Het denkplezier spat ervan af bij de jonge talenten van de Nederlandse filosofie. Ze doen niets liever dan vertellen over hun onderzoek, hun verse ideeën, of een inspirerend boek dat ze net ontdekt hebben.

Portretten Nederlands filosofisch talent

Niet allemaal willen ze ‘filosoof’ genoemd worden, dat klinkt te veel alsof ze de wijsheid in petto hebben, maar ‘denkers’, dat mag. Ze komen van binnen en buiten de universiteit, werken op uiteenlopende gebieden en hebben verschillende specialismen: van ethiek tot ruimtelijke ordening en van politiek tot internet. Maar wat ze gemeenschappelijk hebben, is het observeren, het analyseren en uitpluizen van de dingen. Want de kracht van filosofie is niet het toevoegen van nieuwe feitenkennis, maar het op een net andere, dwarse manier naar de werkelijkheid kijken.

David Hamers
David Hamers (33) is onderzoeker in dienst van het Ruimtelijk Planbureau (RPB). Hij promoveerde in 2003 op Tijd voor Suburbia. De Amerikaanse buitenwijk in wetenschap en literatuur aan de Universiteit Maastricht.

Over grenzen heen kijken, doet hij graag. ‘Dat is mijn erfenis uit Maastricht, waar ik ben opgeleid met een flinke dosis postmoderne filosofie.’ Zijn proefschrift was nog niet klaar, of hij was al aangenomen bij het RPB om met een groep jonge onderzoekers en ontwerpers (onder wie planologen en landschapsarchitecten) ‘verborgen land’ te gaan verkennen. ‘Door alle kritiek op ruimtelijke ordening in Nederland, met de ontelbare regeltjes en bestemmingsplannen, is nu het idee ontstaan dat juist gebieden die zich onttrekken aan die ordening, interessant kunnen zijn. Die stroken niemandsland op de grens van stad en land doopten we “tussenland—. Werken, wonen, recreëren, vaak loopt alles door elkaar heen in zulke landschappen, iets wat in Nederland officieel eigenlijk niet kan. We hebben gebieden in Nederland, Polen, Italië en Denemarken bestudeerd, onder meer door met zijn achten tien dagen in een busje rond te trekken.’

Na jarenlang in zijn eentje hebben zitten lezen en schrijven, was de overgang enorm, maar tot zijn eigen verbazing vond hij het geweldig. ‘Vooral de samenwerking met ontwerpers leidde tot een experimenteler vorm van onderzoek dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Het mooie was dat iedereen over de grenzen van zijn vakgebied heen moest kijken, we bevroegen allemaal elkaars denk- of werktraditie.’ Het project is inmiddels met succes afgerond: de publicatie Tussenland heeft zowel in de media als in de vakwereld en binnen het ministerie van Vrom veel aandacht gekregen – in de ruimtelijke ordening is de categorie ’tussenland’ inmiddels een begrip.

Zijn werk voor het planbureau is in zekere zin een praktische voortzetting van zijn proefschrift, waarin hij de verbeelding van Amerikaanse buitenwijken in literaire en wetenschappelijke teksten onderzocht. ‘Door stereotypen over die wijken te analyseren, ontdek je welke concepten of beelden op voorhand uitgesloten worden. Alleen dan worden alternatieve beelden mogelijk.’ Ook hiervoor was het nodig om over de grenzen van zijn eigen vakgebied heen te kijken, zoals naar de sociologie en geografie. Dat hem dat ook kwetsbaar maakt voor kritiek, realiseert hij zich: ‘Vanuit iedere afzonderlijke vakdiscipline gezien, is mijn blik nooit precies genoeg. Maar die prijs betaal ik graag.’

Bas Haring
Bas Haring (36) is universitair hoofddocent aan de faculteit wis- en natuurkunde van de Universiteit Leiden. Hij promoveerde in 1997 in de kunstmatige intelligentie. Zijn debuut Kaas en de Evolutietheorie ‘voor slimme mensen vanaf elf jaar’ won in 2002 de Gouden Uil voor jeugdliteratuur en de Eureka!-prijs voor wetenschappelijke literatuur. Hij schreef ook nog De ijzeren wil (2003), over bewustzijn, het brein en denkende machines.

De afgelopen twee jaar zijn druk geweest voor Haring. Niet alleen schreef hij naast zijn werk op de universiteit twee boeken, ook zat hij in het vaste panel van het televisieprogramma Nieuwslicht en presenteerde hij het populair-filosofische televisieprogramma Stof, waarin hij op een speelse manier vragen behandelde over de menselijke geest en de zin van het leven.

Hij verheugt zich erop volgend jaar wat rust te nemen voor het schrijven van een nieuw boek, dat moet gaan over het eigen leven van denkbeelden. ‘Wij worden gebruikt door onze denkbeelden. Denkbeelden op basis waarvan wij ons gedragen, houden zichzelf in stand – zoals religie: daarbij hoort dat je ergens in gelooft, én dat je dat geloof moet verspreiden. Zo spant dat denkbeeld ons voor zijn eigen karretje.’ Schijnzekerheden onderuit halen, en het rationeel uitpluizen van voor lief genomen ideeën, daar houdt hij van.

Want alleen zo komt verandering tot stand. ‘Anders hadden vrouwen nog steeds geen stemrecht.’ Niet dat hij nou zo’n hoger doel nastreeft, voor hem geen morele praatjes over je leven in dienst stellen van anderen. Wat hem aantrekt in de filosofie is de rationaliteit. ‘Goede filosofen zijn bèta’s: zakelijk en analytisch.’ Bovendien: ‘Ik ben een egocentrist. Het gaat mij erom dat ik gelukkig ben.’ Een heel gezond biologisch mechanisme, vindt hij zelf.

De enige geheime boodschap waarop je hem kunt betrappen, is een pleidooi ‘voor het leven an sich’. Waarmee hij bedoelt dat mensen vaak vergeten dat het gaat om het proces zelf. ‘Ze denken dat het moet, die ratrace van hard werken en hogerop komen. Kijk, weer zo’n denkbeeld dat ons voor zijn karretje spant.’

Stine Jensen
Stine Jensen (32) doceert literatuurwetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en schrijft voor NRC Handelsblad boekrecensies en cultuurfilosofische artikelen. Ze ziet als jurylid van de Socrates-Wisselbeker de jaarlijkse oogst aan Nederlandse filosofieboeken voorbijkomen, en is heel tevreden over de kwaliteit daarvan – ‘al zit er ook veel slaapverwekkends tussen’.

Haar scriptie De verlangenmachine. Over vrouwen in de popmuziek verscheen in boekvorm, en haar proefschrift Waarom vrouwen van apen houden (2002) trok nog meer aandacht – alleen al vanwege het opmerkelijke onderwerp. Hoewel niet altijd even subtiel: weekblad Flair vroeg vrouwen op straat of ze het met een aap zouden willen doen. ‘Gádver, natuurlijk niet!’ roept Jensen lachend uit. ‘In een paar boeken en een film die ik analyseerde, vond dan wel bestialiteit plaats, maar dat is ook het mooie aan fictie: dat je morele dilemma’s kunt doordenken.’

Jensens boek gaat over de dubbelzinnige positie van de aap, tussen mens en natuur in. ‘De aap is voor ons een projectiefiguur. Conclusies in biologisch onderzoek over gedrag van apen weerspiegelen vaak obsessies van de mens. Dat zie je ook terug in de buitensporige aandacht voor de seksualiteit van bonobo-apen.’

In haar artikelen voor NRC probeert Jensen ‘de tijdgeest te vangen vanuit hedendaagse populaire cultuur’, door bijvoorbeeld vergelijkingen te trekken tussen de vrouwen uit Sex and the City, Bridget Jones en de film The Hours. Dat doet ze ook in haar maandelijkse rubriek in het radioprogramma Desmet live van Theodor Holman – zo gaf ze een beeldvormingsanalyse van het nieuwe glossy tijdschrift Sen, gericht op ‘mediterrane vrouwen’.

Jensen: ‘Fatema Mernissi, een van de winnaars van de Erasmusprijs 2004, signaleerde dat westerse vrouwen door de tijd, het schoonheidsideaal, worden onderdrukt, terwijl oosterse vrouwen vooral een op ruimte gerichte emancipatiestrijd voeren. Dat zie je heel mooi terug in dat tijdschrift: koppen als “Man achter het aanrecht.”‘

Een terugkerend onderwerp in haar werk is de liefde, ‘vooral de onmogelijke liefde’. Zo zongen de vrouwen in De verlangenmachine over pijn en het verlies van controle in de liefde, en konden de apen in haar tweede boek nooit echt worden gekend door de mens. Ook haar volgende boek, dat ze in 2005 hoopt te voltooien, bouwt hierop voort: het zal gaan over de haat-liefdeverhouding tussen Turkije en Europa.

Michiel Leezenberg
Michiel Leezenberg (39) werkt als universitair docent aan de afdeling wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. Hij won met Islamitische filosofie. Een geschiedenis de Socrates-Wisselbeker 2001 voor het beste Nederlandstalige filosofieboek. Begin volgend jaar verschijnt De vloek van Oedipus. Taal en politiek in de Griekse tragedie. In 1995 promoveerde hij op een taalfilosofische studie naar metaforen. Hij verdiepte zich in de talen van het Midden-Oosten, en raakte tijdens taalonderzoek in Noord-Irak betrokken bij de eerste vrije Koerdische verkiezingen.

Hij schreef een alom geprezen boek over islamitische filosofie, en kon vervolgens nergens terecht om die kennis te doceren. ‘Na de aanslagen van 11 september 2001 had iedereen de mond vol over het belang van meer kennis van de islamitische wereld, maar voor een kant-en-klaarcollege over islamitische filosofie was blijkbaar geen budget.’ Verontwaardigd vervolgt Leezenberg dat ook elders in Nederland de geschiedenis van de filosofie strikt Europees is, met nauwelijks plaats voor niet-westerse filosofie.

‘Gevolg is dat hier niemand goed op de hoogte is van de filosofische en intellectuele ontwikkelingen in de Arabische wereld, in deze tijd een kwalijke zaak.’ Hij ergert zich mateloos aan het vooroordeel dat de verlichting daar nog niet heeft plaatsgevonden. Of dat islamitische beginselen recht tegenover ‘onze’ Europese waarden staan. ‘Dat is aantoonbaar niet waar.’

Hij legt uit dat de islamitische wereld de afgelopen twee eeuwen diepgaande veranderingen heeft doorgemaakt, en dat moslimfundamentalisme meer gemeen heeft met westers nationalisme dan met de klassieke islam. ‘Dezelfde hang naar romantische, conservatieve idealen van culturele zuiverheid en saamhorigheid vind je erin terug. En het is – net als de Europese romantiek – een reactie op de verlichting.’

Toch wil hij zich niet al te snel in het openbare debat mengen: ‘Ik ga me niet verlagen tot slogans. Bovendien is het contraproductief om de heersende mening tegen te spreken – je moet een alternatief verhaal hebben. En dat kost tijd.’ Bovendien is hij de afgelopen jaren hard bezig geweest met een boek over de grenzen van vrije meningsuiting in het antieke Griekenland. ‘En kijk eens hoe actueel dat onderwerp opeens is.’

Noortje Marres
Noortje Marres (29) is onderzoeker aan de afdeling wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. Ze is redacteur van het filosofisch tijdschrift Crisis en van Next 5 Minutes, festival voor tactische media. In rap tempo voltooide ze de studies sociologie, wetenschapsdynamica en filosofie, en ze verwacht binnenkort haar proefschrift in te leveren.

‘Ik wil beweging in mijn tekst en denken houden,’ verklaart Marres. ‘Natuurlijk kan ik acht jaar doorgaan met dit onderzoek, dan wordt het nog zwaarder en dieper. Maar dat vertraagt ook je denken.’ Om de paar maanden moet ze even naar Parijs om haar tweede promotor Bruno Latour te spreken, de beroemde Franse filosoof bij wie ze tijdens haar studie al colleges volgde. Zelf doet ze daar nogal laconiek over. ‘Inspiratie put ik ook uit het werk van de Nederlandse filosofe Annemarie Mol – onderschat de Nederlandse filosofie niet.’

Marres is een voorstander van de empirische filosofie, waarbij kennis wordt opgedaan in de praktijk. ‘Het is belangrijk dat filosofen de praktijk ingaan om die te beschrijven. Mol doet dat, door in een ziekenhuis te onderzoeken wat de betekenis is van een bepaalde ziekte. Wat dat is, blijkt uit de praktijk – je kunt dat niet van tevoren vaststellen. Wittgenstein zei ook al: betekenis wordt vastgesteld in het gebruik.’ Het is van belang omdat de praktijk, vertelt Marres, altijd verrassend is. ‘Je moet de dingen die je in de rommelige werkelijkheid vindt, serieus nemen.’

Voor haar eigen onderzoek naar wat nieuwe media doen met theorieën over democratie, struint ze internet af. ‘Het web is een goed onderzoeksveld omdat het praktijken van meningsvorming zichtbaar maakt die voorheen minder toegankelijk waren.’ Marres volgt publieke controverses (kwesties) op het web. ‘Ik neem niet een klassiek begrip als burgerschap als uitgangspunt, maar ‘kwesties’ en kijk vervolgens wat er gebeurt met het begrip democratie. Wat blijkt? Juist bij kwesties zoals klimaatverandering waarvoor geen kant en klare oplossing bestaat vanuit wetenschap of politiek en waarvan burgers ook niet weten wat ze ermee aan moeten, is het nodig dat het publiek daarover debatteert. Dat is democratie in de praktijk.’

Hoe geschikt het web ook is voor het volgen van publieke discussies, toch mist ze het contact met de materiële en fysieke realiteit. ‘Hierna ga ik off-line, de buitenwereld in.’

Luuk van Middelaar
Luuk van Middelaar (31) studeerde in 1999 af met de scriptie Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie, een kritiek op Franse politiek filosofen, die prompt werd uitgegeven en hem veel lof opleverde in de pers. Hij is sinds april dit jaar politiek secretaris van de Tweede-Kamerfractie van de VVD (‘geen huisfilosoof maar politiek adviseur van de fractievoorzitter’).

In zijn vrije uurtjes en in de zomervakantie werkt hij nog steeds door aan zijn proefschrift, waaraan hij na zijn studie was begonnen bij het Franse onderzoeksinstituut EHESS. ‘Na twee en een half jaar promotieonderzoek in Parijs wilde ik dichter bij het object van mijn studie, de politiek zelf komen.’ Zo belandde hij begin 2002 in het hart van de Europese politiek, in Brussel, bij eurocommissaris Bolkestein. Hij maakte de voorbereiding van de Europese grondwet mee en besloot zijn promotieonderwerp om te gooien, te gaan schrijven over Europese eenwording. ‘Het is belangrijk te begrijpen welke politieke transformatie ons continent doormaakt.’ Dat de eenwording van Europa gaat plaatsvinden, staat vast voor hem, ‘maar op een andere manier dan nu wordt gedacht’.

Zijn huidige baan geeft hem nauwelijks tijd om zijn proefschrift – een titel heeft hij al: Le passage à l’Europe – af te maken, toch aarzelde hij niet lang toen Van Aartsen hem vorig jaar hiervoor benaderde. ‘Het was dé kans om de Nederlandse politiek te leren kennen, op een moment dat er bovendien ontzettend veel gebeurt.’

Zonder heftige gebeurtenissen als de moord op Pim Fortuyn en nu op Theo van Gogh zou zijn baan een stuk minder aantrekkelijk zijn, geeft hij toe. ‘Voor mij is dit een interessante periode, omdat de VVD als liberale partij gedwongen wordt hard na te denken over haar opstelling. In een andere politieke situatie, of met een andere persoon dan Van Aartsen, had ik dit werk niet willen doen. Van Aartsen is net als ik geïnteresseerd in wezenlijk politieke vragen. Met de recente gebeurtenissen in deze samenleving zijn dat zaken als: wie hoort bij ons en wie niet, van waar komt het gevaar? Dat vind ik van een fundamenteler orde dan de hoogte van de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd.’

Jenny Slatman
Jenny Slatman (35) is universitair docent wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg en postdoc-onderzoeker aan Universiteit Maastricht. Ze studeerde fysiotherapie en filosofie, promoveerde in 2001 cum laude op de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty en vertaalde van hem Causeries (De wereld waarnemen, Boom 2002).

‘Het is onzinnig dat filosofie zich alleen in je hoofd zou afspelen. Natuurlijk is een deel van mijn werk het geconcentreerd bezig zijn, maar het gaat niet om je hoofd – je moet observeren. Zonder feiten ben je nergens.’ Het is dan ook geen toeval dat Slatmans specialisatie de fenomenologie is, de leer waarin fenomenen (de feiten zoals ze zich aan ons voordoen) centraal staan.

Met een groep wetenschappers doet ze op het moment onderzoek naar op wat voor manieren lichamelijkheid bemiddeld is. ‘Je verhouding tot je eigen lichaam is dubbel: je hebt een lichaam, maar tegelijk bén je ook dat lichaam. Wat betekent dat voor je identiteit?’ Slatman – haar achtergrond als fysiotherapeut verraadt al een fascinatie voor het lichaam – bestudeert kunstenaars die met beelden werken van hun inwendige lichaam. ‘Door endoscopie en röntgenfoto’s krijg je een beeld van je inwendige lichaam waar je voorheen nooit toegang toe had. Dat moet wel iets doen met je identiteitsbeleving.’

In haar volgende collegereeks richt Slatman zich op de maakbaarheid van het lichaam en de invloed daarop op identiteit. Cosmetische chirurgie is daarbij een dankbaar onderwerp. ‘Die televisieprogramma’s over make-overs, om te smullen,’ zegt ze met een brede grijns. Haar filosofische interesse daarin gaat volledig voorbij aan de morele kant – ‘een andere neus is vergelijkbaar met een ander kapsel’ – maar, alweer, over de vraag waar de grens van de identiteit ligt. ‘Ben je werkelijk iemand anders als je je een ander uiterlijk laat aanmeten; wanneer verandert ‘ik”?

Het antwoord op die vraag zoekt ze niet in de eigen ervaring – geen facelifts of liposuctie voor Slatman. Toch kan ze sinds kort aan den lijve ondervinden hoe het is om een lichamelijke verandering te ondergaan: ze is drie en een halve maand zwanger. ‘Als ik straks iets voel bewegen,’ zegt ze met een hand op haar buik, ‘kunnen dat mijn ingewanden zijn, maar ook de baby. Voel ik dan mezelf of een ander? Waar houd ik op en begint de ander?’

Ad Verbrugge
Ad Verbrugge (37) is universitair hoofddocent en beoogd hoogleraar sociaal-culturele filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij promoveerde in 2001 op De verwaarlozing van het zijnde. Een ethologische kritiek van Heideggers Sein und Zeit. Dit jaar verscheen Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift. De aandacht trok hij met zijn optreden in het VPRO-programma Tegenlicht waarin hij onder de titel ‘Bevangen in vrijheid’ de stand van zaken in de Nederlandse samenleving doornam.

Onderzoek is voor Verbrugge gelijk aan lesgeven, als hij zich in een onderwerp wil verdiepen, gaat hij er college over geven. ‘Een uitlegger’ noemt hij zichzelf. Zijn werk is geen baan, maar een beroep: ‘Daar zit het woord ‘roeping’ in.’

Na de moord op Theo van Gogh werd hij veel gebeld door de media voor commentaar. ‘Ik had die week wel drie keer op tv kunnen verschijnen.’ Toch deed hij het niet: ‘Ik wil me niet als opiniemaker profileren.’

Trots is hij op het succes van Tijd van onbehagen: ‘Drie drukken in zes maanden!’ Om serieus te vervolgen: ‘Mensen maken zich zorgen. De maatschappij verhardt, de multiculturele samenleving loopt niet en het onderwijs verloedert – daarvoor zoeken ze een oplossing. Dat geeft mijn analyse niet, maar ik kan de problemen wel duiden.’

Het boek haakt in op ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving zoals de spanning tussen religie en cultuur. ‘Door het pluralisme van de Nederlandse zuilenmaatschappij hebben we de moslimgemeenschap lange tijd ook als een soort zuil gezien. We hebben ze hun gang laten gaan, in plaats van te zoeken naar een nieuwe gemeenschappelijke cultuur. Een maatschappij moet een gemeenschappelijke binding hebben, symbolen als Sinterklaas of het Nederlands Elftal. Nu kan dat misschien de strijd tegen het terrorisme worden.’

Hij realiseert zich hoe actueel zijn stellingen zijn. ‘Nog voor Paul Scheffer maakte ik me al druk over deze zaken.’ Al heel jong wist Verbrugge: hier klopt iets niet, de moderniteit bevat tegenstrijdigheden. Het was een van de redenen om filosofie te gaan studeren. ‘Je zou kunnen zeggen dat ik ben geboren met een gevoel van onbehagen. De publieke opinie heeft dat gevoel nu ook.’