Interview Wouter Bos
Hij was twaalf jaar een van de meest gezichtsbepalende politici in Den Haag. Wouter Bos (1963) kwam in 1998 voor de PvdA in de Tweede Kamer. Twee jaar later werd hij staatssecretaris van Financiën. In 2002 werd hij partijleider van de PvdA. Van 2007 tot 2010 was hij vicepremier en minister van Financiën onder Jan Peter Balkenende. In maart 2010 trok hij zich terug uit de landelijke politiek. Sinds oktober 2010 werkt hij als partner voor KPMG. Den Haag mist hij maar zelden, zegt Bos. ‘Maar een beetje jeuken en kriebelen blijft het altijd wel. En af en toe zou je je ook wel eens tegen iets aan willen bemoeien. Maar goed, daar heb ik allemaal uit eigen vrije wil een eind aan gemaakt. Dus al te lang duren die jeuk en die kriebel nou ook weer niet.
Als je uit de politiek bent gestapt, dan gaat dat echt wel met de nodige afkickverschijnselen gepaard. De vermoeidheid is het meest opvallend. Ik heb twaalf jaar lang niet moe mogen worden. Terwijl ik verschrikkelijk lange dagen maakte, onder heel hoge druk stond. Dat komt er dan allemaal uit op het moment dat je ophoudt. Ik heb er echt zes tot twaalf maanden voor nodig gehad om die vermoeidheid kwijt te raken.’
Is het dan zo’n afmattend vak?
‘Voor mij is het heel afmattend geweest. Ik heb twaalf jaar in de politiek gezeten, waarvan ruim acht jaar als leider van de Partij van de Arbeid. En drie jaar als vicepremier en minister van Financiën. In een van de moeilijkste jaren voor de Nederlandse economie, en ook voor de Partij van de Arbeid. Minister van Financiën zijn is altijd een zware baan, maar tijdens een financiële crisis helemaal. Vicepremier zijn is zwaar. Dat was in dit kabinet met de niet al te harmonieuze verhoudingen nog een keer extra het geval. En leider van de Partij van de Arbeid zijn, dat is ook zwaar. Zeker als het met een partij niet altijd even goed gaat.’
Het moet ingewikkeld zijn: je hebt lange tijd aan de top van de macht meegedraaid. En opeens ben je in elk opzicht buiten beeld.
Lachend: ‘Ja, en juist dat heeft me nou de minste moeite gekost. Ik dacht vooraf: ga ik niet in een zwart gat vallen omdat niemand meer wil weten wat ik ergens van vind? Dat heb ik eigenlijk niet gevoeld. Ik had af en toe nog wel een mening, ik belde nog wel eens iemand en men belde mij ook nog geregeld. Maar de hunkering om elke dag op de voorpagina te staan, die heeft me niet overvallen.’
U kwam in 1998 vanuit het bedrijfsleven de politiek in. Waarom wilde u de politiek in?
‘Ik kom uit een politiek nest, met altijd volop discussies over politiek. Ik ben politicologie gaan studeren omdat ik de wereld wilde verbeteren. Heb economie erbij gedaan om uit te vinden hoeveel het zou kosten. Op een gegeven moment heb ik wel besloten om niet meteen de politiek in te gaan, maar eerst iets van het echte leven te proeven. Omdat ik het idee had dat je in de politiek sterker staat als je eerst een aantal jaren hebt rondgekeken in bijvoorbeeld het bedrijfsleven. Ik heb heel bewust de keuze gemaakt om niet meteen tegen de politiek aan te gaan schurken, maar ben voor Shell gaan werken. Die liefde voor de politiek bleef natuurlijk wel. Wat ik op een gegeven moment ook wel merkte, was dat het me gewoon veel meer passioneerde; ik kon niet boos of blij worden als we een goeie LPG- of oliedeal hadden afgesloten. Terwijl bezig zijn met vraagstukken van de samenleving – of het nou over integratie of over verdeling gaat – mij wel wat deed. En dan ga je daar natuurlijk op een gegeven moment ook voor kiezen.’
Maar in de politiek is iets nooit af. In het bedrijfsleven kun je zeggen: ‘Dit hebben we afgerond, deze deal staat.’
‘Er zijn twee grote verschillen tussen politiek en bedrijfsleven. Ten eerste is het verwerven van draagvlak in de politiek oneindig veel belangrijker. Draagvlak bij je collega’s, bij je tegenstanders, bij de bevolking. In het bedrijfsleven zet je iets op de markt en kijk je of het wel of niet gekocht wordt. Dat is toch echt een heel ander type afweging. Het tweede grote verschil is dat de politiek oneindig veel complexer is dan het bedrijfsleven. In het bedrijfsleven gaat het uiteindelijk maar om één ding: het maken van winst. Dáár draait het om. En in de politiek draait het gelukkig om heel veel meer. Dat maakt het ook intellectueel veel uitdagender en voor mijzelf veel boeiender om mee bezig te zijn. Dus daarom maakte ik die keuze ook.’
Wat moet je eigenlijk kunnen om politicus te zijn? Wat voor karaktereigenschappen moet je hebben?
‘Je moet heel goed met frustraties en teleurstellingen kunnen omgaan. Daarbij helpt het ook wel als je eerst gewoon tien jaar lang ergens anders hebt gewerkt en op de proef bent gesteld. En je moet de dingen die niet gelukt zijn, niet te lang met je meedragen.’
Is het iets wat iedereen in principe kan?
‘Ik denk het niet. Er mislukken veel mensen in de politiek die net als ik uit het bedrijfsleven komen. Dat heeft toch te maken met het gegeven dat je in het bedrijfsleven vaker uit een cultuur komt waarin je een bepaalde beslissing neemt die vervolgens ook wordt uitgevoerd. In de politiek begint het dan eigenlijk pas; met draagvlak dat verworven moet worden en daarna weer verkruimelt. In de politiek moet je leren accepteren dat om voor jou volstrekt onterechte en irrationele redenen een meerderheid het niet eens kan zijn met jouw briljante idee. Daar kunnen niet veel mensen tegen.’
Dus jouw wijn wordt altijd aangelengd?
‘Eindeloos. Zodra je als individu met je eigen overtuigingen lid wordt van een partij, sluit je al een compromis. Want die partij is nooit honderd procent wat jij vindt. En als je in een fractie zit heb je opeens dertig, veertig anderen waar je rekening mee moet houden, dan ga je ook al compromissen sluiten. Daarna sluit je een regeerakkoord; alweer een compromis met andere partijen. Wanneer het uitgevoerd moet worden, blijken er allerlei dingen niet te kunnen. Dat is dan weer een compromis met de praktijk. Dat is de kunst van politiek bedrijven: zorgen dat je die klippen omzeilt en dat je wijn aan het eind van de dag nog enigszins lijkt op wat er ooit in die fles heeft gezeten.’
En lukte dat ook?
‘Vaak niet. Ik heb drie jaar lang in een kabinet gezeten waarin ik een constante druk heb gevoeld om om te gaan met de teleurstelling die bij heel veel mensen leefde. Die vonden dat onvoldoende herkenbaar was waarom wij daar zaten en wat wij daar deden. Dat is heel frustrerend, omdat je denkt dat je met de goeie dingen bezig bent terwijl dat niet gezien wordt.’
Wat zei u dan tegen die mensen: ‘Snap dan dat dit meeregeren heet’?
‘Je probeert van alles. In een heleboel opzichten is het natuurlijk ook frapper toujours. Blijf je verhaal vertellen, blijf vertellen waarom je het doet. En zorg ook dat je je successen kent. De Partij van de Arbeid heeft een notoire reputatie waar het gaat om het uitventen van de eigen nederlagen. We zijn minder goed in het uitventen van de eigen successen. Wij zijn niet goed in feestjes vieren. Wij zitten eerder met mekaar te sikkeneuren waarom het alwéér niet is gelukt om de wereld te verbeteren.’
Alexander Pechtold zei in Opzij: ‘Het is allemaal veel vuiler en vunziger in Den Haag dan mensen denken.’ Is dat een goede analyse?
‘Ik weet dat Alexander dat zei toen hij net was toegetreden tot het tweede kabinet-Balkenende en dat D66 in dat kabinet niet altijd even netjes behandeld werd door met name het CDA. Ik vind politiek mooi. Bij de politiek hoort dat je af en toe een beetje met elkaar vecht. Dat is een strijd van belangen. Daarbij wordt af en toe ook een stoot onder de gordel verkocht. Maar om nou meteen het hele politieke bedrijf als viezig en vunzig weg te zetten… nee.’
De campagne van 2006 was vanuit het CDA een harde campagne. U werd een draaier genoemd. Iemand die niet consistent was in zijn meningen. Valt dat niet onder vuil en vunzig?
‘Ik heb die term in elk geval nooit gebruikt en dat ga ik ook nu niet doen. Ik vind wel dat daarmee niet alleen mij schade is aangedaan maar ook het hele vak van de politiek. Dat vind ik eigenlijk veel erger. Ik had mij daar beter tegen moeten verweren. Daar ligt ook echt een verantwoordelijkheid voor mijzelf, omdat ik daar niet goed mee ben omgegaan. Het was helemaal niet moeilijk geweest om een aantal voorbeelden te noemen van waar het CDA de afgelopen jaren de kiezer dingen verteld heeft die niet klopten. Als ik die assertiviteit had opgebracht, denk ik dat ze het uit hun hoofd hadden gelaten om op die koers door te gaan. Dat deed ik niet. Mijn intuïtie liet me in de steek en ik maakte precies de verkeerde keuze.
Wat ik veel erger vind, is dat de hele retoriek van “draaien” en dergelijke het politieke bedrijf als geheel – en dus niet alleen mij – schade heeft gedaan. Het idee dat je af en toe compromissen moet sluiten waardoor je niet precies kunt doen wat er in het verkiezingsprogramma staat – wat dé manier is om in een democratie met elkaar verder te komen – wordt opeens in een kwaad daglicht gesteld. Dat keert zich nu dus ook tegen het CDA. Als je kijkt naar de problemen waar het CDA op dit moment mee kampt, dan zijn dat problemen die mede tot stand zijn gekomen omdat de compromissen die ze sluiten door veel kiezers geplaatst worden in termen van “draaien”. Je doet niet wat je zei dat je zou doen. Dat zijn precies de beelden die ze zelf hebben opgeroepen tijdens de campagne van 2006.’
Dus het gaat veel verder dan een slimme campagnestrategie.
‘Je moet je afvragen of die strategie zo slim was. Hij heeft op de korte termijn gewerkt.’
Het CDA leverde wel de premier, en niet de Partij van de Arbeid.
‘In het najaar van 2006 hadden ze er succes mee. Maar in veel opzichten hebben ze er problemen mee gecreëerd waar het CDA nu, op het diepste dieptepunt ooit, nog geen oplossingen voor gevonden heeft. Als je kiezers opvoedt met de gedachte dat “compromissen sluiten” hetzelfde is als “breken van een belofte”, dan komt er een moment dat je daar zelf keihard op wordt afgerekend. Dat is nu dus ook gebeurd.’
U werd vicepremier onder Jan Peter Balkenende, van wie u vooraf had gezegd: ‘Ik word geen vicepremier onder die man.’
‘Dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat het uitgangspunt hoort te zijn dat de politiek leider in de Kamer zit. En ik heb op dat uitgangspunt een uitzondering gemaakt. Ik geef meteen toe dat de meerderheid van de mensheid die nuance nooit in mijn uitspraken heeft gehoord; daar leerde ik ook weer van.’
Maar hoe gaat dat dan in zo’n kabinet? Want je zit naast een man die op de plek zit waar jij zelf had willen zitten.
‘Omdat ik wist dat ik minister van Financiën zou worden, heb ik vooraf met Gerrit Zalm gesproken. Hij had hetzelfde meegemaakt. Hij wilde premier worden, werd het niet. Hij werd minister van Financiën onder Jan Peter Balkenende. Het eerste advies dat hij me gaf, was: “Daar moet je niet meer over nadenken. Geniet van de plek die je hebt. Jan Peter is ook iemand die zijn ministers extreem veel vrijheid laat. Pak die vrijheid en ga niet zitten mopperen dat je eigenlijk op zijn stoel had willen zitten.” Dat advies heb ik ter harte genomen.’
Het is zoiets als tweede worden op het WK.
‘Ja. En daarna dan ook nog eindeloos samen met die nummer één optreden, hè. Misschien komen we daarmee dan ook wel tot de kern van wat je in dat politieke bedrijf extreem goed moet beheersen: incasseren. Ik zit kennelijk rationeel zo in elkaar dat ik dat allemaal een plekje kan geven en door kan gaan. Ik heb in die jaren natuurlijk vaak gedacht dat ik dingen anders aan zou pakken dan Balkenende, maar ik heb nooit het gevoel gehad: jij zit op mijn stoel. Dat zou totaal onwerkbaar zijn geweest.’
Speelde het bij hem mee?
‘Het enige wat ik weet, is dat ten tijde van de grote financiële crisis er binnen het CDA allerlei geluiden waren dat de minister-president zich meer moest laten gelden omdat de minister van Financiën zo zichtbaar was. Toen is hij misschien jaloers geweest op mijn stoel. Maar ondanks alle verhalen die daar altijd over rondgestrooid zijn: onze persoonlijke relatie was niet slecht. Jan Peter Balkenende en ik hadden grote meningsverschillen. Het kabinet is uiteindelijk ook niet voor niets vroegtijdig gevallen. Maar we gingen niet ruziënd en met slaande deuren door het leven.’
Wie was de onbetwiste baas van het kabinet? De premier?
‘In formele zin wel, natuurlijk. Ik denk dat dat in de praktijk een slag anders lag.’
Want dan was u de baas?
‘Je hebt als minister van Financiën wel heel veel invloed op dossiers. Maar ook Donner en Hirsch Ballin waren politici die zich graag over de volle breedte van het spectrum lieten gelden.’
Het kabinet-Kok ging samen op fitness om de teambuilding te stimuleren. Deden jullie ook zulke dingen?
‘Ik ben er niet bij geweest. Als ik dat zou doen, dan zou ik weer een ochtend missen waarop ik mijn kinderen naar school kon brengen. Dus mijn prioriteit lag anders. Er was volgens mij nog wel steeds fitness. Ik heb in elk geval André Rouvoet regelmatig krom en hinkend binnen zien komen op vrijdagochtend, dus dat zal daar misschien iets mee te maken hebben gehad. Er waren ook af en toe etentjes en je had de jaarlijkse familiedag. Dat was ontzaglijk gezellig.’
Er was nog één lastig punt. Op een gegeven moment kwam staatssecretaris Jack de Vries erbij. De architect van de campagne uit 2006. Een jaar daarvoor had hij bedacht: we noemen Bos ‘de draaier’. Hoe ging het toen?
‘Ik weet niet of hij dat bedacht heeft, hij heeft dat zelf tegenover mij ook altijd ontkend. Dus daar hou ik het dan maar even bij.’
Het was voor u vast wel even een bittere pil dat diezelfde De Vries toetrad tot het kabinet.
‘Ik was daar tegen, heb ook tegen Balkenende gezegd dat ik dat als investering in de teamgeest van het kabinet geen geweldige zet vond.’
Kreeg u dat gewoon meegedeeld of werd u gevraagd hoe u erover dacht?
‘Ik hoorde het gerucht, dus toen ben ik op een gegeven moment langsgegaan en heb ik gevraagd: is dat echt zo? Toen er geen ontkenning kwam, wist ik dat het een optie was. Toen heb ik gezegd: “Ik vind dat niet verstandig.”‘
Moest er toen opnieuw aan de teambuilding gewerkt worden?
‘Jack is bij mij langsgekomen, we hebben een goed gesprek gehad en ik heb verder prima met hem samengewerkt.
Kunt u zich het kerstdiner van het kabinet van 2007 nog herinneren?
‘Eh… ja…’
Toen deed u samen met André Rouvoet een cabaretnummer…
‘Ja, dat is goed geheim gebleven, hè? We hebben ons als twee zeer gereformeerde jongelingen uitgedost, met korte broeken, heel vette scheidingen en hoge kniekousen. Kampvuur, gitaartje erbij. Youth for Christ. Op de melodie van De nozem en de non hadden we een lied gemaakt over het kabinet waarin inderdaad Jack een paar keer langs kwam.’
Daarmee was alles gladgestreken?
‘Iedereen kon er in elk geval enorm hard om lachen. En dat was ook precies de bedoeling.’
Werd de sfeer binnen het kabinet beter toen jullie echt voor grote problemen kwamen te staan?
‘Dat denk ik wel. Al vind ik nog steeds dat we de crisis onvoldoende benut hebben om een aantal doorbraken te realiseren.’
Wat had er beter gekund?
‘Ten eerste heeft het onderhandelen over het crisispakket veel te lang geduurd. Het pakket waarmee wij na afloop van de crisis naar buiten kwamen, was een pakket dat – gemeten aan wat internationaal werd aanbevolen -, top was. Je laat budgettair de teugels even vieren – want dat is nodig om niet ten onder te gaan in de crisis – maar je neemt wel allerlei maatregelen om op termijn die schuld weer in de klauwen te krijgen. Dus gingen we wat doen aan de hypotheekrenteaftrek voor durehuizenbezitters, dus zou de AOW-leeftijd omhoog gaan en zo nog een aantal andere zaken. We hadden dat in een paar weken kunnen beslissen in december 2008. In plaats daarvan duurde het maanden en maanden met eindeloze onderhandelingen, waardoor opnieuw het beeld van zo’n ruziekabinet opdook. Ik denk dat het kabinet als geheel, maar zeker ook de minister-president, hier een kans heeft laten liggen om snel spijkers met koppen te slaan.’
Wat had Balkenende moeten doen?
‘Ik ben eind 2008 naar hem toe gegaan en heb gezegd: dit is het moment waarop we een aantal moeilijke dossiers met elkaar kunnen afhandelen. Knopen doorhakken, doorbraken forceren. En we hebben dat niet gedaan.’
Balkenende was daar te weinig slagvaardig in?
‘Ik laat alle kwalificaties graag aan anderen.’
Had de crisis daardoor minder erg kunnen uitpakken?
‘Nee, maar het kabinet zou er oneindig veel beter uit zijn gekomen, qua reputatie. En een aantal dossiers zou slagvaardiger zijn opgepakt.’
Uw eigen reputatie steeg enorm door de crisis.
‘Ja. Ik heb geloof ik eind 2008 zeven verkiezingen voor man en politicus van het jaar gewonnen. En elke keer dat ik weer zo’n prijs in ontvangst nam, zei ik: wacht maar tot volgend jaar. Eens kijken waar ik dan ergens onderaan bungel.’
Werd dat dan bezegeld met een ferme felicitatie door de premier?
‘Nee. Nee, nee.’
Hebt u elkaar nadien nog wel eens gezien, nadat het kabinet was gevallen?
‘Ja, op de afscheidsreceptie van een topambtenaar. We hebben, nadat het was kabinet gevallen, vlak na de verkiezingen nog met z’n allen een etentje gehad op het Catshuis. Ik ben ook nog naar zijn afscheid toe geweest.’
En hij naar het uwe?
‘Hij is niet naar mijn afscheid geweest.’
Wat betekent dat?
‘Dat weet ik niet. Ik zoek niet overal wat achter.’
In Den Haag lopen veel lobbyisten rond. Wat is hun invloed precies?
‘Bij zwakke Kamerleden is de invloed groot. Als je als minister een debat hebt, en je ziet Kamerleden vragen oplepelen die rechtstreeks uit een document van een belangenorganisatie komen, dan herken je dat patroon wel.’
Want dat document kende u ook?
‘Dat kenden wij ook, ja.’
En liet u dat dan ook doorschemeren?
‘Af en toe een beetje. En met een knipoog. Omdat die belangenorganisaties vaak goeie vragen stellen, is er niks mis mee om die vragen ook gewoon te gebruiken in je betoog. Maar je moet wel hopen dat Kamerleden ook nog iets van zichzelf te berde brengen.’
In de documenten die uitgelekt zijn via WikiLeaks kwam naar voren dat de Amerikanen u onder druk gezet zouden hebben om de missie in Afghanistan te verlengen. Is dat gebeurd?
‘Er was grote druk, maar het was ook heel indirect, de Amerikanen wisten hoe gevoelig het lag. Maar ik ben wel door jan en alleman tot op zeer hoog niveau benaderd over die kwestie. Het was duidelijk dat ze dat graag wilden.’
Sterker nog: het zou gebeurd zijn op verzoek van Balkenende.
‘Dat weet ik niet. Die mensen kwamen niet binnen en zeiden: “Ik kom hier omdat Balkenende het me gevraagd heeft.” Ik wil er één ding over zeggen en dat is dat in die WikiLeaks-berichten naar voren kwam dat ik ook op een onoorbare manier onder druk gezet zou zijn. Ofwel dat dat door de secretaris van Algemene Zaken dan wel door de directeur-generaal van Buitenlandse Zaken gesuggereerd zou zijn: “Dreig Bos dat zijn leiderschap beschadigd wordt” of “Dreig Bos dat ze anders uit de G20 gegooid worden.” Ik laat even helemaal voor rekening van anderen of deze heren die uitlatingen en die suggesties ook echt gedaan hebben. Dat weet ik niet. Het enige wat ik wel weet, is dat de Amerikanen dat gewoon nooit gedaan hebben. De Amerikanen zijn buitengewoon beschaafd geweest in de manier waarop ze druk op mij gezet hebben. In elk geval beschaafder dan wat die Nederlandse ambtenaren kennelijk hadden gesuggereerd. Al was die druk wel groot.’
Hoe deden ze dat dan?
‘Vicepresident Joe Biden belde op. Ik zat in Pittsburg voor een G20-conferentie en de nationale veiligheidsadviseur kwam over uit Washington om mij tien minuten te spreken. Maar die zei dan niet: “Je moet meedoen, want anders ga je de G20 uit.” Die zei: “Ik wilde u graag vertellen wat een ongelofelijk goed werk die Nederlandse troepen doen in Afghanistan.” Een charmeoffensief. Ik zit op de G20-top, komt de Australische premier op me af die ook van de Labour Party is. Even later word ik opgebeld door de Engelse minister van Buitenlandse Zaken die ook van de Labour Party is. Ik ben thuis en de Australische premier belt wéér. Vervolgens wil de Amerikaanse ambassadeur langskomen. Die vraagt of meneer Holbrooke langs mag komen en meneer Daalder. Dus ik werd gebombardeerd met pogingen tot contact en overtuiging. Maar die zijn stuk voor stuk aanmerkelijk beschaafder geweest dan wat er kennelijk gesuggereerd werd van de Nederlandse kant.’
Dus er is nooit een pistool tegen uw hoofd gezet.
‘Nee. Dan was het waarschijnlijk ook zeer contraproductief geweest.’
De conclusie was wel: Bos is de enige met een rechte rug.
‘Die conclusie was ook niet juist, want ik voelde me daarin zeer gesteund door mijn collega’s in het kabinet en ook in de rest van de partij. Ik kon ook alleen maar voet bij stuk houden omdat ik wist dat ik breed gesteund werd.’
Wat voor impact heeft dit vak op uw bestaan gehad?
‘Het heeft een buitengewoon zware tol geëist in mijn privé- en gezinsleven. Heel weinig thuis en als je wel thuis bent, heel erg moe. Dat is voor je omgeving geen pretje. Je directe omgeving leidt ook een leven dat altijd secundair is aan het leven dat jij zelf leidt. Zij mogen altijd de gaten in jouw agenda vullen en niet andersom. De ouderavond van je kinderen legt het altijd af tegen de bespreking met een collega. Dat is een zware prijs die je betaalt, zeker als je heel jonge kinderen hebt. En het tweede is dat ik hoop dat het vak niet te veel schade gedaan heeft aan wie ik ben als mens en aan het karakter dat ik heb. Want je staat ook bloot aan een heleboel invloeden die je schade kunnen doen. Je wordt belangrijk gemaakt, er is voor jou altijd interesse, er lopen mensen voor je, mensen praten je naar de mond. Als je zo hoog gestegen bent, dan moet je heel sterk in je schoenen staan om een beetje normaal te blijven.’
Merkte u dat toen u ermee ophield, u veranderd was?
‘Ik hou het er zelf op dat ik op tijd ben opgehouden.’
En dat vond uw omgeving ook?
‘Nou, laat ik me daar maar niet over uitlaten.’
Want dan zouden we iets anders horen?
‘Dat sluit ik inderdaad niet uit. Nee.’
Dertien jaar geleden ging u ook de politiek in om iets aan de wereld te verbeteren. Hebt u het verschil kunnen maken?
‘Ik heb wel een kiezeltje in de rivier gelegd, ja.’
Blijft dan toch knagen: ik heb heel veel gedaan maar toch die ene plek, dat premierschap, heb ik nooit bekleed?
‘Ja, op een heel melancholieke manier denk ik daar nog wel eens aan. Hoeveel gelukkiger ik ervan geworden zou zijn, weet ik niet. Al die druk die het op je privé- en gezinsleven legt, zou alleen maar vele malen groter zijn geweest. Ik heb het natuurlijk wel een paar keer geprobeerd en het is mislukt. Dat sluit je dan af en je gaat door. Ik heb Obama, Blair en Gorbatsjov de hand mogen schudden. Ik ben minister van Financiën geweest tijdens een van de meest uitdagende financiële crises die ons land ooit gekend heeft. Met de Partij van de Arbeid ben ik de grootste partij geweest tijdens gemeenteraadsverkiezingen. Ik heb meegemaakt dat een Marokkaanse immigrantenzoon burgemeester van Rotterdam kon worden. Ik heb zo ontzaglijk veel bijzondere dingen mogen doen en mogen meemaken… Dan heb je niks te klagen. Strik erom en door met het leven.’
Kijken in de ziel
Op 26 juli begon bij de NTR een nieuwe serie van Kijken in de ziel. Daarin praat Coen Verbraak zes weken achtereen met (oud-)politici als Wouter Bos, Jan Marijnissen, Jolande Sap, Hans Wiegel, Elco Brinkman en André Rouvoet over hun vak, en over henzelf. In september/oktober verschijnt bij Thomas Rap het boek bij de serie, met de uitgebreide versie van alle interviews. Dit interview met Wouter Bos is een verkorte versie van het gesprek in dat boek.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.