Je kunt dit verhaal dankzij Blendle ook beluisteren.
De Klusfabriek van jongerenwerkorganisatie DOCK is van ver te herkennen. Op een klein gebouw in Amsterdam-Noord staat op een muur in grote, gekleurde graffiti letters ‘Kluzzfabriek’. En natuurlijk ontbreekt een groot Ajax-logo niet.
Marinus Klarenbeek is al negentien jaar jongerenwerker en werkt bij De Klusfabriek. Hij wijst naar een legergroene scooter voor het gebouw. ‘Dat is de mijne, die mochten ze van mij spuiten.’
De Klusfabriek staat er nu zes jaar. Het is een jongerencentrum waar allerlei activiteiten worden aangeboden. In de kleine werkplaats kunnen de jongeren bijvoorbeeld leren lassen en aan fietsen sleutelen. Naast de werkplaats is een soort huiskamer en keuken, waar het met de minuut drukker wordt. De jongeren begroeten Klarenbeek allemaal persoonlijk, met een boks, hand of knuffel (toen dat nog mocht).
Op een druilerige dinsdag laat Klarenbeek het jongerencentrum zien waar ze die avond een ‘Eat & Meet’ organiseren. Het is een activiteit waarbij jongeren samen met een aantal vrijwilligers boodschappen doen en avondeten klaarmaken. ‘Ze willen vandaag graag kipshoarma eten,’ zegt Klarenbeek. ‘Dat mag, maar we willen wel gezonde voeding, dus er moet wel een salade bij en sausjes moeten ze dan ook zelf maken.’
Kleine successen
Voor buitenstaanders is het niet altijd duidelijk wat jongerenwerkers precies doen. Volgens Fabian Keerveld, teamleider bij Jongerenwerk Op Zuid (JOZ) in Rotterdam, werden ze vroeger als een soort ‘activiteitenboer’ gezien. ‘De meerwaarde van jongerenwerk wordt steeds meer erkend’, zegt Keerveld. ‘Het jongerenwerk heeft ook wel een professionalisering doorstaan. Het is niet meer “boksje hier, boksje daar”. Dat is echt veranderd. Het is echt een professioneel vak.’
‘De blijdschap van zo’n jongere is goud waard.’
De successen zitten in kleine dingen. Zo vertelt Keerveld over een jongen die bij het jongerenwerk terecht kwam. ‘Hij heeft op verschillende kruispunten in zijn leven gestaan, is aan de hand meegenomen door het jongerenwerk en is iets voor de wijk gaan betekenen.’ Maar op zijn verjaardag zat hij nog steeds alleen thuis, omdat zijn familie op Curaçao woont. Een jongerenwerker belde hem op en feliciteerde hem, en kwam er dus achter dat hij alleen thuis zat. ‘Vervolgens zegt zo’n jongerenwerker: “Ik kom je ophalen.”’
‘De blijdschap van zo’n jongere is goud waard,’ zegt Keerveld. ‘Dit oogt als een klein succes, maar al die succesjes in verschillende wijken met jongeren, dat is samen een heel groot succes.’
Decentralisatie anders uitgepakt
Er zijn tussen de 1800 tot 2000 jongerenwerkers actief in Nederland. Dit aantal is sinds 2009 nagenoeg gelijk gebleven, bleek uit onderzoek van het Verwey-Jonker instituut vorig jaar.
Ernst Radius, senior adviseur bij brancheorganisatie Sociaal Werk Nederland, benadrukt dat dit om een totaalplaatje gaat. ‘Dat kan betekenen dat er in de ene gemeente is bezuinigd, het in een andere gemeente hetzelfde is gebleven en in een andere gemeente iets is gestegen.’ Wat hem zorgen baart, is dat de verwachtingen van de decentralisatie van de Jeugdwet in 2015 niet zijn uitgekomen. De bedoeling was dat die decentralisatie voor meer preventief werk moest zorgen, en dus ook meer jongerenwerk. Dat is niet gebeurd.’
Een makkelijke oplossing zal er niet zijn om de problemen binnen jeugdzorg op te lossen.
Dat de verwachtingen van de decentralisatie anders zijn uitgepakt, is volgens Marcel Spierts goed te verklaren. Hij is onderzoeker, publicist en oprichter van Youth Spot, het onderzoekscentrum voor jongerenwerk van de Hogeschool van Amsterdam. ‘Gemeenten werden verantwoordelijk voor iets waar het Rijk verantwoordelijk voor was: jeugdzorg’, zegt Spierts. ‘In 2015 is de nieuwe Jeugdwet ingegaan. Die gemeenten zijn enorm gaan regelen en organiseren, met een enorme bureaucratie als gevolg. Bovendien moest dat met minder geld. De jeugdzorg oogt nu tamelijk chaotisch.’
Problemen in de jeugdzorg
‘Tamelijk chaotisch’ is misschien nog zwak uitgedrukt als we kijken naar de ontwikkelingen van de afgelopen paar jaar. De vraag naar jeugdzorg sinds 2015 gestegen, volgens cijfers van het CBS: in 2019 kreeg 1 op de 10 jongeren jeugdzorg. Terwijl er naast de decentralisatie van de Jeugdwet ook bezuinigd werd. In 2017 concludeerde het Nederlands Jeugdinstituut al dat lange wachtlijsten onvermijdelijk waren.
Begin mei 2019 bleek uit een rondgang van de Volkskrant dat gemeenten beslissingen moesten nemen over bezuinigingen, omdat de zorgtaken te veel geld kosten. Ook de jeugdzorg wordt genoemd. Diezelfde maand luidde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in een open brief de noodklok. Een week later volgden verschillende wethouders door het hele land, ook met een open brief. Ze pleitten allemaal voor meer geld naar de jeugdzorg.
Het kabinet ging overstag, werd bekend gemaakt in de Voorjaarsnota van vorig jaar. 420 miljoen euro werd vrijgemaakt voor de jeugdzorg. Tot 2021 zou daar nog eens 600 miljoen euro bijkomen. Toch blijft er onvrede. De miljoenen zijn onvoldoende, en dit leidde in september 2019 tot een historisch moment in de Nederlandse jeugdzorg: de eerste staking sinds het ontstaan van de jeugdzorg in 1901.
Ondertussen zijn er ook een aantal alarmerende rapporten verschenen over de kwaliteit van de jeugdzorg, zowel voor als na de staking.
Bijdragen aan de Jeugdwet
Een makkelijke oplossing zal er niet zijn om de problemen binnen jeugdzorg op te lossen. Dat heeft ook gevolgen gehad voor het jongerenwerk, want meer geld voor een preventieve aanpak is vaak uitgebleven.
Het lijkt een gemiste kans, want uit onderzoek van Youth Spot is gebleken dat het jongerenwerk juist kan bijdragen aan de ‘transformatiedoelen’ van de Jeugdwet, opgesteld om de jeugdzorg en jeugdhulp efficiënter en effectiever te maken.
Een betekenisvolle relatie tussen het jongerenwerk en een jongere, heeft zeker zes maanden tijd nodig.
Naast een positieve bijdrage aan de eigen kracht van jongeren en participatiebereidheid, vond 33 procent van de jongeren hulp via het jongerenwerk. Daarnaast laat het onderzoek zien dat jongerenwerkers goed zijn in het bereiken van jongeren met zware problemen en ze kunnen stabiliseren. ‘Ongeacht de beschikbaarheid van (gespecialiseerde) hulp. Het merendeel van deze groep krijgt individuele begeleiding, waarvoor het jongerenwerk geen wachtlijsten heeft,’ staat in het rapport.
‘Wij zitten echt op preventie’
Het onderzoek is een steun in de rug van jongerenwerkers. ‘Jongeren komen verschillende mensen tegen in hun leven’, vertelt jongerenwerker Annemarie Mikkers. ‘Ze hebben vaak kortlopende trajecten, bijvoorbeeld op school. Er zijn veel wisselingen. Maar de jongerencentrums in de wijk blijven. We zien jongeren die een aantal jaar meedoen en iets opbouwen. En dan kunnen ze later weer terugkeren met een hulpvraag. We werken vanuit een vertrouwensband opbouwen, een betekenisrelatie opbouwen. Dat is een belangrijke spil in het leven voor die jongeren. Waar hulpverlening stopt, gaan wij verder.’
Die stabiele aanwezigheid is belangrijk, want uit het onderzoek van Youth Spot blijkt dat jongerenwerk geduld vergt. Een betekenisvolle relatie tussen het jongerenwerk en een jongere, heeft zeker zes maanden tijd nodig.
Mikkers werkt in Almere, net als collega-jongerenwerker Referinio Plet. Mikkers in een jongerencentrum in Almere Buiten, Plet in een activiteitencentrum in Kruidenwijk. ‘Wij zitten echt op preventie’, zegt Plet. ‘We zetten bijvoorbeeld in op jongeren uit groep zeven en acht. Die jongeren heb je dan al in zicht. En als ze op latere leeftijd tegen dingen aanlopen, dan weten ze ons al te vinden.’
Overvraagde jongerenwerkers
Volgens Fabian Keerveld is vooral de combinatie tussen problemen voorkomen en reactief te werk gaan een kracht van jongerenwerk. ‘Er speelt wat, wij gaan eropaf. Wij zien nu in Rotterdam de messenproblematiek en de jongere leeftijden. Dat speelt een grote rol in de stad, en dat is iets waar de gemeente ook veel mee bezig is. Hoe kunnen wij op zo’n vroeg mogelijke leeftijd al die mindset van jongeren positief beïnvloeden? Zodat ze weerstand kunnen bieden tegen de druk van de wijk.’
‘Op een gegeven moment zag ik één van die jongens niet meer. Ik dacht: die zal wel vast zitten.’
Omdat de jongerenwerkers zo goed contact hebben met de jongeren en ook dicht bij de jongeren staan, willen andere partijen graag met ze samenwerken. Jongerenwerkers houden contact met ouders, buurtbewoners, scholen, wijkteams en politie. Dat kost veel tijd. Uit het onderzoek van het Verwey-Jonker instituut blijkt dan ook dat jongerenwerkers overvraagd zijn.
‘We worden nog niet overspoeld, maar we hebben dit wel neergelegd bij de gemeente,’ zegt Keerveld. ‘Als jongerenwerkers willen we zijn waar de jongeren zijn. Maar wat betreft capaciteit moeten we nog meer hebben om alle partijen te kunnen bedienen. We doen wat we kunnen doen en we willen meer doen, maar daar hebben we meer voor nodig. We zien gewoon dat jonge jongeren afglijden, terwijl het mogelijk was dat te voorkomen.’
Geen sprake van trend
Interessant zijn daarom ook de uitspraken van minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus, die na de moord op advocaat Derk Wiersum afgelopen september opriep om jongerenwerk in te zetten tegen drugscriminaliteit. Alleen om dat te bereiken hebben we zo’n twintigduizend jongerenwerkers nodig.
De gemeente Amsterdam besloot in december twaalf miljoen euro uit te trekken voor het jongerenwerk om zo de schade van eerdere bezuinigingen te herstellen. Ook Den Bosch nam zich voor in 2017 het jongerenwerk weer een duwtje in de rug te geven, nadat het flink was afgezwakt.
Ken je me nog?
Soms zie je successen zelfs pas jaren later, zegt Gunther Baelen. Hij is sinds 1997 actief als jongerenwerker en werkt bij een jongerencentrum van PowerUp073 in Den Bosch. ‘Je hebt natuurlijk onmiddellijk resultaat als je helpt bij het vinden van een bijbaantje, of het zorgen voor een doorverwijzing. Als je werkt aan gedrag en toekomstperspectief zie je het niet meteen, soms bereik je een minimaal resultaat. Maar jaren later kom je dan jongeren tegen die je komen bedanken.’
Ook Klarenbeek, de jongerenwerker in Floradorp, maakt dat mee. Hij vertelt ook over een groepje straatjongens, dat voor het centrum hing. Ze hadden overal commentaar op. ‘Toen zei ik: “Weet je wat het probleem is? Jij loopt elke dag hetzelfde rondje. En dan klagen bij een ander, in plaats van uit je rondje stappen. Je woont bij je moeder thuis, hebt geen dubbeltje op zak, maar je praat alsof je een gangster bent.” Op een gegeven moment zag ik één van die jongens niet meer. Ik dacht: die zal wel vast zitten. Je kunt niet iedereen helpen.’
Vier à vijf jaar later kwam Klarenbeek diezelfde jongen weer tegen.
‘Nog bedankt hè!’
‘Waarvoor?’
‘Ik heb naar je geluisterd. Ik ben eruit gestapt. Ik woon nu daar, heb een vrouw, en ze is zwanger.’
‘Daar zit dan jaren tussen, en dat zijn ze dan niet vergeten,’ vertelt Klarenbeek.
Om hem heen zijn de jongeren en vrijwilligers druk bezig met de maaltijd klaar maken. Het shoarma vlees staat op een hoog vuur te bakken, en de broodjes gaan de oven in. Klarenbeek laat ze lekker hun gang gaan, en scrolt met een glimlach door foto’s op zijn telefoon. ‘Ik zou dit vaker moeten doen, om weer even te zien wat we allemaal hebben gedaan de afgelopen jaren. Het is zo veel.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.