Het gesprek
Op het afgesproken uur komen ze binnen in de bovenzaal van de Amsterdamse Brasserie van Baerle en of het nu komt door de Depardieu-maskers die daar al klaarliggen voor de fotosessie (ideetje van de artdirector), het gaat meteen over de illustere maître. Ze zijn het eens over zijn onvermijdelijkheid, die nu weer hevig opspeelt: vanaf 9 januari is hij te zien in Tour de France, waarin hij een oude reactionaire man speelt die met een rapper op stap gaat, en die al hijgerig gehypet wordt als de nieuwe Intouchables. En volgend jaar begint het tweede seizoen van de politieke Netflix-serie Marseille, waarin hij de getergde burgervader van die wereldstad vertolkt. De man heeft kortom vele gezichten, maar wil de échte Depardieu (1948) opstaan?
Bram Peper (1940) is vooral geporteerd van een vroege Depardieu, de wufte klassieker Les valseuses. En hij ziet de bui in dit interview al hangen, want net als de door Depardieu in Marseille vertolkte, coke snuivende burgemeester was ook hij een burgemeester van een grote havenstad die met politiek verraad te maken kreeg. Michiel Romeyn (1955) zou Depardieu graag eens spelen, zegt hij, juist met die té schmierende kant van hem als in diens Obelix-rol. Of anders zo’n proleterige, politiek foute schoft als in Mesrine, die hij zo waarachtig kan verbeelden. Hafid Bouazza (1970) verkiest de duistere Depardieu, zijn seks-, drank- en drugsbeluste Dominique Strauss-Kahn-creatie uit Abel Ferrara’s Welcome to New York: ‘Hij moest zich in die film helemaal uitkleden. Dat lichaam heeft iets majestueus, en hij krijgt iets dierlijks; hij ademt heel luid, grommend.’
Of de heren een Depardieu-bordje voor hun gezicht willen houden, luidt het verzoek. Er knapt iets bij Bouazza.
De fotosessie onderbreekt dit spontane gesprek. ‘Godverdomme, passen we wel op die foto?’ reageert Romeyn. Bouazza zegt: ‘Dankzij mij kan niemand zeggen: daar zitten drie zware witte mannen.’ Maar dan. Of de heren een Depardieu-bordje voor hun gezicht willen houden, luidt het verzoek. Er knapt iets bij Bouazza: ‘Nee. Vroeger deed ik van alles op commando, dan ging ik voor een foto op mijn hoofd staan. Ik heb mezelf beloofd dat nooit meer te doen.’ Peper en Romeyn laten ook hun pingpongbatjes met de kop van Depardieu erop zakken.
Zelfbedacht Zweeds
Aan tafel begint Bram Peper direct een met jaartallen, boekverwijzingen en persoonsnamen gekruide monoloog over een levensfase van lang geleden, die hij doorbracht op een kleine Noorse boerderij in dienst van een boer met acht stuks melkvee. Dat verhaal zet hij op zeker moment voort in het Noors. De serveerster komt en druipt onverrichter zake af, want inmiddels weerkaatst Romeyn Pepers Noorse alleenspraak met zelfbedacht, natuurlijk klinkend Zweeds. Puur Jiskefet.
Halverwege het voorgerecht blijkt dat Peper niet zomaar begon over die idyllische tijd in Noorwegen. Ooit, in de gerieflijke periode dat hij hoogleraar economische sociologie aan de Erasmus Universiteit was en ‘amateurpoliticus in het dagelijks bestuur van de Partij van de Arbeid’, een plaats op een Noors wetenschappelijk instituut geregeld. Hij zou daar een geleerd boek schrijven, en toen ging de telefoon. Of hij burgemeester van Rotterdam wilde worden. Zestien jaar deed hij dat, met alle problemen van dien: drugsoverlast, voetbalhooliganisme, extreemrechts en ultralinks activisme, en uiteindelijk de bonnetjesaffaire die hem als minister de kop kostte. Na lang procederen werd hij gerehabiliteerd, maar zijn politieke loopbaan was toen voorbij. En dat wat hij het politiek verraad van toen noemt, ja, ja, Marseille, eerst partijgenoten die bij Wim Kok aandrongen op zijn aftreden als minister, later het hem aanbieden van het voorzitterschap van de SER om hem politiek kalt te stellen, ervaart hij nog steeds als een open wond. Hoe anders had het kunnen lopen als hij nee had gezegd op dat kruispunt der wegen in zijn bestaan, toen Noors levensgeluk in het verschiet lag. Peper, gelaten: ‘Ik kreeg te horen: de stad heeft nu iemand nodig als jij.’
Op de vraag van de interviewer of híj de stad ook nodig had, zegt hij geëmotioneerd: ‘Néé, ik was bezig een jaar te gaan studeren in Noorwegen, ik had het concept van een boek.’ Hij valt stil, zegt dan: ‘Je kan nee zeggen, ja. Ik denk vaak terug aan dat moment. Maar ik heb altijd de neiging gehad iets te doen wat ik niet eerder heb gedaan.’
Bouazza wil weten: ‘Is de literatuur een goede schrijver aan je kwijtgeraakt?’ Peper, beslist: ‘Nee, ik was wetenschapper.’ Bouazza: ‘Dat was Nabokov ook.’ Peper: ‘Ik heb weleens gedacht: als ik Nooit meer slapen had geschreven van W.F. Hermans of zijn De donkere kamer van Damokles, dan was mijn leven geslaagd geweest. Eén boek…’
Ik ben het stadium allang voorbij dat ik iemand anders wil zijn. Het hoort bij de inbeelding uit je kindertijd.
Proleten aan de zelfkant
Het zal je maar gebeuren, zo’n levensveranderend telefoontje krijgen. Wat is wijsheid? Romeyn zucht vervaarlijk: ‘Geen idee hoe dat zou moeten, het burgemeesterschap. Het lijkt mij de hel.’ Bouazza: ‘Ik zou het niet willen. Mijn leven richt ik er juist op in om niet door anderen geleefd te worden, om vrij te zijn. Politiek is niks voor mij, om de simpele reden dat je daarin compromissen moet sluiten. Als schrijver en als opiniemaker hoef ik met geen belang rekening te houden. Meer dan de politiek fascineert mij de rechterlijke macht, ik zit aan de buis gekluisterd bij het Wilders-proces. Het eerste met Moszkowicz om de retoriek, het tweede met Knoops om de techniek.’ Romeyn deelt die interesse in de rechtspraak, zij het met betrekking tot topcriminelen. Zo bezocht hij de zittingen van de rechtbank Schiphol-Oost in de zaak Holleeder en trof daar dankbaar materiaal voor sketches. ‘Mijn fascinatie voor liquidatieplekken begon met Telegraaf-achtige sensatiezucht. Toen Cor van Hout werd neergeknald, dacht ik: ik moet dat zien. Ik maakte foto’s precies van de plek waar hij met zijn hoofd lag om zijn laatste adem uit te blazen. Zo begon dat project. Ik heb het altijd leuk gevonden personen te spelen aan de onderkant van de samenleving, liefst proleten aan de zelfkant, maar deze fascinatie was meer duister. Dan zie je in zo’n aquarium Holleeder zitten, ja edelachtbare, natuurlijk edelachtbare. Laat je ’m op straat los, dan zou hij zeggen: iksnijjekoperafviezevuiletyfuslijer.’
Bram Peper trommelt tijdens deze verhalen met zijn vingers op de tafel, want hij verwijlt ernstig bij het ambt dat zijn leven blijvend kleurde: ‘In deze tijd zou ik nooit meer burgemeester kunnen zijn. Je moet door allerlei commissies goedgekeurd worden. Ik ben principieel voor een door het volk te kiezen burgemeester. Ik heb mij direct na mijn rehabilitatie verkiesbaar gesteld als burgemeester, maar dat was een pesterijtje. Ik wist dat dat nooit zou gebeuren.’ Bouazza maakt vervolgens korte metten met dromen over een ander bestaan: ‘Ik ben het stadium allang voorbij dat ik iemand anders wil zijn. Het hoort bij de inbeelding uit je kindertijd. Ook Depardieu niet, al spreken zijn rijkdom en zijn avonturen met drank, drugs en vrouwen mij aan.’

Intimiteit met een vrouw
De kritiek op Depardieu barst los. Ook al acht Peper het Franse belastingtarief idioot hoog, hij zou er nooit zijn nationaliteit voor opgeven, zoals Depardieu deed. Bouazza ziet zich evenmin als mascotte van Poetin, iets wat Depardieu zich na zijn belastingvlucht gretig liet aanleunen. Je gaat Nederland niet inruilen voor een dictatuur, daarover zijn ze het eens. ‘Maar je bezoek aan Cuba dan, Bram,’ informeert Bouazza. Peper benadrukt dat hij altijd een anti-communist is geweest en zich nooit liet gebruiken als fellow traveller. Bovendien waren die toespraken van Fidel niet te doen, urenlang moest hij die aanhoren in een stadion. Stop maar, had hij na drie uur tegen zijn tolk gezegd, ik geloof het wel.
‘Wil je echt niet een ander zijn?’ fronst Romeyn tegen Bouazza. ‘Nou vooruit,’ antwoordt die half gekscherend, ‘pornoacteur.’
‘Wil je echt niet een ander zijn?’ fronst Romeyn tegen Bouazza. ‘Nou vooruit,’ antwoordt die half gekscherend, ‘ik had pornoacteur willen worden. Maar er is een groot bezwaar: veel pornoacteurs plegen zelfmoord. Ze kunnen nog wel neuken, maar geen intimiteit met een vrouw meer krijgen. Afschuwelijk.’ Peper haakt aan: ‘Ik kom uit een arbeidersmilieu, waar gezegd werd: stuur hem niet naar de mulo, dan wordt het zo’n meneertje. De ambachtsschool was goed genoeg. Gelukkig was de vrijer van mijn tante een hts’er, hij zei: stuur hem naar de hbs, want hij kan goed leren. Dat was een gelukkige keuze; je intelligentie neemt toe naarmate je hard werkt om de achterstand in te lopen en naarmate je in andere milieus komt waar meer ontwikkeling is. Mijn vader was metaalarbeider, hij is op zijn zesenveertigste aan alvleesklierkanker overleden. Ik was vierentwintig, woonde lang thuis: op kamers gaan kon ik als student niet betalen. Als er toen een mecenas was geweest die mijn huur had betaald plus honderd gulden erbij, was ik in Wageningen gaan studeren. Landbouwchemie. Bodemkunde. Verwering.’
De eerste proleet
Michiel Romeyn knikt instemmend na deze bekentenissen, zegt dan: ‘Ik denk elke dag: had ik dát maar gedaan. Dan loop ik het Stedelijk binnen en dan denk ik: was ik maar een goede schilder, een goede tekenaar. Concentratie was mijn probleem: leren was niks voor mij. Ik heb de Rietveld Academie gedaan in een heel vervelende tijd, met Den Uyl en hippies: alles moest bespreekbaar zijn – klootzakkerij. Conceptuele kunst gaf gelukkig lucht, met Ger van Elk en Wim T. Schippers. Het was verder allemaal goedbedoelde Jan Wolkers-kunst, met fluorescerende verf beschilderde etalagepoppen – troep. Toen ik na vier jaar klaar was, zei een leraar: nu moet je naar de Vlaardingenlaan gaan en een uitkering aanvragen. Dat is toch niet mijn toekomst, dacht ik. Kunst ging naar een overheidsorgaan, pakhuizen vol. Dát wilde ik niet.’
Na een gulle slok chablis zegt hij: ‘Alles wat ik gedaan heb en nog steeds doe, op de televisie, als acteur en beeldend kunstenaar, moet beantwoorden aan mijn stelregel dat het voor mij urgent moet zijn om te maken. Ik heb in sketches vaak woedende en agressieve figuren nagedaan, omdat ik aan anderen wil uitleggen hoe die proleten in elkaar steken. Ik ben ook geen acteur in die zin, eerder een tekenaar. Mijn vader – hij is net overleden – zei al: je speelt je eigen tekeningen na. Het zijn niet de leuksten, maar de meeste mensen zijn ook niet aardig.’
Ik heb in sketches vaak woedende en agressieve figuren nagedaan, omdat ik aan anderen wil uitleggen hoe die proleten in elkaar steken.
Tot het collectieve geheugen behoort de Jiskefet-sketch waarin een proleet in de keurige Haarlemse boekhandel De Vries om een boek komt vragen voor zijn vriendin. Een boek met een open einde, want daar houdt ze van. Zo ontstaat hier bij het nagerecht de situatie dat Michiel Romeyn, die de proleet vertolkte, mindere imitaties van zijn eigen creatie moet aanhoren. Hij licht toe: ‘Ik had zo’n kerel boven mij wonen en ik kon dat niet aan, steeds die dreigementen dat hij het licht uit mijn ogen ging slaan. Hij was de eerste proleet die ik leerde kennen, inmiddels hebben ze Amsterdam overgenomen. Het begon ermee dat altijd zijn autootje op de hele stoep schoof. Ik wil wel graag wat huur, buurman, zei ik. Sjongejongejonge, zei-ie dan, zijn er niet wat belangrijker dingen in het leven? En, dan heel dichtbij komend: tjezus, wat een klootzak. Nou ja, laat ook maar buurman, zei ik dan maar.’
https://www.youtube.com/watch?v=pNlA5YRDMag
Hij valt even stil, zegt dan: ‘Je moet zo iemand helemaal worden. Het begint met een situatie: een plein waar niks gebeurt, pal voor het Ajax-stadion. Daar staat een jongetje met een voetbaltas. Dat beeld vind ik al zo mooi, bijna een tekening van Peter van Straaten. Ik speel daar een voetbalvader die zijn niet-geselecteerde zoontje enorm op zijn flikker geeft: weet je dat je papa heel verdrietig heb gemaakt? Zestien jaar lang hebben we Jiskefet gemaakt, elke keer moest de lat van ons weer hoger.’ Waarom zien we zoiets als Jiskefet niet meer op de televisie, wil Peper weten. Je komt er niet meer tussen, zegt Romeyn. ‘De oester is gesloten, we leven in de eeuw van de vertrutting. Dat hele televisielandschap is door netmanagers en Vinex-wijkachtige types gekoloniseerd. Jiskefet zou niet meer kunnen in deze tijd waarin je een waarschuwingsbordje omhoog moet houden als je ironisch bent.’
De verbazing aan tafel is groot: horen we het goed? Romeyn verklaart: ‘Als we nu, in deze tijd waarin Zwarte Piet niet meer mag, met Oboema de witte bosneger aankwamen, zou dat niet meer kunnen. Oboema was voor mij een geweldige manier om dat agogengelul uit de jaren zeventig en tachtig op de hak te nemen, dat: ik ben oké en jij bent oké-gewauwel, en de neiging toen om álles te duiden. Oboema wendt zich steeds tot de kijkers om van alles uit te leggen.’ Met de door nauwelijks getemperde agressie onvaste stem van Oboema zegt hij: ‘Zij heeft een soort recalcitrant gedrag, omdat ik nu een biertje heb gedronken.’ Lachend: ‘En als José niet wilde luisteren, schopte Oboema het interieur aan gort. Er zat een enorme agressie in die toenmalige duidingscultuur, door Oboema te zijn ben ik dat trauma kwijtgeraakt.’
Jiskefet zou niet meer kunnen in deze tijd waarin je een waarschuwingsbordje omhoog moet houden als je ironisch bent.
Je lever is nog oké?
‘Als ik dit zo hoor, ben ik een zondagskind,’ zegt Bouazza. ‘Ik kan nog steeds, vanaf mijn debuut in 1996, de boeken maken die ik wil, van romans tot vertalingen van Arabische poëzie. Ik kom uit een gezin van zeven uit het dorp Arkel. Vanaf 1988 woon ik in Amsterdam en vanaf de eerste dag dat ik hier wakker werd, voelt dat als een geestelijke bevrijding. Ik maakte meteen makkelijk contact, terwijl ik op de middelbare school pathologisch verlegen was.’ Romeyn vraagt dringend: ‘Hoe is het met de alcohol?’ Bouazza, vrolijk: ‘Nou, mijn leverarts is best tevreden. Maar wat weten die artsen nou, zou mijn vader gezegd hebben.’ Romeyn: ‘Maar je lever is nog oké?’ Bouazza: ‘Er moet regelmatig onderzoek gedaan worden naar de leverwaarden, natuurlijk heb ik lichamelijk een prijs betaald. Dit jaar heb ik vijf maanden lang geen druppel aangeraakt. Maar ik vind het te lekker om te laten staan.’ Peper kent dat: ‘Tot mijn stomme verbazing kom ik altijd door die onderzoeken. Volgens de maatstaven drink ik te veel, maar ik heb één rem: als ik te veel drink, val ik in slaap.’
Linkse praatjes
De dessertwijnen blijven komen, de conversatie geraakt in een versnelling. Het begint ermee dat Bouazza Peper kapittelt over diens vertrouwen in Diederik Samsom: ‘Die algemeenheden die hij uitkraamt, als “we moeten verbinden”” dat is toch promotiepraat?’Peper analyseert: ‘Dat is het ongemak van het niet hebben van een ideologie, maar wel van idealen. De sociaal-democratie ontbreekt het aan zelfvertrouwen.’ De heren bekennen vervolgens kleur. Peper, die zich libertair sociaal-democraat noemt, hekelt ‘het systeemdenken van mensen die zo goed weten hoe het moet’. De radicaliteit binnen de PvdA-top kwam in de roerige jaren zeventig van voormalige gereformeerden en katholieken, op zoek naar nieuwe bezieling. Linkse samenwerking acht hij een illusie, vanwege de te verschillende nestgeuren. Romeyn, naar eigen zeggen een sociaal bewogen reactionair, verbaast zich over de dubbelhartigheid in deze tijd: ‘Youp van ’t Hek slaat eigenlijk linkse praatjes uit, maar hij behoort tot de corporale wereld van de hockeysticks, de rode broeken, de Volvo’s en de labradors.’ De libertijn Bouazza verwijt de linkse ideologen gebrek aan realiteitszin, omdat ze hun ideologie niet bijstellen door wat er maatschappelijk gaande is: ‘Nederland wordt aangetast door de bacterie van de islam en ze willen het niet erkennen. We worden decennia teruggeworpen doordat de islam door moslims als superieur wordt gezien en wij ons, om confrontaties te voorkomen, daaraan gaan aanpassen. We moeten opeens vrijheidsprincipes bevechten die Nederland allang heeft bevochten: vrouwenrechten, homorechten. Als dat geen islamisering is. Maar als morgen een Nederlandse krant verschijnt met een spotprent waarin de profeetbespot wordt, erken ik mijn ongelijk.’ Zojuist is tot zijn verdriet een jarenlange vriendschap bekoeld met een schrijfster die in cultural appropriation is geraakt. Bouazza’s overtuiging dat ‘deze gelijkheidsactivisten van Quinsy Gario tot DENK’ niet strijden voor gelijkheid, maar voor bevoorrechting, viel slecht bij haar.
Geen gedonderjaag meer
Het moment van afscheid is nabij, al is dat buiten een nijpende vraag van Romeyn aan Peper gerekend: ‘Woon jij nou in je eentje? Hoelang ben je getrouwd geweest?’ Peper: ‘We gaan het niet optellen, Michiel.’ Romeyn houdt aan: ‘Het lijkt mij wonderlijk dat je dan in je eentje zit, uiteindelijk.’ Peper: ‘Ik wil nooit meer met iemand onder één dak wonen, het is mooi geweest. Hou nou toch op, joh. Je kan verschrikkelijk eenzaam zijn mét iemand in de buurt. Ik woon al twaalf jaar alleen. Dat viel me een tijd zwaar, maar nu heb ik er vrede mee.’ Bouazza valt Peper bij: ‘Ik woon al vijf jaar alleen. Dat was net als bij Bram een bewuste keuze. Ik ben liever alleen en wil niet meer anders.’
Romeyn geeft niet op: ‘Maar mis je dan niet dat je na zo’n avond thuis kunt zeggen: wat ik nou heb meegemaakt!’ Peper: ‘Maar ik zit wel in een sociale omgeving, ik krijg mensen op bezoek.’
Romeyn, oprecht geïnteresseerd: ‘Ik ben nieuwsgierig, ik ben nog nooit in mijn eentje geweest. Zit je dan bij een klaverjasclub, doe je aan verenigingsleven?’ Dat wordt Bouazza te gortig: ‘Je doet alsof het een afwijking is alleen te zijn. Ik ben juist blij om zo alleen naar huis te gaan.’ Peper, tegen Romeyn: ‘Ik begrijp dat, Hafid is natuurlijk een stuk jonger dan ik, al heeft hij met de drank en drugs intens geleefd. Hij wil geen gedonderjaag meer.’ Bouazza: ‘Ho ho, het is niet zo dat ik geen contact heb met vriendinnen, integendeel. We gaan samen eten, maar ze blijven niet slapen. Je gaat er bij samenwonen vanuit dat de ander je accepteert zoals je bent: je gaat naar de wc, laat boeren en winden, wordt boos. Maar zo wil ik niet zijn, zo wil ik ook een vrouw niet zien. We moeten het lentewaas zien te behouden.’ Bram Peper zegt: ‘Bij mij is het meer zo dat ik de problemen van een ander er niet meer bij kan nemen. Dat trek ik niet meer. Of ze zijn aanzienlijk jonger, zodat je ze uit moet leggen wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbrak.’ Bouazza: ‘Alleen wakker worden is het allerbelangrijkst. Ik ben nog steeds dol op het gezelschap van vrouwen, ik kan niet zonder. Maar nu maak ik een afspraak als ik een vriendin wil zien.’ Peper: ‘Zo is dat. We noemen dat hier alleenstaande, maar in het Noors heet dat allenegaonde.’
Compromisloos
Aan alles komt een eind. Na een door Peper ingezette toost op ‘de toekomst van Vrij Nederland – op Depardieu’, roept Romeyn: ‘Maar wie van deze drie belichaamt Depardieu het meest?’ Romeyn valt als eerste af, hij wil liever artistiek dicht bij zichzelf blijven en lijkt daarin compromisloos. Bouazza benadert het meest Depardieus schaamteloosheid, zijn drankzucht, zijn weigering in de conventionele pas te lopen. Maar zijn vrijheid van meningsuiting is hem te dierbaar om een politieke pion te worden. Ten laatste Peper, die als enige van de drie, zoals Depardieu overkwam na z’n belastingvlucht, ooit maatschappelijk werd uitgekotst en weer terugkwam, om zijn eenzame weg te vervolgen. Híj mag het Depardieu-masker met recht dragen.
‘Het is goed, jongens,’ zegt de laureaat. ‘Ik ga nu. Alleen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.