via hulporganisatie Save the Children. Hij was alleen, zijn vader heeft hij nooit gekend en zijn moeder is jong overleden. Via UAF kon hij wiskunde studeren aan de Hogeschool Inholland. Hij kreeg een coach van Accenture en een stageplaats. Dat beviel goed. Sinds vorig jaar september is Haidra officieel in dienst, als software engineer. Hij is dolblij met zijn functie en vastberaden te laten zien wat hij waard is, benadrukt hij een paar keer tijdens het gesprek. ‘Van mijn team ben ik de eerste die ’s ochtend binnenkomt en de laatste die aan het eind van de dag vertrekt,’ zegt Haidra zonder zijn bescheiden toon te verliezen. ‘Ik ga nooit weg voordat ik alles af heb. Niets mag van mezelf blijven liggen tot de volgende dag.’

De nieuwkomers zijn ‘waanzinnig’ gemotiveerd, ziet ook Van Beek. ‘En ze hebben een groot doorzettingsvermogen. Ze laten zich niet door de eerste de beste tegenslag uit het veld slaan.’ Dat komt door hun flinke dosis levenservaring, denkt de algemeen directeur. ‘Ze hebben vaak vroeg leren overleven en jong veel verantwoordelijkheid moeten nemen. Eigenlijk is het jammer dat die ongelooflijk waardevolle ervaringen niet op hun cv’s staan.’

In plaats daarvan zitten die vaak vol met gaten, omdat ze vanwege het vluchten en later hun inburgering jaren niet hebben kunnen werken. Ook worden werkgevers afgeschrikt door typ- en spelfouten, zegt Van Beek. Daar zouden ze meer doorheen moeten kijken, vindt ze. Sommige klanten, waar vluchtelingen via projecten aan de slag gingen, waren zo enthousiast dat ze zelf een aantal van hen in dienst hebben genomen. Eigenlijk snijdt het mes aan dríe kanten, zegt ze lachend. ‘De vluchteling heeft een baan, wij hebben talent dat we goed kunnen inzetten, en onze klanten waarderen het ook. Uiteindelijk is het een win-win-winsituatie.’

Vanuit het asielzoekerscentrum in Velp houdt Mohamad Manna de moed erin. Op de website van Werken zonder grenzen is zijn profiel inmiddels prominent in beeld gebracht. De Syriër hoopt vooral snel duidelijkheid te krijgen over een woning. Inmiddels heeft hij te horen gekregen dat hij vanwege woninggebrek niet aan de gemeente Maasdriel maar aan Zaltbommel wordt toegewezen. Maar ook vanuit die plaats is Velp met het openbaar vervoer te slecht bereikbaar om de baan in het Syrische restaurant aan te kunnen nemen. Hoe dan ook, na zijn verhuizing zal hij opnieuw alles uit de kast trekken om aan werk te komen. Als hij maar blijft proberen, zal het hem wel lukken, zegt hij vastberaden. Op de vraag wat hij het liefst zou doen, valt hij even stil. Dan, met zachte stem: ‘Heel graag zou ik weer voor mezelf beginnen. Als het kan en mag, wil ik mijn bedrijf in innovatie van marketing en sales opnieuw opbouwen. Dat is mijn droom.’

Arbeidsmigratie

‘Deze vluchtelingenstromen verdwijnen niet meer, dus we moeten echt over arbeidsmigratie gaan nadenken,’ zegt ontwikkelingseconoom Remco Oostendorp van de Vrije Universiteit. ‘De wereld is enorm geglobaliseerd. Kapitaal flitst rond en goederen en ideeën gaan de hele wereld over. Maar de arbeidsmarkt is nog steeds zwaar gereguleerd. Als je die opengooit, krijg je meer dan een verdubbeling van de wereldproductie. Dat is natuurlijk een papieren exercitie, maar iets minder regulering zou al veel opleveren.’

Angst voor verdringing op de arbeidsmarkt is volgens Oostendorp grotendeels onterecht. ‘Met de komst van meer mensen neemt ook de economische activiteit toe. Er komen meer eetstalletjes, meer kappers, er is meer verzorging nodig.’
In een beschermde arbeidsmarkt als die van Nederland is minder ruimte voor nieuwkomers. ‘Als er meer flexibiliteit is, stromen mensen makkelijker door naar andere beroepen of bedrijven. Ook moeten we kijken of we minder strikt kunnen omgaan met het erkennen van diploma’s. Nu stoppen we veel tijd en geld in het proces om hoogopgeleide vluchtelingen geldige papiertjes te geven. In Amerika kunnen ze veel sneller aan de slag.’

Een gevolg van de beperkte arbeidsmigratie in de wereld zijn de gigantische loonverschillen. Daar is volgens Oostendorp een ‘enorme winst’ te behalen. ‘Veel vluchtelingen die hier komen gaan vier keer zoveel verdienen voor hetzelfde werk dat ze eerder verrichten. Dat surplus komt nu bij henzelf terecht. Eigenlijk zou het eerlijker zijn als die winst – rekening houdend met de hogere prijzen – de eerste jaren wordt verdeeld over de migrant en het land waar hij naartoe is gegaan. Dat land maakt immers ook kosten voor migranten.’ De ontwikkelingseconoom vindt dat Den Haag moet overwegen een migratiebelasting in te voeren. ‘Je kan ook zeggen dat een migrant minder snel rechten opbouwt.’ Mooie bijvangst is een minder grimmig vluchtelingendebat. Regelmatig verschijnen nu in de media kostenplaatjes over de vluchtelingen en migranten, waarover de gemoederen hoog oplopen. ‘Als je laat zien dat je de lasten en lusten eerlijk verdeelt over de migrant en het land, zal het debat ook soepeler verlopen.’ Van discriminatie is met zo’n aparte belasting voor migranten volgens Oostendorp geen sprake. ‘Met dat beleid kun je veel meer mensen toelaten. Uiteindelijk help je hen en de wereld daarmee meer dan met alleen het voeren van een ontmoedigingsbeleid.’