Gedichten van Herman Brood, de bundel Eén per pagina van Barend Servet, Dolf Jansen met Gedichten om te huilen: poëzie als bijbaantje. Sommigen, zoals Kees van Kooten en Ischa Meijer, haalden er zelfs de dikke Komrij mee. Hebben we hier te maken met begaafde zondagsdichters of is het gewoon zo dat iedereen het kan? En heeft zo’n bijkomend dichterschap van min of meer bekende Nederlanders ook toegevoegde waarde? Hangt er natuurlijk vanaf.
Van Alex van Warmerdam, die zich onlangs in bovenstaand rijtje voegde met de bundel Van alle kanten komen ze, kun je zeggen dat hij direct een eigen toon heeft. Dat zegt overigens nog niks, Nel Benschop en Toon Hermans hebben ook een eigen toon. Maar in elk geval gaat hij niet vanzelf op in de grote stroom.
De maker van licht absurdistische, soms surrealistische films en toneelstukken, blijkt als dichter vooral een eigenzinnige dromer. De titel van zijn bundel klinkt wat hermansiaans, alsof er van alle kanten gevaar zou dreigen, maar wie zich binnen waagt, bespeurt daar weinig van. Het zijn hoogstens herinneringen, rare beelden die de dichter belagen. ‘Wie dichten wil, mag niet mijmeren,’ beweert een van deze gedichten, maar dat lijkt vooral een waarschuwing aan de dichter zelf. Want Van Warmerdam blijkt hier volop mijmeraar. Neem het eerste gedicht dat direct de toon zet:
Hij is het
Kwam om in de melk
maar dronk het niet
bewaarde het schroot voor slechte tijden
als silhouet was hij tevreden
weggezonken in de delta
zijn maag vol zilverwater
met buitelende vissen
zijn ogen op een spijkergat gewricht
waarin hij urenlang kon dwalen
Bedeesd is hij en scherp
niemand weet dat hij er is
zijn hersenen is zijn vriend
morgen staat hij op
Hier is een bedeesd maar oplettend kind aan het woord, onopgemerkt en nog dromerig, maar binnenkort komt alles eraan. Een gevoel van sluimerende wereldwijsheid bepaalt de hele bundel. ‘Eenvoudig zwerven is er niet meer bij,’ meldt de dichter teleurgesteld, maar even later ziet hij in een volwassen, gelouterde vrouw toch weer het reine ‘meisje van de Veluwe’ en herinnert hij zich de kinderspelletjes van weleer ‘De prins vertrapt de trein die door zijn kamer raast.’
Nieuw is dat natuurlijk niet, een dichter die zijn kindertijd oproept, Hendrik de Vries deed het, Tonnus Oosterhoff in zijn eerste bundel, Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, maar het bijzondere aan Van Warmerdams gedichten is dat ze niks in kaart brengen, in feite niet eens een hunkering uitdrukken, en vooral de raarheid en relatieve onbegrijpelijkheid van de onbedorven onschuld oproepen, het leven als een spel nog, soms paradijs, dan weer duistere Borinage, maar altijd onbezoedeld door ratio en volwassenheid en ver van ‘het plompe heden’. Steeds wordt de grote, naargeestige wereld ontmaskerd door de wereld van het kind.
Zelfs in het agressieve en boosaardige ‘Er is nog niets verloren’ proef je de speelse inzet:
Ik beplak de ruggen van mijn handen
met afgeprijsd Molukkershaar
haal een broodmes langs mijn wang
en laat in Zuid
een oor tot bloemkool slaan.
Ook in ‘Heinrich, de laatste mens op aarde’, over een soortement zondvloed, overheerst tenslotte het absurdistische element. ‘Heinrich op een alpentop gekwakt / krijgt een breinaald nageworpen / en een stoeltje’. Ten einde er met een abortus voor te zorgen dat het leven verder geen doorgang vindt, vult de ervaren lezer aan. Het eind der tijden als bizar toneelstukje.
Er zit in dit werk iets van de geest van Jan Hanlo en daarmee ook van Peter Pan, het jongetje dat niet volwassen wilde worden. Dit is een wereld waar redelijkheid en logica het afleggen tegen vreemde en dwarse gewaarwordingen: ‘Ik paai mijn moeder / met suiker en gember / ze woont in bad / als ik maar zorg / dat het gas blijft branden.’
Niet dat Van Warmerdam in één klap het niveau haalt van die eigenaardige, in zijn onvolgroeidheid fascinerende Hanlo, maar een aantal gedichten komt er in de buurt.
Het is zo te zien ook niet de poëtische techniek, de vormvastheid of het uitzonderlijke taalgebruik van Van Warmerdam die deze gedichten hun eigen karakter verlenen. Het is de springerige geest die erachter zit, de merkwaardige beelden die hij kiest, de onverwachte overgangen. Met aangeleerde kunstjes red je het niet, het gaat om originaliteit en persoonlijkheid. En van dat laatste zijn bij deze gelegenheidsdichter ruime hoeveelheden voorradig.
Een generatie geleden zou deze poëzie allicht nog als ‘raar’ en ‘licht’ terzijde zijn geschoven, maar zo zit het poëtisch universum allang niet meer in elkaar. Alles kan intussen, vooral ook poëzie die zich nergens iets van aantrekt.
Bij al die eigenheid is Van alle kanten komen ze onmiskenbaar ook een filiaal van Van Warmerdams andere werk. Zoals in Abel en Ober onschuld gedrild dient te worden, zo wordt deze poëzie belaagd door grote-mensen-normen, maar je voelt voortdurend dat ook de dichter Van Warmerdam zich niet laat temmen.
Alex van Warmerdam, Van alle kanten komen ze, Gedichten, Nieuw Amsterdam, 64 pagina’s, € 16,90
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.