De groep van achtendertig rechters en hoge politie- en gevangenisfunctionarissen weigert door de detectiepoort van het zwaarbewaakte Europol in Den Haag te gaan. ‘Vernederend’ noemt een lid van de delegatie de controle. ‘We zijn hier toch te gast,’ schampert een ander. De Irakezen zijn boos, sterker nog: ze voelen zich diep beledigd.

Een dag eerder werden ze ook al gecontroleerd toen ze de gevangenis in Zutphen bezochten. Zelfs schoenen en broekriemen moesten toen uit. Onbegrijpelijk, vonden de meesten. Een regelrechte vernedering.

Sabine Terheijden, die de groep vandaag begeleidt, kijkt gespannen. Normaal is ze de opgewektheid zelve, maar ze kan het niet uitstaan dat de groep zich zo onbeleefd gedraagt. Met veel moeite heeft ze een bezoek aan Europol geregeld, en nu dit.

De mannen staan er onverzettelijk bij, de twee vrouwen die tot de groep behoren, zijn duidelijk verlegen met de situatie en houden zich afzijdig. Na een paar minuten komt een medewerkster van Europol naar buiten. Ze spreekt de Iraakse delegatie strak glimlachend toe. Bijna bezwerend zegt ze dat dit gewoon de procedure is, dat het niet de bedoeling is om te beledigen, dat Europol blij is met het bezoek van de Irakezen en of ze nu alsjeblieft naar binnen willen komen.

Eén voor één gaan de mannen zwijgend door de detectiepoort; hun paspoort moeten ze afgeven in ruil voor een badge. Malika, een van de twee vrouwelijke cursisten, heeft haar identiteitsbewijs in haar kamer laten liggen. Pas als de begeleiders bezweren dat ze echt bij de groep hoort, mag ook zij naar binnen. In een speciaal voor de Irakezen gereserveerd zijzaaltje blijft de door Europol aangeboden koffie en thee onaangeroerd, een stil protest van de Iraakse bezoekers. Even later worden ze in een belendende zaal hartelijk welkom geheten door een manlijke vertegenwoordiger van Europol. De delegatie zwijgt. Neem wat te drinken, probeert de gastheer, maar ook nu blijven de kannen met sap en water staan. Verveeld luisteren ze naar zijn uitleg over de internationale crime fight; sommigen vallen na vijf minuten in slaap.

Na een uitgebreid exposé over de laatste snufjes op het gebied van Europols war on drugs and terror, ondersteund door een indrukwekkende powerpointpresentatie, is het pijnlijk stil in de zaal. Niemand stelt een vraag, zelfs niet uit beleefdheid.

Zo geheim mogelijk

Een paar weken eerder zijn de Irakezen in Nederland aangekomen. Op uitnodiging van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Europese Unie verblijven de negen rechters en de negenentwintig hoge gevangenis- en politiefunctionarissen de komende drie weken in Nederland. De EU wil Irak ondersteunen bij het reorganiseren van het rechtssysteem en bevorderen dat de mensenrechten er worden gerespecteerd. In totaal worden bijna achthonderd Iraakse functionarissen door de Europese Unie getraind.

De organisatie van deze speciaal voor Iraakse overheidsfunctionarissen ontwikkelde cursus is in handen van het The Hague Forum for Judicial Expertise. Het Forum traint rechters uit de hele wereld. Komend voorjaar verwacht directeur Hans de Wit van The Hague Forum een groep Colombiaanse rechters en afgelopen najaar kwamen er, behalve een eerste lichting Irakezen, ook groepen rechters uit Iran, Latijns Amerika, Turkije en Afghanistan naar Nederland. De Afghanen bleken, behalve een cursus shariarecht, nauwelijks een opleiding te hebben gevolgd. Sommigen waren hun hele leven leraar geweest, tot ze op een dag uit de klas werden geplukt om rechter te worden. ‘Die onderlinge verschillen maakt het ontwikkelen van lesmateriaal lastig,’ zegt Hans de Wit. ‘Eigenlijk zouden we de cursus dáár moeten geven,’ beseft hij. ‘Misschien dat we daar deze zomer mee kunnen beginnen.’

Om te bepalen of het wel verantwoord was om al die Irakezen hier naartoe te halen, werd eerst een veiligheidsanalyse gemaakt. De conclusie was dat de missie zo geheim mogelijk moest blijven. Toen het ministerie van Defensie zo vriendelijk was de Irakezen op een bewaakte locatie ergens in Nederland onder te brengen, stond niets de komst van de delegatie in de weg.

Zootje ongeregeld

Op 11 januari arriveren ze; de cursisten deden drie dagen over hun reis en zijn nu uitgeput. Tijdens de openingsceremonie, die wordt gehouden in het leslokaal waar ze de komende weken zullen zitten, hebben sommigen zichtbaar de pest in. Ze ventileren hun ongenoegen: waarom is er geen Arabische zender op de televisie in hun kamer, willen ze weten. Hoe kunnen ze functioneren als ze niet kunnen volgen wat er in hun land gebeurt?

Tanya Mehra, een van de organisatoren, vertelt dat internet wel beschikbaar is en dat er iedere ochtend kranten voor de deelnemers zullen worden geprint. De mannen blijven boos. ‘We kiezen voor uw veiligheid,’ verzucht Mehra. ‘Dit is een militaire instelling.’

Lakens en beddengoed worden iedere dinsdag verschoond en twee keer in de week zijn er schone handdoeken, gaat ze door. Op de vierde etage staat een wasmachine, iedereen moet zelf poeder kopen en wassen. Het lokaal van de Irakezen, van wie de meesten hun jas nog aanhebben, kijkt uit op rijtjeshuizen met rode daken, drassig gras en rechte wegen. Nederland.

Na het uitdelen van het eerste zakgeld, zevenhonderd euro de man voor drie weken, gaat de hele meute naar de eetzaal voor het diner. De ruimte oogt als een bedrijfskantine, met lange tafels, eenvoudige stoelen, eenpersoonbekertjes karnemelk en afgepaste porties vanillevla. De strakgetrainde Nederlandse militairen staan bijna in het gelid voor de kipsaté met de patat frites, de Irakezen, hierbij vergeleken een zootje ongeregeld, sluiten achteraan.

De keukenhulp roept van achter de vitrine dat er voor hen speciaal halal eten is. Maar de mannen willen geen halal, de mannen willen ook patat met kipsaté. Als de keukenhulp onverbiddelijk roept dat ze door moeten lopen, druipen de Irakezen teleurgesteld af naar hun halal hoekje.

Alle rechters eten samen aan één tafel, de meesten zijn halverwege de veertig en werden in de nadagen van Saddam Hussein bij de rechtbank geïnstalleerd. Natuurlijk zijn ze blij dat hij weg is, zeggen ze, en nee, ze hebben nooit met hem gesympathiseerd. ‘We trokken ons zo weinig mogelijk aan van alles wat er gebeurde,’ zegt een van hen. ‘Wij deden wat we moesten doen, wij spraken recht.’

Aan de belendende tafel zitten de vijf vertegenwoordigers van het gevangeniswezen, onder wie twee vrouwen: Zakia en Malika. Altijd zijn ze samen, ze zitten naast elkaar in de les, in de bus en aan tafel. Ze werken in dezelfde gevangenis en zijn daar verantwoordelijk voor de zorg aan gedetineerden. Twee op een cel is in Irak niet echt een issue, vertellen ze. In Iraakse gevangenissen is het heel gewoon om jarenlang met honderd man in één ruimte gevangen te zitten. Vanwege de grote aantallen terroristen en criminelen zitten veel gevangenen langdurig zonder vorm van proces vast. Iedere week gaat Malika alle gevangenen langs om te noteren wie er nog voor de rechter moet verschijnen.

Beide vrouwen hebben opgroeiende kinderen in de leeftijd van elf tot eenentwintig jaar en ze zijn, net als bijna alle delegatieleden, voor de eerste keer in hun leven buiten Irak. Malika, met haar donkere ogen en vriendelijke glimlach, werkte vroeger in de beruchte Abu Ghraib gevangenis, waar Amerikaanse soldaten Iraakse gevangenen martelden. Zij probeerde het leven van de gevangenen zo leefbaar mogelijk te maken. Toch werd ze vaak bedreigd omdat ze zou heulen met de Amerikanen. Daar trok ze zich zo weinig mogelijk van aan. Pas toen de personeelsbus waarin ze iedere dag naar haar werk reisde, door een stel terroristen werd gekaapt en ze met de dood werd bedreigd, vroeg ze overplaatsing aan.

De vrouwen kijken verlegen om zich heen. Ze vinden het eenvoudige, grijze stenen gebouw waar de cursus wordt gegeven prachtig, zeggen ze, en het eten heerlijk. Als we later op de avond afscheid nemen op de donkere parkeerplaats, kijkt Malika me vragend aan: ‘Welke taal wordt er in Nederland eigenlijk gesproken?’

Even uit de ellende

Het verzoek om rechters, politiemensen en gevangenispersoneel te trainen, kwam vanuit Bagdad. De nieuwe machthebbers willen dat deze drie partijen meer samen gaan werken. Nu wantrouwen ze elkaar te veel. De rechters vragen zich af of de politie wel voldoende is toegerust voor haar taak – na de val van Saddam werden veel politiemensen de laan uitgestuurd en het nieuwe korps wordt nu weer met veel moeite opgebouwd. Bovendien klagen de rechters dat de politiemensen te veel hun eigen gang gaan en dat ze niet voldoende met de rechters communiceren. Tijdens de eerste cursus, dit najaar, zaten de rechters altijd apart; eigenlijk vonden ze het maar onwaardig om samen met het politievolk een cursus te moeten volgen.

De organisatoren weten niets over het verleden van de deelnemers. De vraag wat ze deden toen Saddam nog aan het bewind was, wordt uit pragmatische overwegingen niet gesteld. De nadruk van de cursus ligt op de toekomst. ‘Ik hoop vooral dat mensen hier reflecteren op wat ze in Irak doen, nu ze even uit de ellende zijn,’ zegt Forum-directeur De Wit.

De komende weken zal het vooral gaan over het belang van een goed rechtssysteem en de ethische dilemma’s die de Irakezen dagelijks in hun werk tegenkomen. In de vorige groep zat een gevangenisdirecteur die de moordenaar van zijn vader en nichtje in een van zijn cellen had zitten. ‘En jullie verwachten van mij dat ik me druk maak om zijn rechten,’ had hij geroepen.

De tweede dag van de cursus zitten de Irakezen, koptelefoon op, netjes achter hun tafeltje, de uitgedeelde blocnotes en pennen voor zich op tafel. Via de NATO ingehuurde tolken, die achter in de klas in een speciaal gebouwd hokje zitten, zullen de lessen de komende weken goed te volgen zijn.

De atmosfeer in het leslokaal is ontspannen. Docente internationaal recht Karin Arts staat voor de klas, de Irakezen luisteren ingespannen als ze de Al-Skeini-zaak uitlegt: zes Iraakse burgers die door Britse troepen werden gedood. Vijf werden door militairen doodgeschoten, de zesde stierf in Britse gevangenschap. Bovendien bestond het vermoeden, vertelt Arts, dat hij was gemarteld. Uiteindelijk zijn de Britten in hun eigen land voor de rechtbank gebracht.

‘Was er bewijs dat hij was gemarteld?,’ vraagt iemand. ‘Kunnen Amerikanen ook worden vervolgd voor wat ze in Irak uitspoken?’ wil een ander weten.

‘Juist omdat het onmogelijk is om buitenlandse troepen in Irak te vervolgen,’ zegt Arts – hun immuniteit was voorwaarde voor hun aanwezigheid – ‘is deze zaak, waarbij het met behulp van buitenlandse advocaten wel lukte de Britten verantwoordelijk te houden voor hun daden, zo’n belangrijk precedent.’

De aanwezigen laten de informatie even bezinken. Dan komt er een vraag die Arts niet kan beantwoorden: ‘Wie bepaalt wanneer de bezetting over is?’ En nog eentje: ‘Omdat de Amerikanen niet worden vervolgd, plegen ze steeds meer misdaden, dat is toch schending van mensenrechten?’ De hoogste politiefunctionaris neemt Arts in de pauze even apart: ‘Wat er in Irak gebeurt is zo erg,’ zegt hij hoofdschuddend. ‘Ik ben benieuwd of ik de vrede nog zal meemaken.’

Na afloop van haar les komen er achtendertig foto- en filmtoestellen tevoorschijn. Alle aanwezigen willen samen met Karin Arts vereeuwigd worden.

Het echte leven in

Na de lunch mag iedereen de bus in, op naar het Vredespaleis. Onderweg wordt er non stop gefilmd, de grote weg, de auto’s, de bomen, alles moet voor het thuisfront worden vastgelegd. In de prachtige, stoffige zaal waar eens per jaar de vertegenwoordigers van de lidstaten van de Volkenbond bijeen komen, wordt meteen naar de Iraakse stoel gezocht. Hij staat er, tussen die van Australië en de Dominicaanse republiek.

Een van de cursisten, Khalid – hij lijkt zeker zeventig, maar naar zijn eigen zeggen is hij zevenenvijftig – heeft een heel oud fototoestel bij zich, dat hij niet weet te bedienen. Nog geen twee weken geleden werd zijn schoonzoon in Bagdad gekidnapt en vermoord. Als een gebroken man loopt hij tussen de anderen in, meestal sluit hij zich bij de twee vrouwen in het gezelschap aan. Hij vraagt me hoe hij de volgende keer aan een visum voor Nederland kan komen. Het liefst voor zijn hele familie. Khalid kijkt naar de blauwe lucht en zegt zachtjes: ‘Wie wil hier nou niet leven?’

Abbas, een kleine, gezette man en de hoogste gevangenisfunctionaris uit het gezelschap, kijkt vermoeid. Het levensritme is hier zo anders, klaagt hij. Thuis luncht hij pas om drie uur ’s middags en ’s avonds eet hij ook heel laat. ‘Ik weet daar alleen nooit of ik levend thuiskom,’ sombert hij.

Op de terugweg stopt de bus in het centrum van Den Haag, pal tegenover de Tweede Kamer. Een groep van ongeveer tien man wil het echte leven in. Als een groep jonge honden rennen ze richting het zondige leven in de cafés.

Malika en Zakia kijken de mannen meewarig na. Met z’n tweetjes de stad intrekken is voor de vrouwen geen optie. Hun gedrag zo ver van huis mag onder geen beding aanleiding geven tot geruchten. Malika vraagt me of ik denk dat ze een goede opleiding heeft. Kennelijk is ze bang dat ik haar niet op de juiste waarde taxeer. Als ik wil weten of ze ook werkte toen haar kinderen klein waren, begrijpt ze mijn vraag niet. Mijn kinderen werken niet, zegt ze. ‘Kinderarbeid komt alleen bij arme families voor.’ Haar vriendin Zakia eet stilletjes haar brood op. Ze heeft een moeilijke tijd achter de rug: ook haar schoonzoon werd vermoord. Zijn uitgebrande auto werd langs de kant van de weg gevonden. Nu woont haar dochter weer thuis, ze zorgt deze weken voor de andere kinderen. De man van Zakia mist haar verschrikkelijk, vertelt ze, hij kan alleen maar huilen als ze hem belt. Zo lang zij er niet is, slaapt hij op de grond, hij kan de lege plek naast hem in het echtelijk bed niet aanzien.

Dit is vrijheid

De volgende dag, hun eerste vrije zaterdag, zijn de stappers doodmoe van hun uitspattingen de vorige avond. Mahmut lacht heimelijk. Hij weet niet meer hoe laat hij thuis was. ‘Drie uur? Vijf uur? Zeven uur? Wat maakt het uit! Het was geweldig,’ zegt hij. ‘Ik heb leuke vrouwen ontmoet en we zijn teruggebracht in een Mercedes. Waarom zou ik het niet doen? Dit is vrijheid!’

Tijdens de busreis naar Rotterdam – er staat een boottocht door de haven op het programma – zit Mahmut een beetje te dommelen. Op de boot worden de passagiers via een videoboodschap door burgemeester Opstelten welkom geheten in, zoals hij zegt, Manhattan aan de Maas. ‘Maar dit is toch de Donau?’ vraagt Malika verbaasd.

Gevangenisdirecteur Abbas zit wat apart, hij probeert zijn vrouw te sms’en maar heeft geen bereik op het water. We tuffen langs de havencontainers, Abbas is nauwelijks geïnteresseerd. Hij zucht. ‘Eigenlijk wilde ik helemaal niet komen. Wie organiseert zo’n reis nu tijdens het slachtfeest? Jullie volgen toch ook geen cursus tijdens de kerstdagen?’ Zijn vrouw praatte op hem in, zei dat het hem goed zou doen om er even uit te gaan.

‘Nu ik hier eenmaal ben, gaat het wel, ik heb een simkaart met goedkope belminuten.’ Hij vertelt dat hij een boek in zijn kamer heeft waarin staat hoe je met gevangenen moet omgaan. Het is gesigneerd door Jack Straw, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, die zijn gevangenis bezocht. ‘De boodschap van Straw was: het allerbelangrijkste in een gevangenis is goed personeel. Ons probleem is,’ zegt Mahmut, ‘dat we nauwelijks fatsoenlijke mensen kunnen krijgen, we betalen niet genoeg. In het leger en bij de politie verdien je veel beter.’ Hij buigt naar voren: ‘Vertel eens, zijn de joden hier in Nederland ook zo rijk?’ Hij geeft zelf het antwoord: ‘Vast. Net als overal ter wereld.’

In restaurant Bazar, waar de groep een Arabische lunch gaat nuttigen, staat op iedere tafel een dichte fles wijn. Mahmut pakt meteen opgewonden de fles en vraagt de bediening hem te openen. ‘Hij heeft thuis twee vrouwen,’ zegt groepsbegeleider Ali later verontwaardigd. ‘En het enige waar hij in geïnteresseerd is, zijn drank en vrouwen.’

De lunch verloopt geanimeerd. Mijn buurman, een hoge politiefunctionaris, kijkt naar andere restaurantgasten die op de eerste verdieping aan het eten zijn. Hij wijst een tafeltje aan waar een man en een vrouw zitten. ‘Zijn zij getrouwd?’ wil hij weten. ‘Of zijn ze vriend en vriendin? Mag dat hier, uitgaan met iemand anders dan je vrouw?’ Dat de zonde zo openlijk mag worden bedreven, kan hij zich niet voorstellen.

De steeds luidruchtiger Mahmut wordt na zijn tweede glas wijn openlijk gekapitteld door een van zijn reisgenoten. ‘Gisteren liep je nog met een koran over de gang. Hoe kun je dat verenigen met je gedrag nu?’ Mahmut barst in bulderend gelach uit. ‘Ik neem het ervan, nu leef ik nog, misschien ben morgen wel dood.’ Mahmut, een robuuste man met grote snor en een bruine plek van het bidden op zijn voorhoofd, is commandant van vijf politiestations in het bloedigste deel van Bagdad. Iedere dag vertrekt hij, omringd door zijn bewakers, om zeven uur naar zijn werk, telkens in een andere auto, nooit in zijn uniform. Dat hij nog steeds leeft, is toeval, zegt hij laconiek. Twintig van zijn mensen kwamen de afgelopen jaren bij bomaanslagen om het leven.

Geavanceerde wapens

De Irakezen vinden de bezoeken aan de gevangenis en aan de politieacademie interessanter dan de vele uitweidingen, door behartigenswaardige sprekers, over de rechten van de mens in het algemeen en die van de verdachte in het bijzonder. Met name de politie is geïnteresseerd in concrete hulp, zoals geavanceerde wapens, auto’s en computers, vertelt Rien de Hart van de politieacademie, die samen met The Hague Forum de cursus organiseert. ‘Ze willen net als wij tijdens het patrouilleren een kenteken van een verdachte auto kunnen controleren. Terwijl het belangrijker is dat ze een fatsoenlijk opsporingssysteem hebben.’

Flauwekul, vinden de politiemannen. Als die terroristen er niet waren, hadden ze een goed draaiend politiekorps. Bovendien, benadrukken de rechters, zou Nederland nog heel wat van hun systeem kunnen leren. ‘De kwaliteit van de rechtsgang is bij ons beter gewaarborgd,’ zegt rechter Al Husaini tijdens het avondeten trots, ‘omdat wij overal met onze neus bovenop zitten. Wij laten het onderzoek niet aan de politie over; zij doen alles in onze opdracht.’ In feite heeft de rechter in Irak veel meer macht dan hier, de openbare aanklager is niet onafhankelijk en een advocaat mag alleen met toestemming van de rechter getuigen horen.

Hun grote zorg is niet het systeem, zeggen ze, maar de grote chaos in Irak. De aanhoudende explosies, de schietpartijen, wildwesttaferelen die iedereen voortdurend meemaakt. ‘Iedere dag vraag ik me af of ik levend op mijn werk aankom,’ zegt rechter Massoud, een vriendelijke man van begin veertig, altijd gekleed in een mooi pak met daarover een camelkleurige jas. ‘Het is verschrikkelijk in Irak. De burgers richten hun boosheid nu ook op ons, de rechters, wij zijn in hun ogen toch onderdeel van het nieuwe systeem en we werken soms samen met de Amerikanen. Toch zetten we door. Als wij het land niet opbouwen, wie doet het dan wel?’

‘Waarom gedragen de Amerikanen zich toch zo onbeschoft?’ vraagt Al Hakim, een andere rechter, zich hardop af. Zijn huis werd de afgelopen tijd drie keer door de Amerikaanse soldaten doorzocht. Bovendien werd niet alleen zijn wapen in beslag genomen, maar ook de pistolen van zijn bodyguards. ‘Ze weten dat ik rechter ben en dat ik een wapen mag hebben,’ zegt hij verontwaardigd. ‘Heb je een klacht ingediend?’ vraagt een van zijn collega’s. ‘Ja natuurlijk,’ zegt hij schamper. ‘Denk maar niet dat je daar ooit nog iets over hoort.’

Maar ook al hebben de rechters, net als de politiemannen, een grondige hekel aan de Amerikanen, ze willen toch niet dat de allied forces meteen vertrekken. Zolang er voortdurend aanslagen zijn – een van de rechtbanken werd al drie keer door terroristen bestormd – moeten de Amerikanen wel blijven.

Over individuele zaken praten de mannen niet. ‘In verband met de rechten van de verdachte,’ zegt een van hen plechtig. Ze behandelen zowel civielrechtelijke zaken als strafzaken, vertellen ze. En ze hebben het erg druk. Het aantal terroristen dat ze moeten berechten, is aanzienlijk. ‘Maar wat wil je in een land waar weinig hoop is voor opgroeiende jongens uit arme families,’ zegt Massoud. ‘Die worden gerekruteerd door buitenlandse terroristen, zij maken ons hele land kapot.’

Een democratie kan niet zonder een goed functionerend rechtssysteem, houdt Frans Bauduin zijn gehoor op maandag 16 januari voor. Maar ondanks zijn indrukwekkende staat van dienst – hij deed het proces tegen Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn, hij is vice-president van de Amsterdamse rechtbank en sinds kort ook rechter bij het Joegoslavië Tribunaal – kan hij de Irakezen niet boeien. Zijn verhaal is afstandelijk, abstract. Veel over internationale verdragen die de rechten van de mens moeten waarborgen. Ook benadrukt hij het belang van de onafhankelijkheid van de rechter, anders vertrouwt de burger je niet. Als je het goed doet, zegt Bauduin, zal je omgeving het niet altijd met je eens zijn. Hij vertelt niet over de rechtszitting van Van der G., en ook niet dat hij zelf werd bedreigd omdat de volgelingen van Fortuyn de straf die hij Van der G. oplegde – achttien jaar – niet voldoende vonden.

Terrorisme, vindt Bauduin, is vooral een bedreiging van de rechten van de mens. Integriteit, legt hij zijn onderuitgezakte gehoor voor, kun je niet aanleren. ‘Dat zit in jezelf.’

Coupe soleil

Het is de tweede week. Gevangenisdirecteur Abbas heeft een cd-rom in de wacht gesleept waarop alles staat over het Nederlands gevangenissysteem. ‘Nu hebben we niet langer alleen informatie van de Amerikanen,’ zegt hij bijna juichend. ‘En hoeven we niet langer naar hun pijpen te dansen.’

Het resterende deel van het zakgeld wordt uitgedeeld, buiten is het regenachtig, in de verte knapt het op. Mahmut, de man die elke nacht de stad ingaat, ziet er moe uit. Hij raakt niet blut, zegt hij, want hij heeft veel geld bij zich. ‘Mijn vrouw verdient genoeg,’ zegt hij lachend, ‘ze is tandarts.’

Een van de rechters is in het ziekenhuis opgenomen, hartritmestoornissen. Malika zegt dat het komt omdat hij veel te mager is – hij eet niet goed, thuis had hij ook al last van zijn hart. De dokter is erg in trek bij de Irakezen. Als hij spreekuur heeft in het militaire complex, staat er een ellenlange rij wachtenden in de gang. Iedereen heeft wel een kwaaltje of een vraag. Een van de politiemensen krijgt een groot pakket van familie uit Duitsland, hij spring een gat in de lucht, allemaal medicijn om mee terug te nemen naar Irak.

Op de begane grond van het gastenverblijf is een ongezellig, slecht verlicht zithoekje ingericht waar de vrouwen hun avonden doorbrengen. Ook als er een film wordt vertoond elders in het gebouw, blijven ze hier. ‘Ik vind het niet prettig om daar met allemaal mannen te zitten,’ legt Malika uit. ‘En als er in de film wordt gezoend, voel ik me helemaal ongemakkelijk.’ Zakia wil me haar coupe soleil laten zien en doet haar hoofddoek af. Ze heeft mooi blond haar, met daarin lichte strepen. De vrouwen willen weten hoe duur een Nederlandse kapper is. Zakia wil haar gezichtshaar laten verwijderen, misschien weet ik een goede schoonheidssalon? Ze schrikken van de prijzen hier, in Irak is het vele malen goedkoper om je haar te laten knippen of je gezicht te laten masseren.

De Amerikanen hebben het huis van Malika al meer dan twintig keer overhoop gehaald, vertelt ze, de soldaten waren op zoek naar wapens. Verontwaardigd vertelt ze dat ze laatst zelfs midden in de nacht binnenstormden: ‘Toen ik open deed, keek ik zo in de loop van een geweer.’ Van Malika mogen alle Amerikanen Irak nu meteen verlaten. ‘Als we een sterke regering hebben, kunnen we het op eigen kracht.’

Heel erg soft

De hoogste politiefunctionaris van het gezelschap is Mohammed Hussein, vroeger generaal in het leger en afkomstig uit Tikrit, de geboorteplaats van Saddam Hussein. Natuurlijk was hij lid van de Baath-partij: ‘Dat was toch iedereen? We deden alles om Sadam weg te krijgen, maar dat was niet makkelijk.’ Hussein is een toegewijde cursist, hij stelt bij iedere presentatie vragen die soms wel tien minuten duren.

We zitten in de eetzaal en Hussein vertelt dat in zijn regio de onderlinge stammenstrijd wat is afgenomen. ‘We praten met elkaar,’ zegt hij. ‘We proberen het vertrouwen van de bevolking te winnen.’

Van de Amerikanen hebben de mensen in Tikrit vooral last, zegt hij. ‘Ze gedragen zich nog steeds als bezetter. Zodra ze ons meer verantwoordelijkheid geven, zal het beter gaan. Als we nu terroristen oppakken, dragen we ze niet langer aan de Amerikanen over. We berechten ze zelf,’ zegt hij tevreden. ‘Daarom zijn er de laatste maanden ook minder aanslagen op politiebureaus.’

Hussein is zeer te spreken over de cursus. Maar groepsbegeleider Ali heeft het idee dat het opdringen van democratie niet werkt: ‘Eigenlijk zouden alle vijfentwintig miljoen Irakezen hier een jaar moeten wonen.’

Officier van justitie Oebele Brouwer uit Groningen vertelt zijn gehoor een paar dagen later dat je in Nederland ook tot een taakstraf of verplichte agressietrainingen kunt worden veroordeeld. Verbijstering alom. ‘Maar denk niet dat Nederland een vakantiepark is,’ zegt Brouwer snel. ‘Voor bijvoorbeeld verslaafden is taakstraf geen pretje, ze moeten plotseling structuur aan hun leven geven, voor hen is dat een straf.’

De Irakezen rollen van de ene verbazing in de andere. In hun ogen is Nederland toch wel heel erg soft.

Dat laten ze niet merken als ze op de laatste dag schriftelijk antwoord moeten geven op twee vragen: waaróm worden mensenrechten geschonden? En: hoe kunnen we voorkómen dat mensenrechten worden geschonden?

Leden van de Europese Commissie wonen deze sessie bij. ‘Draaiden ze bij de politiekcorrecte antwoorden die ze gaven niet iets te netjes hun ingestudeerde lesje af?’ vraagt een van hen zich bij de evaluatie af.

De Irakezen wandelen intussen buiten, sigaret in de hand. Ze vonden het bijzonder, hun tijd in Nederland, zeggen ze, maar ze missen Irak. De jongste van het stel, de donkere Hassan, majoor bij de politie, vertelt dat hij hier tevergeefs naar een meisje heeft gezocht. ‘Ze wilden allemaal met me praten, maar ik spreek slechts een paar woorden Engels.’

Malika valt het afscheid zwaar. ‘In Irak ben ik altijd bang, altijd,’ zegt ze. ‘Het is moeilijk om weer terug te gaan.’

Ter bescherming van de cursisten zijn hun namen gefingeerd.