Interview / Willem Nijholt 75 jaar

Willem Nijholt speelde honderden grote rollen bij toneel en musical. Dit najaar verschijnt van zijn hand de Lofrede op Oeroeg, die hij ook gaat voordragen. ‘Mijn enige angst is of ik het fysiek kan. Lukt het met mijn keel, houdt mijn stem het wel?’

Hij mag dan onlangs vijfenzeventig zijn geworden, Willem Nijholt doet nog altijd volop mee. ‘Ik heb een oorlog, het jappenkamp en kanker overleefd. Ik ga voorlopig nog niet weg.’ Zijn verjaardag werd gevierd met een kloek boek over zijn theatercarrière, geschreven door Hilde Scholten en Ruud Buurman. Een mooi eerbetoon, vindt de acteur. ‘Daar ben ik ook echt verguld mee.’ Al is hij natuurlijk niet helemáál tevreden. Het hoofdstuk over Indonesië en het jappenkamp heeft hij eigenhandig herschreven. ‘Ik wil het niet afkammen, maar het was mijn toon gewoon niet. Dus ik dacht: dit moet ik zelf schrijven.’

Hij is druk bezig met de Lofrede op Oeroeg die hij in opdracht van de CPNB schrijft voor de campagne Nederland Leest. Daarnaast zal hij dit najaar weer aantreden als juryvoorzitter in het succesvolle AVRO-programma Op zoek naar… De afgelopen twee seizoenen werd respectievelijk naar een Evita en een Joseph gezocht. In de nieuwe serie wordt het zoeklicht op Mary Poppins gericht. En dan is er nog de Willem Nijholt Academie in Nijmegen, waar hij zelf ook les geeft. Geestig eigenlijk; ooit sjeesde hij in datzelfde Nijmegen voor de hbs. ‘Nu heb ik er mijn eigen academie.’ Hij leert er jonge mensen hoe ze moeten spelen en dansen, om goede musicalacteurs te worden. ‘Ach, ze zijn zo leuk,’ zegt hij, terwijl hij een foto van de meterslange tjokvolle boekenplanken in zijn appartement in Amsterdam plukt. Er staat een klein clubje uitgelaten meiden op, begin twintig, uit het tweede jaar. ‘Mijn kuikentjes,’ zegt hij vertederd. Terwijl de studenten in het begin doodsbang voor hem waren. ‘Ze zagen mij als een monster.’ Want ze hadden op televisie gezien hoe hij een van de deelnemers aan Op zoek naar Joseph met beide handen de keel had dichtgeknepen. Een vertekend beeld, zegt Nijholt; hij illustreerde de jongen alleen hoe hij beter kon ademhalen tijdens het zingen. Maar ja, in de montage halen ze er net dat ene stukje uit. Zodat hij er weer gekleurd op staat.

De lat bij die Willem Nijholt Academie ligt hoog. Dit jaar zou de school ook een dependance in Hengelo openen. Maar geen van de aangemelde leerlingen kon het scherpe oog van de meester behagen. Hengelo moet dus nog minstens een jaartje wachten. De meeste jonge mensen weten overigens niets van zijn verleden, van zijn rijke staat van dienst. Dat hij grote rollen speelde bij toneel en musical en glorieerde bij Wim Sonneveld is bij mensen van onder de veertig vrijwel onbekend. Laatst hoorde hij nog een verhaal over een jonge filmregisseuse, bij wie zijn naam was gevallen. ‘Willem Nijholt? Kan die spelen dan?’ Hij glimlacht er maar om. Dat hoort ook bij ouder worden.

Laat hij eerlijk zijn: ‘vijfenzeventig’ klinkt ook wel oud. Erg oud. ‘Maar ik ben blij dat ik het gehááld heb. Dat ik nog zo goed ben en de kanker de deur uit heb weten te werken. Ik heb geluk gehad. Erg veel geluk.’ En wat is oud nou helemaal? Ze vonden hem ook al oud toen hij op zijn zesendertigste in Oebele speelde. ‘Dan zeiden de kinderen: “Bent u zesendértig? Mijn vader is pas achtentwintig.” Wie veel met kinderen werkt, is altijd oud.’ Tuurlijk, zijn lijf drukt hem met zijn neus op de feiten. Hier, moet je zijn opgezwollen voet eens zien. ‘Madame Artrose heeft elke kamer die ze kan bezetten, geannexeerd. Het kréng!’

Liggende patiënt

Toch had hij een paar jaar geleden nog bijna Henry Higgins gespeeld in My Fair Lady. Een half jaar nadat hij aan keelkanker was geopereerd, kreeg hij dat verzoek van Joop van den Ende. ‘Ik zei: “Joop, als het even kan, doe ik het.”‘ Dat berichtje kwam in de krant: Willem Nijholt krijgt hoofdrol in ‘My Fair Lady’. En ja, dat las zijn oncoloog natuurlijk ook. ‘Die vroeg: “Mijnheer Nijholt, doet u dat nou voor mijnheer Van den Ende of voor uzelf?” Ik zei: “Allebei. Ik hou van Joop, en ik gun hem dat hij mij krijgt.”‘ Nou, dan moest hij het vooral maar doen, zei de specialist. ‘Hij zei: “Ga uw gang. Maar ik verzeker u dat ik u hier na drie weken repeteren als liggende patiënt terugzie.” Dat risico wilden Joop en ik niet lopen. Je mag best weten dat ik er wel een traantje om heb gelaten. Het was zo’n mooie afsluiting van mijn carrière geweest.’

Maar goed, hij vindt dat jurywerk op televisie ook ‘mooi en dankbaar’. Laatst werd hij vlakbij zijn huis nog aangesproken door een allochtone vrouw, gehuld in sluiers. ‘Mijnheer, u ben erge goede jury.’ Verrukt: ‘Zo verschrikkelijk leuk. Zelfs tot in Marokko word ik gewaardeerd.’ Terwijl het eigenlijk de bedoeling was dat niet Nijholt, maar Van den Ende zélf in die jurystoel zou zitten. ‘Joop zou Andrew Lloyd Webber zijn. Maar op een dag belde hij mij: “Willem, ik heb van mijn cardioloog te horen gekregen dat ik die tien live-uitzendingen niet mag doen. We weten niemand behalve jij.”‘

U moet bij die kandidaten iets van uzelf terugzien.

‘Nee. Dat was bij mij allemaal zo anders. Ik heb maar één keer auditie in mijn loopbaan hoeven doen. Dat was voor Miss Saigon. Joop had me die rol best zo willen geven, maar dat mocht niet van de makers. Hij zei: “Het spijt me, Willem, maar je zult echt auditie moeten doen. Met het risico dat ze je afwijzen.” Ik moest als laatste die dag, ’s middags om halfvijf. Ik kwam binnen, en het was direct overduidelijk dat ze er al een lange dag op hadden zitten. Ik zag hoe zenuwachtig Joop was. Hij stond op, met het zweet op zijn voorhoofd en ging heen en weer lopen. De muziek begon. En daar stond ik, met mijn vingers om de vleugel gekromd. Ik begon te zingen, keek naar mijn vingers en dacht: ze komen niet lós, verdomme. Alleen maar witte knokkels. Ondertussen zag ik het gezicht van de regisseur: “Doe je wérk, man!” Bij het tweede nummer dacht ik, je bent verdomme toch geen Pietje Puk! Laat die piano lós! Laat ze eens wat zíén! Toen liep ik naar het midden van de zaal en hoorde ik de regisseur zeggen: “Good Willem, come on.” Na afloop vloog ik de wc in, om een beetje gal te kotsen. Ja natúúrlijk. Stel je voor. Daar sta je dan, met de auteur en de regisseur voor je. Who the fuck is mister Nijholt?’

Maar hij werd het. Met zijn tweeënzestig jaar meteen de oudste acteur die ze ooit voor die rol hadden gecast. Ja, aan die spanning moet hij bij Evita en Joseph soms wel terugdenken.

‘Ik heb respect voor die kinderen. Ze doen het bovendien allemaal in drie dagen tijd. Op donderdag krijgen ze hun liedje, op vrijdag wordt er gerepeteerd. Zaterdag is de camerarepetitie en zondag is de live-uitzending. Ga er maar aan staan. Nu krijgen we Mary Poppins. Er zijn achttienhonderd aanmeldingen. Ik hoef gelukkig maar te kiezen uit de laatste zestig.’

Dus het staat er wel goed voor met het musicaltalent in Nederland?

‘Wat dácht je. En het leuke is dat het open audities zijn. Ook Conny Stuart mag meedoen.’

Mond vol bloed

Als jongen wist hij nauwelijks iets van theater. In Indië had hij voor de oorlog voornamelijk films gezien. Na de oorlog zette zijn filmliefde zich voort in Nijmegen. Daar zag hij Errol Flynn – verrukt zuchtend: ‘Ohhhh’ – en Deanna Durbin (‘ohhhh’). Allemaal in zwart-wit. Wat die sterren bij hem wakker riepen? ‘Een gevoel van: dit is het echte leven.’ Via een aanplakbiljet in Nijmegen belandde hij op een zaterdagavond in de jaren vijftig in de schouwburg, bij een voorstelling van De koopman van Venetië, van de Nederlandse Comedie. Het doek ging open en daar zag hij opeens Ko van Dijk, Ank van der Moer, Ton Lutz en Ellen Vogel. En ook nog eens in kleur! Die avond werd hij wakker gekust. ‘Ik was ongelukkig; was nog maar kort terug in Nederland, in een gezin waar de oorlog zijn sporen had getrokken. Ik zag die wereld op het toneel en wist: dáár kan ik gelukkig worden.’

Tot een paar jaar geleden was hij nog een omkijker, zegt Nijholt. Iemand die graag over zijn schouder terugkeek naar zijn verleden. Sinds vier jaar is dat veranderd. ‘Door die kanker gebéúrt er iets met je, hoor.’ Op een ochtend in oktober 2004 gaf hij opeens een mondvol bloed op. Ach, een gesprongen adertje, dacht de huisarts. De kno-arts die Nijholt vervolgens consulteerde, zei hetzelfde. Zegt u ‘ns A, mijnheer… Zie je wel, niks aan de hand. Zijn huisarts in Frankrijk – waar hij het grootste deel van het jaar woont – vertrouwde het niet. ‘Hij zei: “Er zit een ontsteking achter je amandelen. Laat daar in Holland eens naar kijken.”‘ Zijn huisarts in Amsterdam zag hem al weer aankomen… “Willem, ik heb je al gezegd: het is een gesprongen ader!” En dezelfde kno-arts van vijf maanden daarvoor kwam opnieuw niet verder dan een achteloos spateltje in zijn keel. ‘Ik zei: “Maar ik vóél dat ik ziek ben.”‘ Hij ziet hem nog meewarig glimlachen: ach ja, jullie acteurs… ‘Echt, ik ben niet meer verbaasd dat er soms dokters worden geslagen.’

Het was een navrant toeval dat hij net in diezelfde periode in de kinderfilm De Griezelbus speelde. Daarin was hij een vampier, die voortdurend een mond vol bloed heeft. ‘Ik moest steeds een slokje nepbloed nemen. Ik dacht: als ik even goed schraap, heb ik het zélf. Ja, je lacht je rot af en toe.’

Uiteindelijk belde hij met de arts die door Van den Ende Producties soms geconsulteerd wordt bij musicals in het Circustheater in Scheveningen. Daar kon Nijholt nog diezelfde middag gescand worden. Hij kon meekijken op de monitor. Zijn duim en wijsvinger spreidend: ‘Er zat zó’n ei.’ Eigenlijk schrok hij niet eens zo heel erg. ‘Ik dacht vooral: zie je nou wel. Ze vinden me vaak lastig, maar ik krijg wel altijd gelijk.’ Drie dagen later volgde de uitslag. ‘Die dokter zei: “Ik heb een ellendige mededeling.” Ik zag Ben (Nijholts partner, CV) ter plekke veertig jaar ouder worden. Ik zei alleen maar: wanneer kunnen we beginnen met de behandeling?’

Wel een cynische speling van het lot; iemand die zijn hele carrière heeft gezongen, wordt juist op die plek getroffen.

‘Ja, en niet alleen in mijn carrière. Ik zing altijd. Ik zing al als ik opsta. Echt, ik ga ooit zingend het graf in. En dan zit het uitgerekend dáár. Een intens valse streek van moeder natuur. “Zó, zing jij zo lekker, jongetje? Ik zal joueens even een pets verkopen!”‘

Bent u bang geweest?

‘Heel bang.’

Hebt u wel altijd geloofd in de goede afloop?

‘Nee. Mijn vader en moeder zijn allebei gestorven aan kanker. Dan denk je: en nu ik. De eerste week van de bestraling viel ik negen kilo af. En dan die pijn… Je slikt de hele dag. Ik heb nog steeds een schrale mond door de bestraling.’

Wanneer kreeg u weer een horizon terug?

‘Vrij lang daarna. Ik ging beter slikken. Maar ik wist wel: ik kan geen grote rol meer spelen. Ik probeerde me groot te houden. De allereerste keer op die tafel bij de bestraling lag ik te zingen: If my friends could see me now. Fluiten in het donker, dat was het. Maar zo ben ik. Dat heb ik geleerd in het kamp: overleven doe je zelf.’

Op schoot bij de dood

Maanden daarna had hij geen stem. Als een vaatdoek lag hij hier op de bank. Hij kon alleen gemalen of gezeefd voedsel eten. Drinken moest met een rietje. Godzijdank had hij zijn boeken, zegt Nijholt. Hij is een hartstochtelijk lezer. ‘Ik ben momenteel helemaal in Brakman. Die táál, die schitterende taal. Hij sleept je mee naar de krochten van zijn hallucinaties.’

En dan was Ben er natuurlijk, zijn reddingsboei. ‘Lag ik hier versuft op de bank, kwam die schat weer aan met allemaal lekkere hapjes. Net die ene appelmoes, die hij zelf helemaal niet lust. Of met een mooie dvd. Zonder hem had ik het niet gered. Ik heb in die tijd wel geconstateerd dat ik veel ausdauer heb. En ook zelfspot. Ik weet nog dat ik met een van mijn kleinkindjes op schoot zat (zo noemt Nijholt de kleinkinderen van zijn zus – CV). Er werd een foto van ons gemaakt. Zag je zo’n lekker dik, blozend kindje op schoot bij een totaal vermagerde man. Ik dacht: kijk eens aan, het jonge leven op schoot bij de dood. Ik vond mezelf echt een pierlala.’

Was u dicht bij de dood?

‘Heel dicht. Ik kon zijn adem ruiken. Je krijgt opeens het gevoel dat je de dingen voor het laatst ziet. Dat je de bomen niet meer zult zien uitbotten, dat er voor jou nooit meer een herfst zal zijn. Dat is intens beklemmend.’

Hebt u toen ook omgekeken naar uw carrière?

‘Nee. Hoewel ik nog wel gedacht heb aan Higgins en My Fair Lady. Toen ze de eerste repetitie hadden, heb ik ze allemaal vanuit de grond van mij hart succes toegewenst. Op de avond van de première lag ik in Frankrijk in mijn bed, met Brakman, stilletjes te hopen op een telefoontje. Maar niemand belde me. Dat heeft me enorm geraakt. Dat gevoel van: ik doe niet meer mee, ik ben niet meer van nut.’

Wat betekent dat dan?

‘Dat je in je leven steeds meer schraapsel van je gevoel afhaalt.’

Hebt u veel geschraapt?

‘Heel veel. Ik heb vaak moeten denken aan dat liedje van Henk Westbroek: Vriendschap is een illusie. Toen het uitkwam, dacht ik: leuk gevonden. Nu weet ik: het is een waarheid als een koe. Bij nader inzien voel ik me door sommige mensen toch wel misbruikt.’

‘Bij Joop heb ik voor het eerst ontdekt wat ik geldelijk waard was. “O? Kan ik dát verdienen?” Daarvoor zijn mij echt de kloten afgesneden. Na het eerste seizoen Foxtrot kochten Harry Bannink en Annie Schmidt allebei een nieuw huis en (producent) John de Crane zelfs zijn vijfde pand. En ik moest twee maanden de WW in. Hé, lúíster je? Twee maanden de WW in! Toen voelde ik me echt verneukt. Want ik stond daar wel die centen binnen te trekken. Nu lach ik erom. Had je maar niet zo stom moeten zijn.’ Ja, nu zullen anderen wel denken, o, daar heb je Willem Nijholt weer. Want het kleeft hem al zijn hele loopbaan aan: dat etiket van zeuren, van de eeuwige zeikerd. ‘Terwijl ik dat he-le-maal niet ben.’

Bent u lastig om mee om te gaan?

‘Néé! Néé! Ik ben nauwgezet. Ik stond ooit met Conny Stuart in een groentewinkel. Conny wilde twee gelijkvormige aardappelen hebben. Die had ze nodig om te poffen. Nee, die was niet goed; die was te klein en die te groot. “Goh, mevrouw Stuart,” zei de groenteman, “u bent wel lastig, hoor.” “Nee mijnheer,” zei Conny toen streng, “Ik ben nauwgezet.” Dat heb ik ook. Het is die man zijn vak om twee gelijksoortige aardappelen te vinden. Zoals het mijn vak is om mensen even hun dagelijkse sores te laten vergeten. Daar doe ik alles voor. Dus als een collega bij een repetitie elke dag te laat is, dan zég ik daar wat van. Ik repeteerde in Den Haag met een actrice die elke dag een halfuur te laat kwam. Ik zei: “Realiseer jij je eigenlijk wel dat je elke dag pas om half twaalf binnenkomt, terwijl ik al om acht uur in de trein zit?” Ja, dat was lastig, want haar wekker deed het niet. Goed, zei ik, dan zal ik je vanaf morgen elke dag om acht uur bellen. Wóédend was ze: “Zie je nou wel dat je lastig bent.”‘

Dat is ook raar van ouder worden, zegt Nijholt: het verleden tekent zich steeds scherper af. Die drie jaar dat hij in het jappenkamp zat – van zijn achtste tot zijn elfde – lijken alleen maar uit te dijen. ‘Die periode heeft mij voor een groot deel bepaald. Ik leerde al jong hoe mensen werkelijk zijn. Je zit tussen mensen die verrekken van de honger, die voortdurend lelijk tegen elkaar doen. Dan zou je toch zeggen dat je later alleen maar wantrouwen kunt voelen.’

Uw ouders, broertje en zusje en u zaten drie jaar in het kamp. Konden jullie na de oorlog nog samen een gezin zijn?

‘Nee. Dat was voorgoed voorbij. Er zaten vijf beschadigde mensen bij elkaar die angstvallig zwegen over wat hun was overkomen.’

Wanneer kocht u uw eerste Japanse auto?

‘Dat was heel raar. Ik reed mijn auto total loss, en had met spoed een nieuwe nodig. De enige die ik snel kon krijgen, was een Datsun. Ik ging met die wagen mijn tante opzoeken in Hengelo. Zij had ook in het kamp gezeten. Ze keek naar mijn auto en zei: “Willy, als je moeder nog zou leven, zou haar hart breken.” Heb ik hem de volgende dag verkocht.’ Ja, dat ontroert hem nu weer hevig. ‘Ik was erbij dat na de oorlog een Jap in een auto bij Soestdijk stopte en aan mijn moeder vroeg: “Palace? Palace of queen?” Mijn moeder zei: “Nippon?” En spuugde hem een grote klodder in het gezicht.’

Dat kamp moet uw karakter mede bepaald hebben.

‘Dat kan haast niet anders. Ik was in het kamp zo wantrouwig geworden. Door dat kamp rubriceer je mensen: dat is een veelvraat en dat een meevreter. Dat is een opportunist, en dat is een echte op wie je kunt vertrouwen. Mijn moeder zei: “Straks als we in Holland zijn, wordt alles weer fijn. Daar is alles leuk en zijn de mensen aardig.” Dat viel in werkelijkheid natuurlijk ontzettend tegen. En ik moest met mijn dertien jaar gewoon weer terug naar de lagere school. Dat blijft je altijd achtervolgen: het gevoel dat je achter de feiten aan loopt. Ik heb geen goede opleiding gehad. Terwijl ik dolgraag Nederlands had willen studeren.’

Wel frappant dat u nu die Lofrede op ‘Oeroeg’ doet. Daarmee lijkt de cirkel rond.

‘Beslist. Terwijl ik Oeroeg toen het uitkwam niet wilde lezen. Want Indië, dat was het kamp. Nu ik vijfenzeventig ben, kom ik terug met het verhaal van die Indische jongen. Kan het mooier? Mijn enige angst is of dat wat ik geschreven heb ook fysiek kan voordragen. Lukt het met mijn keel, houdt mijn stem het wel? Dat maakt me soms onzeker. Dat is het nadeel van ouder worden; naarmate je het langer doet, weet je ook steeds beter wat er mis kan gaan.’