Roman uit Berlijn
Stel: je grote liefde is dood, en pas jaren later durf je het aan om te kijken in de doos met spullen die hij je naliet. Je vindt een schriftje met dagboekachtige beschrijvingen van zijn leven, precies uit de periode dat jullie samen waren. Waarom aarzel je om te gaan lezen? Wat zou je eigen mooie herinneringen aan die tijd kunnen bezoedelen? Dat hij zich ergerde aan je? Dat hij niet dezelfde grote gevoelens voor jou koesterde als jij voor hem? Dat hij je ontrouw was? Allemaal vervelende scenario’s, zeker, maar wat Soja uit Kwaaie schapen overkomt, is vele malen erger. Ze wordt niet eens genóémd in het dagboek van haar overleden geliefde Harry. Zie daar maar eens een verklaring voor te vinden die er niet op neerkomt dat je misschien simpelweg niet noemenswaardig werd geacht.
Katja Lange-Müller, die in Duitsland grote literaire prijzen op haar naam heeft staan, gebruikt dit dramatische gegeven voor een boek dat eigenlijk gaat over de laatste jaren van de in tweeën gehakte stad Berlijn – over West-Berlijn, om precies te zijn. Want zoals het verhaal over de liefdesgeschiedenis helemaal vanuit één kant, die van Soja, is beschreven, laat het ook maar één kant van de gebroken stad zien.
Het is 1987, Soja is net gevlucht uit Oost-Berlijn en probeert een nieuw bestaan op te bouwen in West-Berlijn. Op straat ontmoet ze Harry, verslaafd en crimineel bovendien, hij komt net uit de gevangenis, maar ze valt als een blok voor hem. Het lijkt het soort junkieromantiek zoals we dat van Christiane F. kennen – alleen is Soja zelf niet aan de drugs, dus zou ze beter moeten weten.
De taal is rauw en grof, hun leven is treurig en uitzichtloos, en dat is de enige verklaring voor Soja’s liefde: ze is zo wanhopig op zoek naar iets wat haar leven invulling kan geven, dat ze helemaal opleeft als blijkt dat Harry haar nodig heeft. Hij is namelijk voorwaardelijk vrij en wil voorkomen dat hij opnieuw in de bak belandt. Daarvoor moet hij bewijzen dat hij clean is, en heeft hij vierentwintig uur per dag een oppasser nodig. Ziedaar Soja’s nieuwe taak.
Nog treuriger wordt het wanneer blijkt dat Harry seropositief is. Soja hoort het niet eens van hemzelf, maar van zijn maatschappelijk werker. Nu snapt ze waarom hij nooit zo happig is op seks en hij, als ze sporadisch de liefde bedrijven, haar ‘van zijn stengel’ haalt voordat hij klaarkomt. Blijkbaar in hun ogen een afdoende bescherming. En ook al staat ze doodsangsten uit dat ze toch besmet is, ze vindt het prijzenswaardig dat hij zo ‘voorzichtig’ is geweest.
Wanneer de muur valt, hoop je op een verlossing uit deze benauwde junkiehel. Maar Soja weet zich geen raad. Haar enige wapenfeit, de vlucht naar het Westen, is in één klap niets meer waard. En zelfs Harry heeft haar hulp niet meer nodig, hij is inmiddels zo zwak dat hij in een verpleeghuis verblijft voor zieke verslaafden.
Soja besluit weer te vluchten. Op een van hun laatste ontmoetingen kijken ze naar de arrestatie van Erich Honecker op televisie, en Harry beleeft een zeldzaam helder moment. Terwijl hem, tot Soja’s verbazing, de tranen over de wangen lopen, ziet hij niet de dictator die zijn verdiende straf krijgt, maar een lotgenoot die het ergst denkbare te wachten staat: de gevangenis. En daarmee gaat het verhaal eigenlijk allang niet meer over waarom die Harry met zijn vage junkenhoofd Soja niet eens noemt in zijn dagboek, maar over muren en de allesoverheersende angst om weer aan de verkeerde kant van die muren te belanden. Twee mensen op de vlucht voor muren, die vergeefs houvast bij elkaar zoeken.
Katja Lange-Müller, ‘Kwaaie schapen’, vertaald uit het Duits door Els Snick, De Arbeiderpers, 173 pagina’s, € 18,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.