Beschouwing / Breyten Breytenbach verzameld

Eens een activist, altijd een activist. Dat zou wel eens het lot kunnen zijn van Breyten Breytenbach, dichter en schilder, maar toch vooral ook bekend als vrijheidsstrijder tegen het voormalige apartheidsregime in zijn vaderland, Zuid-Afrika. Het is zelfs maar de vraag of hij, zonder dat politieke engageme nt, als dichter wel de aandacht zou hebben gekregen die hij nu kreeg, en zeker zou hij niet zo’n icoon zijn geworden als nu het geval is.

Laurens Vancrevel, de uitleider van de juist verschenen tweetalige bloemlezing uit Breytenbachs gedichten, De windvanger, vraagt het zich ook af. En concludeert dat een onpolitieke reputatie ‘zijn literaire betekenis en de veelzijdigheid van zijn dichterschap minder in de schaduw (zou) hebben gesteld’. Ook zonder die politieke betrokkenheid een groot dichter dus.

Het valt historisch gezien ook niet goed tegen te spreken. Bij zijn debuut in 1964 werd Breytenbach in zijn vaderland direct al herkend als een belangrijk taalvernieuwer. Enigszins vergelijkbaar met wat bij ons dichters als Lucebert en Hugo Claus deden, gaf hij met zijn associatief en beeldend vermogen het Afrikaans een flinke duw uit dat enigszins stijve en nette harnas waarin de taal van Van Wijk Louw en Totius zich al die jaren had opgehouden.

Maar taalvernieuwing thuis maakt buitenshuis nooit veel emoties wakker. Wij Nederlanders kunnen wel menen dat we het Afrikaans zo’n beetje snappen en kunnen volgen, de details ontgaan ons toch en juist de taalverwantschap verwart nogal eens. Of zoals Adriaan van Dis, een van Breytenbachs vertalers, eens demonstreerde: ‘Een uil “verwilder”, is niet een uil verwilderen, maar verjagen.’ Wat ons exotisch in de oren klinkt, is in het Afrikaans vaak doodgewoon alledaags taalgebruik.

Het waren dan ook niet zijn taalvernieuwende impulsen die Breytenbach zijn naam bij ons opleverde. Die heeft hij toch veel meer te danken gehad aan zijn charisma als blanke tegenstander van de apartheid. Toen hij begin jaren zeventig twee keer werd uitgenodigd op Poetry International, dat in die jaren het politiek engagement van dichters nog hoog in het vaandel had staan, leerde Nederland hem van dichtbij kennen. Samen met Elizabeth Eybers vormde hij in die tijd zo’n beetje de eenzame voorpost van de Zuid-Afrikaanse poëzie in ons land.

Met het geserreerde, welgevormde werk van Eybers heeft Breytenbach overigens nauwelijks iets gemeen. Dat van hem is bandelozer, plastischer, vuriger en vaak ook een stuk onbegrijpelijker. Het heeft in het algemeen ook veel minder aan de West-Europese poëzie te danken dan aan bijvoorbeeld de Zuid-Amerikaanse. Pablo Neruda, die grote, gepassioneerde dichter uit Chili met de weidse gebaren, is een van Breytenbachs favorieten. En in met name het vroege werk zijn ook nogal wat oosterse, zen-achtige trekjes waarneembaar. Al met al is hij dus zeker niet de prototypische witte protestant van onze westerse cultuur.

Je zou denken dat Breytenbach, nu hij wat ouder geworden is een bloemlezing als De windvanger samenstelde, teneinde het ietwat misvormde beeld rond zijn oeuvre te corrigeren, allicht de nadruk wat meer op zijn lyrische gedichten zou laten vallen dan op de politiek geëngageerde exemplaren. Wat meer liefdesgedichten dan verzen in ballingschap of uit de gevangenis bijvoorbeeld. Het pure in plaats van het geëngageerde dichterschap.

Wie daarop rekent, komt in deze bloemlezing nogal bedrogen uit. De windvanger bestaat uit drie delen: de vroege gedichten (‘in ballingschap’) 1964-1975, een middenperiode (‘gedichten uit de gevangenis’) 1975-1983, en het late werk (‘gedichten van buiten’) 1983-2006. En alleen in die laatste afdeling overheerst een apolitieke stem, en zelfs enige melancholieke berusting dat het afgelopen is met het geëngageerde geluid:

ek het hoog en laag probeer preek

teen armoede en onreg

maar op die ou einde was ook dit

slegs selfbevlekkende romantisme

en niemand wou aanvaar ek is

’n Afrikaan nie.

‘En niemand wilde accepteren dat ik een Afrikaan was,’ zegt de vertaler wat zakelijker dan het Afrikaans ons in de oren klinkt. Misschien is dat wel een verborgen tragiek van deze dichter, dat hij zo internationaal geworden is dat hij nergens meer lijkt thuis te horen.

Opvallend is verder dat Breytenbach een gedicht als ‘Die blindes luister met die oë’, door inktbroeder André Brink omschreven als ‘een van die grootste in Breyten se hele oeuvre’, niet selecteerde. Naar de reden daarvan moet je gissen, maar dichters houden wel vaker niet van hun publiekslievelingen.

In de eerste twee afdelingen overheerst als gezegd een toon van verzet en vallen de woorden ballingschap en gevangenis voortdurend. In ‘Luistervink’ bijvoorbeeld, een vroeg exemplaar uit 1968:

jy vra my hoe dit is om in ballingskap te leef, vriend _

wat sal ek dan sê?

dat ek te jonk is vir bittere verset

en te oud vir wijsheid of berusting

by my Lot?

Nogal ironisch natuurlijk, want hij is dan eerder te jong voor berusting, en te oud voor verzet.

Echte ballingschap was het strikt genomen overigens niet, per slot van rekening verliet de dichter zijn vaderland in de jaren zestig vrijwillig om in Parijs te gaan wonen. Hij trouwde met een Française van Vietnamese afkomst en mocht vervolgens vanwege zoiets racistisch als de Wet op de Gemengde Huwelijken (van 1949) en de Ontuchtwet (van 1950) niet meer terug naar zijn geboorteland. In Frankrijk organiseerde hij vanuit de groep Okhela het verzet tegen de apartheid. In 1975 bezocht hij illegaal Zuid-Afrika, werd verklikt en wegens hoogverraad tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na veel buitenlandse druk en bemiddeling van de Franse president François Mitterrand werd hij in 1982 vrijgelaten, keerde naar Parijs terug en nam de Franse nationaliteit aan.

Dat zijn natuurlijk niet mis te verstane geloofsbrieven voor een dichter met een politieke missie. Zijn poëzie was er dan ook van doordesemd, zoals het volgende gedicht, een variant op het Onze Vader, ‘Onse milde God van alles wat soet en mooi is’, voor de verandering in de Nederlandse vertaling:

Maar laat ons ons verlossen

van de boze

Opdat wij kunnen afrekenen met de schuld van eeuwenlang

Opgeborgen uitbuiting, beroving, verneuking,

En de laatste rijke vrek verrekt,

door zijn geld vergiftigd

Want aan ons behoort het

mensenrijk, de kracht en de

heerlijkheid,

Van nu tot in alle eeuwigheid net

zo eeuwig

Als de schaduwen en grensposten van de mens

Als hij goddelijk de aarde uit de

hemel scheurt

Ah mens! Ah mens! Ah mens!

Tegen een dergelijk gedicht met in plaats van een vroom amen de verheerlijking van de mens, konden die al-te-christelijke overheersers in Zuid-Afrika natuurlijk niet. Breytenbachs werk werd, als het al niet verboden werd, voortdurend gecensureerd in zijn vaderland.

Opmerkelijk dat de dichter, ondanks de narigheid van asiel en gevangenis, toch steeds luidkeels blijft zingen, zijn werk wordt bepaald niet soberder van alle ontbering. Een enkele keer wordt de rauwe realiteit hem te machtig (‘jullie veiligheidsdiensten, gepantserd als schildpadden, / zullen met traangas en wapenstok het onoplosbare gegeven / proberen te vereenvoudigen tot spoken op het behang’ – in het Afrikaans klinkt het vele malen sappiger) maar meestal zoekt hij zijn heil in taalextase:

hij besloot toen op te trekken

dieper de landstreek van klinkers

en medeklinkers in

waar zuivere geluiden groeiden (maar ook ander keelgoed

en lipslimmigheid die de adem

zelf intoomden: muisvogels

tussen de adamsvijgen)

naar de gebieden waar de zin

en de onzin en de tegenzin aardden

De taal als wapen, zeg maar. Maar dichterlijk of activistisch, zijn taal blijft steeds uiting geven aan een heftig temperament.

Opmerkelijk is daarbij dat de vroegere liefdeslyriek, waarin Breytenbach nogal eens aan Hooglied herinnert (‘bleek is de kleur van mijn beminde / zwart is zij in heel mijn nacht / en ook altijd tussen mij en mijn ogen), zoals er überhaupt nogal wat bijbeltaal in zijn werk is overgebleven, in de latere werken heviger en dramatischer wordt, alsof nu de vroegere vijand, apartheid, verdwenen is, opstandige gevoelens elders een uitweg zoeken:

as my hande ooit die ronding

van jou lyf sou vergeet

die kurwes en die holtes

en jou warm gladde vel _

mag hulle opswel soos spanspekke en bars

mag die mieren hulle opvreet

in die nag wanneer ek onder

die laken lê

mag hulle afrot in die donkerte

van die aarde

‘Spanspekke’ zijn overigens meloenen. Het is een liefdesgedicht dat qua toon aan de vroegere gevangeniswerken herinnert, bezwerend, retorisch, meeslepend.

En zo wil het werk in de keuze van Breytenbach zelf kennelijk het liefst overkomen: vitaal, woelig en woordenrijk, meer op spontaniteit en gevoel gericht dan op verstand en strakke vormen. Een van zijn credo’s luidt dan ook: ‘Schrijven is geen kunstvorm, het is een levenskunst.’ Misschien daarom heb je nogal eens het gevoel dat zijn gedichten voor hetzelfde geld anders zouden kunnen lopen – ze maken lang niet altijd een dwingende indruk.

Dat past bij Breytenbachs opvatting van een levende kunst. Het gaat wat hem betreft niet om de diepere, verborgen betekenissen van een tekst, maar juist om de buitenkant, de oppervlakte waar het geheimzinnige proces zich voltrekt. Dat althans lees ik in deze poëticale passage uit het gedicht ‘Winterwerk’:

taal is geen kleed van betekenis

er is geen diepe kennis die

toegankelijk ingerold

opengegooid en ontmaskerd

moet worden /

mysterie fluistert al in de

bewegingen

van de oppervlakte

Vandaar natuurlijk ook de titel van deze bloemlezing, De windvanger, die lijkt te verwijzen naar de romantische aeolusharp: zo de aanblazingen komen, zo klinkt de muziek, steeds weer wisselend, nooit afgerond.

Het is trouwens een houding die niet alleen zijn poëzie bepaalt, maar ook zijn proza, zijn essayistiek, zijn schilderwerk en zelfs zijn verhouding tot zijn geliefde en de lezer: ‘nee, rond my liefs nooit af, lief. bou altyd alleen / tot die punt waar ek déél van jou bly, leser.’

Of we als Nederlandse lezers het allemaal goed meekrijgen, is moeilijk te bepalen. Het Nederlands van de vertalers Krijn Peter Hesselink (zelf opkomend slamdichter), Laurens Vancrevel en Adriaan van Dis (je komt er niet achter wie wát heeft vertaald, of zijn het collectieve staaltjes?) ziet er in elk geval ordentelijker uit dan het Afrikaans, maar het kost, juist met de vertaling ernaast, niet veel moeite het toch niet gemakkelijke taalgebruik van Breytenbach te volgen.

Hier en daar heb ik wel vraagtekens. Waarom bijvoorbeeld wordt een woord als ‘tronkvoël’ omslachtig vertaald met ‘bajesklant slaat vleugels uit’, terwijl ‘bajesvogel’ veel dichter bij het origineel zou liggen. En ook van een regel als ‘daar is geen tyd / tyd is die mens se vel’ klinkt in het Nederlands opeens raar: ‘er is geen tijd / tijd is het mensenvel.’ Daarentegen zijn er ook mooie vondsten te noteren. Het wonderlijke woord ‘gegatskuif’, een neologisme zo te zien om een soort over de aarde schuiven mee aan te duiden, werd vertaald met ‘aarsschoof’.

Het zijn typisch problemen en oplossingen voor een werk dat graag met zijn buitenkant te koop loopt, dat met zijn taal de lezer wil verleiden. Breytenbach is een taalschilder. Daardoor doet zijn poëzie, in een tijd waarin bij ons de taal weer gewoon geworden is en de beelden veelal van de straat komen, soms wat ouderwets aan, opgestookt door een vuur dat in onze cultuur niet meer voorhanden lijkt.

Misschien voelt de dichter zelf ook wel zoiets als hij schrijft:

Die dooie dichter voel hoe trek

die stroom

van ’n ander verlede

waar drome versuip het

en wrakke vasgetan op koraalriwwe slaap

in ’n ewige roes

Maar dood of vergaan, het maakt hem niet uit:

Hij lacht, draait zich om, zwemt

dieper de zee in

en wast alle stront uit zijn hoofd

Oftewel, Breyten Breytenbach, die exotische neef van de Nederlandse dichtkunst, laat zich niet zomaar van zijn eigen wijs brengen.

Breyten Breytenbach, ‘De windvanger, gedichten 1964-2006’, vertaald door Krijn Peter Hesselink, Laurens Vancrevel en Adriaan van Dis, Podium, 328 pagina’s, € 26,50