De beste in zijn vak: Chris Kijne

Nóóit. Het went nooit om jezelf terug te horen, vindt Chris Kijne. Goed, wanneer hij een tekst hoort die hij heeft ingelezen voor Tegenlicht kan hij nog wel denken: ‘Goed gelezen, en geen onaangename stem.’ ‘Maar als je jezelf terug hoort in een live situatie… dat valt niet mee. Horen hoe je toonhoogte soms verandert, hoe opeens de spanning in je stem schiet… Mezelf op de radio horen lachen… vreselijk.’ En toch is Kijne – met een nipt verschil met Lucella Carasso – door collega’s uitgeroepen tot De Beste in zijn Vak. Dat vindt hij leuk. ‘Maar ik heb eigenlijk geen idéé waarom ik De Beste zou zijn.’

Kijne (59) presenteert elke donderdag Met het Oog op Morgen, werkt voor Tegenlicht en maakt interviews voor het televisieprogramma Gesprek op 2. Hij behoort tot de oudgedienden van de VPRO-radio. In 1984 begon hij bij de VPRO Gids, in 1988 stapte hij over naar de radio. Hoezeer hij het de eerste jaren bij de Gids ook naar zijn zin had, zijn entree bij de radio voelde nadrukkelijk als ‘een stapje hoger’, zegt Kijne. ‘Het was de tijd van Het Gebouw, de grote jaren van de VPRO-radio. Een mooiere plek kon je je als maker niet voorstellen. Het Gebouw was een prachtig radio-idee, bedacht door Peter Flik. Elke gast moest eerst langs de receptie – daar zaten Harmke Pijpers en Stan van Houcke – waarna hij werd doorgestuurd naar de afdeling waar hij voor kwam. Voor de makers heerste bij Het Gebouw ongekende vrijheid; alles kon en mocht. Je deed alles zelf, bereidde je eigen onderwerpen voor. Dat was kenmerkend voor de VPRO. En dat hóórde je als luisteraar; je zat nooit met een lijst door anderen bedachte vragen voor je neus.’

Maar die aangename anarchie leidde soms ook tot wanorde. Kijne wilde ooit live in de uitzending strafpleiter Gerard Spong interviewen. Spong kon die week niet, maar de week daarop zou het vast lukken. ‘Vlak daarna kreeg ik griep en vergat ik door te geven dat ik die afspraak had gemaakt. De week erna zat Henk van Hoorn achter de microfoon, klaar om een ander interview te doen, toen er opeens bericht kwam uit de studio in Den Haag: ‘De heer Spong zit klaar.’ Niemand wist waarom, waarvoor of waarover. Toen is er binnen twee minuten een mapje met Spong-documentatie naar boven gehaald. Henk heeft dat nog net open kunnen slaan en heeft vervolgens live een kwartier met Spong gesproken. Ik geloof niet dat iemand er iets van gemerkt heeft.’

Die actievoerende lui

Kijne was in die tijd ook een van de vaste tekstschrijvers van de karakteristieke aankondigingen van Cor Galis. ‘Cor Galis’ was in feite een creatie van Peter Flik, zegt Kijne. ‘Cor werkte al jarenlang voor de ledenafdelingen van de VPRO, waar hij in het land de ledenvergaderingen leidde. Peter hoorde die stem en wist: dit is iemand die voor de microfoon moet. Cor heeft zelf nooit een letter van die teksten geschreven, maar droeg ze voor met een ongekende overtuiging. Voor veel luisteraars was hij een ijkpunt. De Mening van de VPRO.’

In die dagen bestond er bij de VPRO nog een strenge scheiding tussen radio en televisie. De kantine was min of meer in twee helften te verdelen. ‘Ik maakte twee jaar geleden een film over Jan Blokker. Die vertelde dat hij helemaal niks moest hebben van “die actievoerende lui met kettinkjes om” bij de radio. Bij de radio werkten volgens Blokker mafkezen, geen journalisten maar activisten. Hij kon op zijn tweeëntachtigste nóg kwaad worden over het feit dat we in 1985 uit protest tegen het besluit om kernwapens te plaatsen urenlang het geluid van sirenes hadden uitgezonden. “Als ik toen hun baas was geweest,” zei Blokker, “dan had ik ze er allemaal uit gedonderd.”’

Bestaat die scheiding tussen radio en tv nog steeds?

‘Nee. Er zou nog beter samengewerkt kunnen worden tussen radio en televisie. Maar zulke verschillen van inzicht bestaan niet meer.’

Is het wezenlijk anders om voor de radio te werken dan voor de televisie?

‘Ja. Ik heb heel veel reportages voor de radio gemaakt. Dan ben je in je eentje, met de microfoon. Je kunt zelfs met een dasspeldmicrofoon werken zodat niemand ziet dat je radio maakt. Bij televisie heb je altijd camera en geluid nodig. Daardoor is de werkelijkheid al vervormd voordat je ’m kunt registreren. Als je schrijven, radio en televisie vergelijkt, dan komt er per medium een laag ballast bij. Als je voor de krant iemand interviewt die eigenlijk heel slecht praat, dan kun je er met behulp van de knipselmap nog wel een aardig stuk van maken. Bij radio moet je het toch op de band hebben. En bij televisie ook nog eens in beeld. Dat is een stijgende moeilijkheidsgraad.’

Je maakt ook televisie. Is dat dan toch weer een stapje hoger dan radio?

‘Nee, zo voelt dat helemaal niet. Ik acht televisie beslist niet hoger dan radio. Er was voor mij alleen een inhoudelijk argument om televisie te gaan doen. Ik vond het bij de radio in toenemende mate frustrerend dat je daar nooit lange gesprekken met buitenlanders kunt doen. Dan moet je gaan werken met voice-overs, en dat is altijd lelijk. Dat werkt niet op de radio, maar dus wel op televisie. Ondertiteling kan een heel groot voordeel zijn.’

Jurgen van den Berg beschreef hoe radiofreaks elkaar altijd herkennen. ‘Allemaal begonnen met bandjes op hun slaapkamer.’

‘Dat heb ik dus ook gedaan. Ik nam veel muziek op. En mezelf.’

Kijne groeide op met de radio. Thuis hadden ze draadomroep; een bakelieten luidspreker die je op vier verschillende standen kon zetten, waarna de wereld in vier varianten de huiskamer binnengolfde. Als jongen luisterde hij op een radiootje, geërfd van een tante, naar Uitlaat, van Wim de Bie. Later kocht hij op het Waterlooplein een spoelenrecorder waarmee hij ook opnames kon maken. Een vriend wees hem erop dat die luidspreker van die draadomroep met een kleine handgreep ook als microfoon kon dienen. Met twee draadjes eraan kon hij met zijn spoelenrecorder stiekem de gesprekken in de huiskamer opnemen. Zijn ouders zijn allang dood, maar ergens heeft hij nog de banden waarop hun stemmen te horen zijn. Huiskamergesprekken uit de jaren zestig.

Ze waren thuis ‘christensocialisten’, lid van de PvdA en de VPRO. Zijn vader was als classicus/theoloog verbonden aan het Nederlands Bijbelgenootschap. Jammer dat hij zijn zoon nooit heeft kunnen horen bij zijn ‘eigen’ VPRO. ‘Hij zou het geweldig hebben gevonden. Ik weet zeker dat mijn liefde voor reizen van hem komt. Hij reisde naar Afrika, naar Indonesië, en schreef daarvandaan lange brieven die mijn moeder aan mij en mijn broers voorlas. Met heel exacte beschrijvingen van wat hij daar tegenkwam. Daardoor dacht ik als jochie: dat wil ik later óók zien. In feite ben ik hetzelfde gaan doen als hij: aan andere mensen verhalen vertellen over de wereld.’

Je zei dat de jaren van Het Gebouw de grote jaren van de VPRO-radio waren. Is die tijd definitief voorbij?

‘Ja. Op zondag heb je OVT, Studio Idzerda en Bureau Buitenland. En op Radio 6 heb je nog De Avonden. Maar verder is alles ingeklemd in strakke formats. De creativiteit en de vrijheid van Het Gebouw zijn helaas nergens meer te horen. Die enorme diversiteit is verdwenen.’

Wat is daarmee verloren gegaan?

‘Dat mensen op de radio verrast worden door iets waar ze uit zichzelf nooit naar waren gaan luisteren. Dat zijn we kwijtgeraakt. Er is nog een middenweg: Villa VPRO. Maar ja, dat is dus wel een middenweg. Daar hoor je het nog een beetje. De manier waarop Ger Jochems de taal gebruikt – in wat plat Haags, en totaal als zichzelf – zul je bij geen andere omroep horen. Ook Villa VPRO is inmiddels ingekaderd in een strak format. Ik begrijp heel goed dat er een nieuwszender als Radio 1 moet zijn. Tegelijk is dat de spagaat waar de Publieke Omroep in zit: als je een groot publiek wilt bedienen, kom je vanzelf uit op een middle of the road.’

Dat wil niet zeggen dat er geen goede radio meer wordt gemaakt, benadrukt Kijne. Hij heeft bijvoorbeeld ‘enorm genoten’ van Studio Sportzomer. ‘Een heerlijk programma met fantastische presentatoren. Daar gebeurde constant iets. En Met het Oog op Morgen is er ook nog steeds. Dat is een topprogramma om te maken. Serieus met een knipoog, op een heerlijk uur van de dag. “Radio” was voor mij vroeger toch: ’s avonds op je zolderkamertje zitten luisteren. De presentator is bij Het Oog een wezenlijk onderdeel van de formule, dus je kunt er ook een persoonlijke toon in leggen.’

Wat is die persoonlijke toon bij Chris Kijne?

‘Dat ik over het algemeen geen harde interviewer ben. Ik ben geen Sven Kockelmann. Omdat ik me daar altijd ongemakkelijk bij voel. Als het toch moet, dan het liefst met iemand die op afstand, in een andere studio zit. Ik ben meer een man van marathoninterviews. Het liefst maak ik portretten.’

Je bent als presentator ook een weinig geprononceerde persoonlijkheid.

‘Misschien, maar ik vind ook dat je als interviewer een dienende taak hebt. Je bent ondergeschikt aan de gast. Ik denk wel dat het interview meer mijn kracht is dan het maken van een prachtige documentaire.’

We hadden het over Het Gebouw. Is het erg dat dat VPRO-geluid goeddeels is verdwenen?

‘Je moet ontzettend oppassen voor ouwemannenpraat. Natuurlijk is het jammer dat de marathoninterviews naar de avond zijn verplaatst. Je kunt naar sommige programma’s echt heimwee hebben. De VPRO heeft prachtige dingen gemaakt in vroeger tijden. Maar dit is een andere tijd die kennelijk om andere programma’s vraagt. Niks aan te doen.’

En Tegenlicht ligt inmiddels ook onder vuur.

‘Daar geldt hetzelfde. Het belang om kijkers te trekken wordt vertaald in marktaandeel. En daar word je vervolgens op afgerekend. Er was een tijd dat je het bij de VPRO nooit over kijkcijfers hád. Die tijd is allang voorbij en dat is maar goed ook. Ook wij bij Tegenlicht willen graag veel kijkers. Alleen zit er een grens aan de hoeveelheid kijkers voor wie je zo’n programma kunt maken. Ik zag laatst bij de AVRO een documentaire over dat rare LPF-kabinet dat we ooit hadden. Dat programma begon met Pieter Jan Hagens die opeens vanachter een pilaar tevoorschijn kwam. Niks ten nadele van Pieter Jan. Het is bovendien een zeer toegankelijke vorm. Maar je kunt het ook filmischer, impressionistischer doen. Dat is de traditie van de VPRO. Er is gewoon een grens waarna Tegenlicht geen Tegenlicht meer is.’

Maar dan is het toch ook niet zo erg om later op de avond uitgezonden te worden?

‘Waarom zou het bij de Publieke Omroep niet mogelijk zijn om een programma met grote maatschappelijke impact in het hart van de avond te programmeren? Zoiets is toch juist de táák van de Publieke Omroep? Datzelfde geldt voor Gesprek op 2, dat vanaf januari van de zender verdwijnt. Dat is het enige programma op de Nederlandse televisie waar buitenlandse gasten een podium krijgen voor een substantieel gesprek. Ik vind dat zoiets bij de Publieke Omroep hoort. Maar het tij zit niet mee. Als die nieuwe bezuinigingen doorgaan, zoals het schrappen van het mediafonds, is dat rampzalig. En volkomen contraproductief wanneer je de publieke omroep publieker wilt maken.’

De conclusie is dat alle programma’s waar jij van houdt in de gevarenzone verkeren of verdwenen zijn.

‘Niet alles is verdwenen. Maar het is waar dat het voor wat zwaardere inhoudelijke journalistiek geen eenvoudige tijd is. De journalistiek die vindt dat er een grens zit aan hoe luchtig de vorm kan zijn die je voor je boodschap gebruikt. Daar heeft de VPRO onder te lijden. ’

Heeft de VPRO dat voor een deel ook niet over zichzelf afgeroepen? Jullie wilden jarenlang niet of nauwelijks met andere omroepen samenwerken. Op een dag word je dan wakker in een vreemde wereld.

‘Bij de radio was dat zeker zo. Er was trouwens ook een flinke groep die wel wilde samenwerken en dat ook altijd loyaal heeft gedaan, met VPRO aan de Amstel en De Ochtenden. In de hoop dat de zender als geheel dan toch misschien ook een beetje een VPRO-geluid zou krijgen. Helaas moet je constateren dat dat niet gelukt is .’

Ik luisterde de laatste uitzending van Het Gebouw uit 1993 terug. Daarin kwam Henk van Hoorn – die toen was overgestapt naar de NOS – uitleggen waarom de zender moest veranderen in het belang van de luistercijfers. Hij werd door zijn voormalige VPRO-collega’s bejegend als een vijand, als een overloper.

‘Dat werd inderdaad een soort NSB-discussie. Daarmee heeft een deel van de VPRO-radio zich ook geïsoleerd. Met de VPRO-televisie gaat het nu heel goed. Er zijn prachtige nieuwe vormen gevonden. Begonnen met In Europa, gevolgd door programma’s van Adriaan van Dis en Jelle Brandt Corstius en Nederland van Boven. Daar hebben we het isolement doorbroken. Bij de radio gaat dat veel moeilijker. Daar ben je onderdeel van een zender die op een bepaalde manier moet klinken. We hadden via de website misschien veel meer een uitzendkanaal moeten worden. Daarin hebben we de slag gemist. Inmiddels is het aanbod op internet zo groot geworden dat je daar bijna niet meer kunt opvallen. Er is in de jaren negentig hevig nagedacht over de vraag of de VPRO commercieel moest worden. Daar was ik een voorstander van. Reclameverkopers zeiden ook: “Dat lukt jullie zeker. Jullie hebben een koopkrachtig publiek van Saab-rijders en whisky-drinkers.”’

Is het jammer dat dat niet gebeurd is?

‘Nee, want we maken toch nog steeds bijzondere programma’s. En ik kan nog steeds maken waar ik van hou. Gelukkig ook bij de radio. En wie kan dat op zijn 59ste nog zeggen?’