Op 18 juni 2004 is Lucia de B., de Haagse verpleegkundige die schuldig zou zijn aan zeven moorden en drie pogingen tot moord, veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en tbs. Op 14 maart aanstaande dient haar cassatieverzoek voor de Hoge Raad. Waar is haar veroordeling op gebaseerd? En wat was haar motief?
Wie denkt dat bewijsmateriaal en verklaringen van getuigen cruciaal zijn om van moord te worden beschuldigd, heeft het mis. Direct bewijsmateriaal is er tegen Lucia de B. nooit gevonden, in geen enkele zaak waarvan ze beschuldigd is. Bij haar thuis noch in haar kledingkast in het ziekenhuis waar ze werkte, zijn aanwijzingen gevonden dat zij ‘wapens’ – medicijnen, injectiespuiten – bezat om haar dodelijke werk mee uit te voeren.
Dat hoeft ook niet, zeggen getuigen, want je kon zó een greep doen in de huisapotheek van het ziekenhuis zonder dat het opviel. Dat geldt dan natuurlijk voor al het ziekenhuispersoneel. Toch is alleen Lucia verdacht. Waarom? Omdat ze wel erg betrokken is geweest bij reanimaties. Dat was geen geheim, Lucia zelf heeft het verschillende collega’s verteld. Sommigen vonden dat zielig voor haar, anderen reageerden achterdochtig. Zou zij misschien…?
De geruchtenmachine kwam op gang en met terugwerkende kracht groeide het aantal verdachte sterfgevallen tot bijna dertig. Het ziekenhuis liet een persbericht uitgaan waarin het aankondigde dat onderzoek zou worden ingesteld. De B. werd geschorst.
Na de rechtbank heeft het Hof deze, verder op niets gebaseerde, verdachtmaking overgenomen. Waar rook is, is vuur, moeten ook de raadsheren hebben gedacht. Natuurlijk is de getuigen gevraagd of Lucia verdacht handelde vlak voordat haar ‘slachtoffers’ het leven lieten. Uit hun verklaringen over concrete handelingen die zij heeft uitgevoerd, blijkt dat niet. Zo legde Lucia vlak voor de dood van een van haar vermeende slachtoffers, baby Amber, infuuszakken klaar met de bijbehorende medicijnen (deze zijn gecontroleerd door een andere verpleegkundige) en sloot ze de infuuspomp aan; ze bekeek de zuurstofopname op de monitor waarop Amber was aangesloten; ze verschoonde samen met een andere verpleegkundige de baby na een spuitluier; ze plaatste een beademingsmasker op Amber, en ze voerde een hartmassage uit.
Verdachte handelingen? Juist niet. Het zou verdacht zijn geweest als ze niets had gedaan, paniek had gezaaid, foute beslissingen genomen. Maar ja, Lucia wás al verdacht. En daarmee werd alles verdacht wat ze deed of juist naliet.
Verschillende collega’s laten er in de verhoren geen misverstand over bestaan. Als De B. in de weer is met beademingsapparatuur of hartmassage geeft, is dat om haar (poging tot) moord te verdoezelen. Wanneer ze verstijfd van schrik naast een kinderbedje staat, wordt geconstateerd dat ze geen poot uitsteekt om te helpen. Reageert ze gelaten op het overlijden van een kind, dan is dat net zo verdacht als wanneer ze in tranen uitbarst. Ze is betrokken, maar wellicht, zo zegt een oud-collega, zó betrokken dat ze ernstig zieke kindjes wil ‘helpen’. Een schat van een moordenaar.
In zijn arrest (de uitspraak van het Hof) stelt het Hof dat er geen aannemelijke verklaring is voor het feit dat De B. zo vaak bij sterfgevallen en reanimaties betrokken was. Met andere woorden: De B. móét wel schuldig zijn. Het arrest laat vervolgens zien dat de waarheidsvinding van het Hof wordt gereduceerd tot het vinden van argumenten die de vooraf al bepaalde schuldigverklaring van Lucia de B. ondersteunen.
De – suggestieve – manier van ondervragen van het Hof maakte ten minste één getuige-deskundige zó boos dat die daarover een boze brief schreef aan de president van het Haagse Gerechtshof.
‘Tijdens de zitting,’ schrijft deze getuige-deskundige, ‘werden antwoorden, inclusief een conclusie over de doodsoorzaak, verwacht op basis van informatie die ter plekke door het hof werd aangereikt. Dat betekent, dat de informatie door anderen dan mijzelf geselecteerd was. Ik wist niet welke informatie was weggelaten. Er bleek achteraf zelfs onjuiste informatie gegeven te zijn! Ik vind dat onacceptabel.’
En: ‘Ook ben ik mij achteraf bewust geworden, dat ik op enkele punten mijns ondanks de gang van zaken voor mijzelf heb gereconstrueerd op basis van de aangereikte informatie (“het moet zo gegaan zijn”) i.p.v. uit eigen waarneming of eigen informatie (…) dat zou tot fouten hebben kunnen leiden.’ De brief eindigt met de uitspraak: ‘Ik vond dit een verbijsterende ervaring.’
Wie het arrest van het Hof erop naslaat, valt op dat het Hof selectief winkelt in de verklaringen van de getuigen. Komt een verklaring te pas om Lucia’s schuld te ‘bewijzen’, dan wordt die omarmd. Ontlastende verklaringen daarentegen worden stelselmatig terzijde geschoven. Enkele voorbeelden.
Een ziekenhuisapotheker annex farmacoloog verklaart dat hem in het dossier van een patiëntje is opgevallen dat er al eerder problemen waren geweest die aanleiding gaven tot een reanimatiebeleid. Hij zegt: ‘Dat impliceert dat er rekening mee gehouden werd dat zich onverwachte situaties konden voordoen die tot reanimatie zouden moeten leiden.’ Het Hof stelt vervolgens dat deze getuige-deskundige ‘buiten het terrein is getreden waar zijn specifieke expertise ligt’.
Datzelfde gebeurt met de verklaring van een emeritus-hoogleraar kindergeneeskunde die vindt dat ‘niet valt uit te sluiten’ dat de combinatie van allerlei medicijnen ‘aan de noodlottige afloop heeft bijgedragen’.
Ook de verklaring van een derde getuige-deskundige die met betrekking tot een patiënt die Lucia vermoord zou hebben, stelt dat ‘de heel ernstig uitgezaaide kanker niet meer met leven verenigbaar was’, negeert het Hof . Maar het neemt wel de verklaring van een getuige-deskundige over die na bestudering van de medische dossiers van verschillende kinderen zegt dat zij volgens hem door verstikking om het leven zijn gekomen. Behandelend artsen hoefde deze getuige niet te consulteren en obductiegegevens waren ook niet nodig. Het Hof zegt dat ‘kennelijk thans’ de kennis van de medische stand zodanig is, dat dergelijke conclusies zijn te trekken.
Een absurde conclusie voor wie weet dat ook medische experts elkaar voor het Hof hebben tegengesproken. De geneeskunde onderscheidt zich wat dat betreft niet van andere wetenschappelijke disciplines.
Geen direct bewijsmateriaal, geen belastende getuigenverklaringen. En hoe zit het met het motief? Waarom wil De B. ernstig zieke kinderen en oude mensen om het leven (proberen te) brengen? Omdat ze, aldus het Hof, lijdt aan een vreemde, dwangmatige drang om dat te doen. Waarom denkt het Hof dat? Omdat de verpleegkundige zelf in haar dagboek schrijft over een ‘compulsie’ precies op de dag dat een van haar patiënten overlijdt. Wat kan die ‘compulsie’ dus anders zijn dan de drang te doden? De B. mag dan beweren dat ze doelt op haar geheime gewoonte tarotkaarten te leggen, het Hof weet wel beter.
Dat in alle andere gevallen waarin De B. iemand vermoord zou hebben in het dagboek niet wordt gesproken over een compulsie, doet er niet toe. Eenmaal een compulsie die samenvalt met een ‘plotseling en medisch onverklaarbaar overlijden’ (van een terminale kankerpatiënte die zich bevond op een afdeling waar De B. drie uur aan was ‘uitgeleend’, let wel), betekent in alle gevallen een compulsie en daarmee een (poging tot) moord. Aldus het Hof.
Dat Lucia dat niet wil toegeven, bewijst eens te meer haar schuld. En dat het Pieter Baan Centrum geen motief kan vinden voor de moorden, zegt vooral iets over de onderzoekers daar. Die zijn niet in staat geweest door te dringen tot De B.’s persoonlijkheid.
Alles overziend lijkt het er sterk op dat het Hof van begin af aan overtuigd was van Lucia de B.’s schuld en alles in het werk heeft gesteld om die overtuiging te staven. Mensen overlijden niet onverwacht, hun dood is altijd medisch verklaarbaar en medische fouten worden nooit gemaakt.
Tegen zo’n combinatie van naïviteit en vooringenomenheid kan een verdachte zich nauwelijks verweren. Toch wordt dat wel van De B. verwacht. Het Hof vraagt van de verpleegkundige een ‘ontzenuwende verklaring’ voor ‘redengevend bewijsmateriaal’. Tegelijk verklaart het Hof voor acht van de tien zaken dat ‘niet bewezen kan worden op welke wijze de verdachte iedere patiënt om het leven heeft gebracht of getracht heeft om het leven te brengen’ (het bewijsmateriaal in de overige twee zaken is indirect en inmiddels door externe deskundigen ter discussie gesteld. Zie Vrij Nederland, 11 februari 2006). Maar hoe kun je aantonen dat je onschuldig bent aan iets wat niet bewezen kan worden? Dat is onmogelijk.
De B. stond, dat mag inmiddels duidelijk zijn, voor een schier onmogelijke opgave. Het volgende voorbeeld maakt dit duidelijk. De verpleegkundige verklaart over de dood van een patiëntje: ‘Gelukkig gaven de ouders toestemming voor een obductie. We waren blij met deze toestemming omdat niemand wist wat er gebeurd was. Uiteindelijk hebben de arts en ik ons teruggetrokken om de ouders de gelegenheid te geven alleen te zijn met hun kind. Na een tijdje ben ik met de ouders naar beneden gegaan om het kind naar het mortuarium te brengen. Ik ben teruggegaan naar de afdeling. Ik kon het nog steeds niet bevatten hoe het mogelijk was dat zij overleden was en dat ik wéér bij een incident betrokken was. Op een gegeven moment kwam X bij me zitten. Ook hij zei dat we gelukkig toestemming van de ouders hadden gekregen voor het verrichten van de obductie en we er wel achter zouden komen wat er gebeurd was. Ik was echt overstuur van het gebeuren.’
De reactie van het Hof hierop: ‘Treffender dan door haar eigen woorden kan de meedogenloosheid van de verdachte niet tot uitdrukking worden gebracht.’
Misschien is Lucia de B. inderdaad schuldig aan alle (pogingen tot) moord waarvoor ze veroordeeld is. Dat kan. Maar ze kan ook slachtoffer zijn geworden van de tunnelvisie van rechercheurs en raadsheren. Alleen een herbeoordeling van haar zaak kan daarover uitsluitsel geven.
Zie ook Arrest Lucia de B.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.