Chinese christenen / Hoe Onze-Lieve-Heer China verovert
Zo’n tachtig boeren uit de omgeving hebben plaatsgenomen op de houten banken van de fuyin tang als om halfzes ’s middags de zondagsdienst begint met een gezamenlijk gebed. Mussen fladderen door de kapot gewaaide ramen naar binnen. Boven het altaar hangt een gloeilamp die spaarzaam licht verspreidt. Daaronder, in boerenkiel, staat de voorganger. Zijn dialect is lokaal, maar hij brengt een universele boodschap: wie goed doet, krijgt Gods zegen. Welkom in Pingshan, een dorp van acht vervallen boerderijen aan een zandpad in de Chinese provincie Anhui.
Met drieëntachtig jaar is Ting Xiu Fang de oudste gelovige van de gemeente. Ze straalt als een jong meisje bij het allereerste buitenlandse bezoek aan de kerk. ‘In dit dorp zijn we allemaal christen,’ zegt ze na afloop van de dienst. ‘Toen ik tien jaar geleden voor het eerst de liederen en gebeden hoorde, raakten ze me recht in het hart.’ Voorheen baden de gelovigen buiten onder een boom, vertelt ze. Maar sinds enkele jaren hebben ze een kerk. ‘We hebben hem met alle dorpelingen samen ontworpen en gebouwd,’ vertelt ze trots.
Muisstil
Tussen de graanvelden in het noordoosten van de Chinese provincie Anhui is iets bijzonders aan de hand. Grote rijkdom heeft dertig jaar hervormingspolitiek hier niet gebracht: gemiddeld verdient een boer in deze provincie een schamele drieduizend yuan (315 euro) per jaar. De nieuwe openheid heeft wel geleid tot iets anders: een spectaculaire toename van het aantal christenen. Officiële cijfers ontbreken, maar de inwoners schatten het aantal belijdende gelovigen in de streek inmiddels op zo’n twintig procent.
De kerken die overal in Anhui uit de grond schieten, vormen de bakstenen bewijsstukken van de onstuitbare opmars van het christendom in China, die ook elders steeds zichtbaarder wordt. Zelfs de communistische partij, die religie decennialang met harde hand heeft onderdrukt, gemarginaliseerd en verboden, lijkt haar starre houding ten opzichte van de ‘opium van het volk’ langzaam maar zeker te herzien.
De grote protestantse kerk in het provinciestadje Sixian zit op zondagochtend letterlijk tot de nok toe vol. Minstens duizend gelovigen hebben zich voor dag en dauw verzameld in de drie etages tellende kerk, die zich bevindt achter een onaantrekkelijk ogende façade van ijzerwarenwinkels. Vanwege de toeloop moeten de meeste gelovigen plaatsnemen in een vijftal zijruimtes waar ze de dienst kunnen volgen via grote televisieschermen.
Het is muisstil als een vrouw van middelbare leeftijd de kansel beklimt voor een belijdenis. ‘Ik had kanker maar durfde niet naar het ziekenhuis,’ begint ze. ‘Ik bleef bidden tot God. Hij gaf me vertrouwen, zodat ik toch ging. Nu ben ik genezen. Ik ben hem eeuwig dankbaar.’ De zaal antwoordt als één man: ‘Amen.’
Terwijl het kerkkoor, gekleed in maagdelijk witte tenues met blauwe kraag, het podium bestijgt, neemt de voorgangster het woord. ‘Laten we bidden,’ zegt ze. Deemoedig buigen de gelovigen het hoofd. ‘Vertrouw niet alleen op je eigen gedachten, maar ook op het woord van de Heer,’ begint ze haar opzwepende preek. ‘Ik heb vertrouwen,’ antwoordt de zaal. Sneller en sneller spreekt de voorgangster een tekst uit die is doorspekt met het mantra ‘vertrouw op de Heer’, waarop de gelovigen allemaal tegelijk met ingehouden stem antwoorden. Op het hoogtepunt klinken pianotonen en neemt het koor het over.
Handgeschreven bijbels
Mijn eerste kennismaking met de plattelandskerken in Anhui vond plaats in een voormalig opiumpakhuis in Shanghai, waar tegenwoordig de Around Space-kunstgalerie huist. Daar zag ik het werk van kunstenaar Cao Yuanming: foto’s van Chinese gelovigen die voor hun eigen plattelandskerk staan en een lijst vasthouden met daarin een afbeelding van dezelfde kerk in een ander jaargetijde, waardoor een soort Droste-effect ontstaat. Vier jaar lang had Cao Yuanming, een kalme, ingetogen veertiger, door zijn geboorteprovincie Anhui gereisd en zo’n zeshonderd plattelandskerken bezocht.
De kunstenaar herinnerde zich nog goed hoe het geloof in Anhui in de jaren tachtig begon te groeien. ‘Destijds vormden de christenen een klein groepje dat het geloof van mond tot mond verspreidde, met name binnen hun eigen familie,’ zegt hij. ‘Ze gebruikten nog handgeschreven bijbels die ze steeds opnieuw kopieerden en doorgaven.’
Cao noemde twee belangrijke redenen voor het huidige succes van het christendom in China. In de eerste plaats, zei hij, heeft het te maken met het verruilen van de oude communistische ideologie voor het nieuwe marktkapitalisme. ‘De vooruitgang in China vindt met name plaats op wetenschappelijk en economisch vlak, terwijl de geestelijke ontwikkeling wordt verwaarloosd. Daardoor is een emotioneel gat ontstaan. Religie vult die behoefte.’ In de tweede plaats, merkte Cao op, heeft het boeddhisme afgedaan onder de arme boeren in Anhui. ‘Ze zien het boeddhisme als religie voor de rijken, waarbij je wierook en geld moet verbranden om een wens te doen. Bij het christendom is dat anders. Jezus was ook arm, zeggen ze. Net als wij.’
Het meest opvallende aan de kerstening van zijn geboortestreek, zei Cao, is dat het vanuit de bevolking zelf komt. ‘Anhui is erg gesloten. Buitenlanders komen zelden op het platteland.’
Sociaal centrum
‘Drie, twee, een,’ telt de koorleidster af. En de anderen zetten in: ‘God heeft deze plek voor ons opengesteld. Maak je geen zorgen, heb geen angst. Vrede, leven, licht, liefde!’ Het is maandagmiddag twee uur. Op de binnenplaats van de Here Jezuskerk in het dorpje Qiangzhou staan zeven fietsen. Even zoveel vrouwen zitten in de deuropening van het gebedshuis op kleine krukjes in het felle zonlicht te zingen, hun zangboekjes in de hand.
‘We oefenen vier keer per week,’ zegt de koorleidster, een jonge vrouw in spijkerbroek en fleece trui. ‘En op zondag zingen we tijdens de dienst.’ De zeven vrouwen variëren in leeftijd tussen begin twintig en eind zestig. Ze hebben allemaal een kleine boerderij die ze alleen draaiende houden. Hun echtgenoten werken in steden als Shanghai of Nanjing en komen maar een paar keer per jaar naar huis. De kerk vormt het middelpunt van het sociale leven van hun achtergebleven echtgenotes.
Meer leden dan de partij
Hoeveel christenen China inmiddels telt, blijft gissen. De Chinese overheid ging een paar jaar geleden uit van vijfendertig miljoen godvrezende zielen, de World Christian Database houdt het inmiddels op zo’n zeventig miljoen gelovigen. De Amerikaanse China Aid Association beweerde dit jaar van een anonieme partijbons te hebben vernomen dat het werkelijke aantal zelfs rond de honderddertig miljoen ligt. Als dat klopt, telt China inmiddels bijna twee keer zoveel christenen als leden van de communistische partij.
‘Het hangt er vanaf hoe je meet,’ zegt professor Li Xiangping, hoofd van het centrum voor religiestudies aan de Universiteit van Shanghai en een autoriteit op zijn vakgebied in China. ‘Als je iemand vraagt: ben je gelovig, antwoordt hij iets anders dan wanneer je vraagt: ben je verbonden aan een officiële kerk? De Chinese overheid heeft die strikte tweede definitie gehanteerd in haar onderzoek. Dat verklaart de grote verschillen.’
Hoe dan ook: het christendom is in opkomst. Volgens Li heeft dat te maken met een veranderend beleid van Peking. ‘De Chinese overheid heeft de religieuze vrijheden de afgelopen jaren verruimd.’ Hij wijst op de tamelijk opzienbarende ‘studiesessie’ over religie die president Hu Jintao in 2007 organiseerde voor het politbureau. Daar hield de president de partijtop voor dat ‘de kennis en kracht van gelovigen moet worden aangewend om een welvarende maatschappij te bouwen’. In een land dat overheidsfunctionarissen verbiedt gelovig te zijn, was dat een tamelijk verrassende uitspraak.
Volgens de professor gedijt het christendom in China goed door de hoge organisatiegraad. ‘Christenen komen wekelijks bijeen om ervaringen te delen. Vooral op het platteland, waar het lastig is om activiteiten te vinden waaraan je kunt meedoen, vult het christendom die behoefte. Als je naar een boeddhistische tempel gaat om wierook te branden, is dat een individuele daad.’
Tot slot noemt Li een minder verheven oorzaak van de wonderbaarlijke groei. ‘De Chinese overheid heeft jarenlang beleid gevoerd om het wijdverbreide volksgeloof op het platteland aan te pakken, omdat ze het achterlijk vond. Sommige aanhangers daarvan zullen wel op zoek zijn gegaan naar een nieuwe religie. Wellicht dat ze zo bij het christendom zijn uitgekomen.’
Gods woord verspreidt zich niet alleen op het platteland, benadrukt de professor. Li vindt vooral de toename van het jonge kerkvolk in de steden een opvallend verschijnsel. ‘Dat gaat deels om wat ik culturele christenen noem. Ze zijn minder dogmatisch in hun geloof en gaan niet elke week naar de kerk. Maar ze dragen bijvoorbeeld wel een ketting met een kruisje.’
Heropvoeding
Sui Lan (90) laat de kralen van de rozenkrans tussen haar vingers door glippen. Ze zit in de parelwitte katholieke kerk in de stad Sixian, een gebouw met zuilen en Mariabeelden. Gedurende meer dan de helft van haar leven was het ronduit gevaarlijk om in China religieus te zijn. ‘Toen ik dertien jaar oud was, stuurden mijn ouders me naar nonnenschool Sint-Ursula, die jaren daarvoor was opgezet door Italianen. Ik kreeg een goede opleiding en kon er uiteindelijk zelf lerares worden. Toen de communistische partij aan de macht kwam in 1949, hield dat allemaal op.
Ik belandde samen met alle andere leraren van de katholieke school in de gevangenis. Daarna stuurden ze me naar het platteland voor heropvoeding. Dat betekende dat we moesten werken tot we erbij neervielen. Ik was nog jong en gezond, maar ik kon het nauwelijks aan. Aan de rand van het veld hing een bel. We mochten pas stoppen als die werd geluid. Soms lieten ze ons dag en nacht achter elkaar doorwerken. Ze sloegen je, gaven je straf, ook als je niets fout deed. Het was een vreselijke tijd.
In 1956 kwam ik terug uit het kamp, maar ik mocht geen les meer geven. Je moest lid zijn van de communistische partij en als katholiek was dat onmogelijk. Daarom ben ik gaan werken in een kledingfabriek. Pas sinds de jaren negentig is de situatie beter geworden. Tegenwoordig kan ik ook weer elke dag naar de kerk.’
Het christendom in China heeft een moeizaam verleden. Assyriërs, franciscanen en jezuïeten hadden gedurende vele eeuwen wisselend succes met het verspreiden van hun geloof. Het christendom schoot nooit echt wortel. Pas nadat de Britten China hadden verslagen in de Eerste Opiumoorlog (1842), trokken er wat meer westerse missionarissen het land in om zieltjes te winnen.
In andere delen van China verspreidde het christendom zich mondjesmaat. Een aantal missionarissen wist kerken, scholen en ziekenhuizen te openen, maar veel Chinezen bleven hen zien als ‘buitenlandse duivels’. Rond de eeuwwisseling won de Organisatie van Rechtvaardige en Harmonieuze Vuisten in China, een antireligieuze en antiwesterse groepering, sterk aan aanhang. Die riep op tot de zogenoemde Bokseropstanden, waarbij tienduizenden Chinese christenen en honderden buitenlandse missionarissen de dood vonden. In 1949, toen de communistische partij de macht greep, bedroeg het aantal christenen ongeveer een procent van de totale bevolking.
Knielen in glasscherven
Mevrouw Wang (76) kan niet alleen haarfijn uitleggen hoe het christendom de bijna vijftig donkere jaren van het communisme en de Culturele Revolutie heeft overleefd, maar ook hoe het daarna sterker is teruggekomen dan ooit.
Ze ontvangt ons in haar eigen kerk, die ze heeft gebouwd op het erf achter haar boerderij. Het gebouw is groot genoeg om op zondag tweehonderd gelovigen te ontvangen. Veertigduizend yuan (4200 euro) heeft het pand gekost, in tien jaar tijd bijeengebracht uit giften van de lokale bevolking. Een paar maanden geleden heeft mevrouw Wang klapstoeltjes uit een voormalige communistische bioscoop op de kop kunnen tikken voor een zacht prijsje, waarmee het zitcomfort aanmerkelijk is toegenomen.
Wang was nog een puber toen haar moeder in contact kwam met een zekere meneer Chen. ‘Zij had een ontsteking aan haar ogen. Chen zei haar dat ze moest geloven in God, dan zou het wel goed komen. Mijn moeder genas en besloot christen te worden.’ In de jonge communistische staat was het riskant te koop te lopen met religie. ‘We hadden een handgeschreven bijbel en een zangboek gekregen van meneer Chen. Mijn moeder las die in het geheim.’
De Culturele Revolutie in de jaren zestig was verschrikkelijk voor christenen. ‘Sommigen moesten voor de ogen van de andere dorpelingen knielen in glasscherven,’ herinnert Wang zich. ‘Chen en andere christelijk leiders verdwenen in de gevangenis.’ Het was op dat moment dat ze zelf besloot christen te worden. ‘Ik stond versteld van de kracht en het geloof van mensen als mijn moeder. Ik wilde daarbij horen.’
De christenen in de streek gingen ondergronds. Een enkele bijbel die gered was van de openbare boekverbrandingen werd verscheurd en ieder kreeg een deel mee naar huis. Wang had het Evangelie van Marcus en stopte dat thuis in een gat in de muur. Als ze in het geniep bijeenkwamen, bracht iedere gelovige zijn eigen bijbeldeel mee. Een lokale partijbons probeerde Wang te arresteren wegens het verspreiden van het christendom. Dat mislukte, omdat ze bijstand kreeg van een andere partijfunctionaris. ‘Zijn zoon was een paar maanden daarvoor onverwachts doodziek geworden en ik had voor hem gebeden. De man die verantwoordelijk was voor de bijbelverbrandingen en voor mijn mislukte arrestatie kreeg niet lang daarna een pijnlijke bloedziekte. Hij heeft maandenlang alleen maar op de wc gezeten en is daarna gestorven.’
Het politieke klimaat veranderde en in 1979 vroeg Wang een vergunning aan voor het bouwen van een kerk. Die werd prompt geweigerd door een lokale ambtenaar. ‘Die man kon niet eens lezen en schrijven,’ briest ze, nog altijd verontwaardigd. Ze liet zich niet ontmoedigen en begon kerkdiensten te organiseren in de buitenlucht. De acht christenen met wie ze begon, groeiden snel uit tot meer, ongetwijfeld mede dankzij haar gedrevenheid. ‘God heeft het zo gewild,’ zegt ze zelf.
Vrouwen van partijbonzen
‘Dank de Heer dat hij ons hier bijeen heeft gebracht,’ spreekt priester Sun Ling Xiang. Met de ogen gesloten draait hij zijn handpalmen naar de hemel, heft zijn armen en gaat voor in het gebed. Hij leidt een van de grootste kerken in de omgeving van het dorp Qiu Ji. Een paar jaar geleden heeft hij laten uitzoeken hoe het woord van de Heer in dit dorp is terechtgekomen. Hij liet tientallen bejaarde boeren interviewen en tekende hun verslagen op in een kleine streekgeschiedenis. Het resultaat van het speurwerk hangt in grote plakkaten aan de stralend witte buitenmuren van de kerk.
In 1898, zo lees ik, deed een excentrieke bezoeker het dorp Qiu Ji aan: een Amerikaan in traditionele Chinese kledij, die zich voorstelde als Xi Cai Bo Won Cun. Hij ging op het dorpsplein staan met een bijbel en begon te lezen in vloeiend Chinees. Zijn optreden maakte een enorme indruk op de lokale bevolking. Jaren later kocht een Chinese priester een lap grond waarop hij een kerk en een basisschool bouwde, die floreerden tot de communistische machtsovername in 1949. Een paar jaar later werd de kerk gesloten en gesloopt. Pas in 1989 bouwde een aantal gelovigen de kerk, pal naast een ganzenfokkerij tussen de uitgestrekte graanvelden. Sindsdien is het aantal christenen gestaag gegroeid.
Priester Sun geeft ons een rondleiding door het kerkcomplex dat onder meer een kleine bibliotheek omvat en een inzamelingsruimte voor tweedehands kleding, bedoeld voor de minderbedeelden. Boven het altaar van de kerk hangt een plakkaat van twee bij vijf meter waarop een psychedelisch ogende vuurwolk is geschilderd. Daaroverheen in typisch ‘Chinglish’ de spreuk: ‘God is a love’. In de zijbeuken hangen rode lampionnen.
Waarom slaat het christendom zo aan in China en dan met name in Anhui Sun: ‘Dit is de geboorteprovincie van Confucius. De christelijke en confucianistische moraal sluiten op belangrijke punten goed bij elkaar aan. Ik besteed daar in mijn preken vaak aandacht aan, zodat de boeren uit deze streek me beter begrijpen.’ Het gaat dan onder meer om het concept ‘goed doen voor anderen’, dat zowel het Nieuwe Testament als Confucius benadrukt.
Komen de lokale partijleiders ook naar de zondagse dienst? Sun lacht zenuwachtig. ‘Nauwelijks,’ zegt hij dan. ‘Maar weet je wat ik veelzeggend vindt? Hun vrouwen en kinderen komen wel. En laatst kreeg ik een lokale overheidsfunctionaris op bezoek die vroeg hoe hij ons kon helpen. De situatie in China verandert. De overheid wil een harmonieuze samenleving en daar hoort religie bij.’
Verlengstuk van de overheid
In Shanghai huist het nationale comité van de Drie-Zelf Patriottische Beweging van Protestante Kerken in China. Het ‘drie-zelf’-principe houdt in dat de kerken ‘zelfregulerend,’ ‘zelfvoorzienend’ en ‘zelfpropagerend’ functioneren. Dat wil zeggen: zonder buitenlandse inmenging.
Ou Enlin, onderdirecteur van de afdeling buitenlandse betrekkingen, weidt meteen uit over de stijging van het aantal christenen. ‘Als gelovige zeg ik: het is een wonder van God. En daarnaast speelt de opendeurpolitiek van de overheid een rol.’ De Drie-Zelfkerken worden door buitenlandse commentatoren wel gezien als verlengstuk van de overheid. Ou Enlin protesteert hevig tegen die voorstelling van zaken. ‘We zijn onafhankelijk.’
Wat vindt hij dan van de vele huiskerken, met name in de Chinese steden? Ze zijn door de overheid verboden. Ou Enlin, zalvend: ‘Ze hebben nog geen kerkgemeenschap, geen geschikte locatie of geen gekwalificeerde kerkleider. Zodra ze die hebben, kunnen ze zich laten registreren. Gelovigen die om andere redenen een huiskerk hebben, blijven natuurlijk onze christelijke broeders en zusters. Ze voelen zich misschien Gods burgers die geen verantwoording verschuldigd zijn aan het wereldlijk gezag. Maar de Chinese overheid ziet ze toch in de eerste plaats als burgers van China. Zo werkt dat nu eenmaal.’
We staan in een drassig weiland. Priester Li wijst me op een gat in de grond waarin een gele tuinslang verdwijnt. ‘Dit was jarenlang een opgedroogde bron,’ zegt hij, ‘maar toen we hiernaast een kerk hadden gebouwd, ging hij ineens weer water geven.’ Li zwijgt en kijkt eerbiedig naar het gat. Naast ons staat de Onze Lieve Heer op Zaterdag Kerk, een gigantisch bouwwerk van vijf etages dat nogal pompeus overkomt te midden van de uitgestrekte graanvelden.
Priester Li is een lange man die met zijn maatpak, lakschoenen en grote bril nog het meest doet denken aan een Amerikaanse televisiedominee. Hij komt uit Wenzhou, een rijke stad aan de Chinese oostkust, zo’n twaalf uur per bus hier vandaan. In 2004 kwam hij voor het eerst naar Anhui, op uitnodiging van de lokale gelovigen. Li trof veel kerken aan in slechte staat en besloot te helpen. In zijn eigen parochie in Wenzhou hield hij collectes. Toen hij genoeg had ingezameld, huurde hij een bus en reisde met tientallen bouwvakkers uit Wenzhou terug naar Anhui. Binnen achttien maanden bouwden ze de betonnen kolos. Ik vraag priester Li of hij trots is op het resultaat. Hij schudt het hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Het is het werk van de Heer.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.