Een zoveelste regenbui dreigt boven het dak van de versleten villa in Rangoon en het is springen over de plassen om de ingang te bereiken. Het grauwe weer past wel bij de expositie Story Telling van de Birmese kunstenaar Htein Lin. De schilderijen en objecten van de ex-politieke gevangene vormen een beladen getuigenis van decennia onderdrukking.
Het is acht jaar geleden dat Htein Lin tijdens een tentoonstelling van zijn werk in Londen tegen me zei: ‘Het is mijn grootste wens dat mijn werk weer in mijn vaderland te zien zal zijn.’ Toen leek dat een onmogelijke droom. Tienduizenden monniken in Birma waren zojuist in opstand gekomen en het regime liet zich van zijn wreedste kant zien door zelfs de zonen van Boeddha niet te sparen. Net als andere prominente dissidenten bleef Htein Lin op de zwarte lijst staan. Maar nadat in 2011 een civiele regering van voornamelijk ex-militairen prille hervormingen begon door te voeren, kreeg hij toestemming om terug te keren. Sinds 2013 woont hij weer permanent in Rangoon.
Met een welwillende glimlach leidt hij bezoekers langs de honderden gipsafdrukken van de handen van ex-politieke gevangenen.
Het kan niet anders of hij moet opgewonden zijn over deze eerste grote expositie in zijn vaderland, maar zijn gezicht met zware kringen onder de ogen en zijn wat trage manier van bewegen stralen eerder een ernstige kalmte uit. Met een welwillende glimlach leidt hij bezoekers langs de honderden gipsafdrukken van de handen van ex-politieke gevangenen, langs de schilderijen die hij in de gevangenis in het geheim produceerde, langs de plattegrond van Birma die is opgebouwd uit blokjes gevangeniszeep. ‘Deze expositie is een manier om de waarheid over wat zich afspeelde terug te veroveren,’ zegt hij. Maar dan is er plotseling toch een moment van opwinding als een twaalftal jongeren arriveert. ‘Ze komen van een overheidsschool,’ zegt hij met ongeloof in zijn ogen. Tot nu toe durfden alleen privéopleidingen het aan om hun leerlingen mee te nemen naar de expositie in het gebouw van het Goethe Instituut. De toekomst van Birma is immers nog behoorlijk ongewis en ook de huidige leiders verzwijgen de duistere daden waaraan zij medeplichtig zijn. ‘Met mijn kunst wil ik iedereen aanmoedigen om na te denken over hoe we in het reine kunnen komen met al het onrecht tijdens de dictatuur,’ legt Lin de jonge bezoekers uit.
Tandpastadoppen
De achtenveertigjarige kunstenaar heeft een lange geschiedenis van eigenzinnigheid. Als student nam hij in 1988 deel aan protesten tegen het regime en ook in zijn optredens als acteur uitte hij kritiek. In 1998 kwam de klop op de deur nadat zijn naam was opgedoken in een brief van vrienden die activiteiten tegen de junta wilden organiseren. Hij kreeg zeven jaar cel.
Lin had altijd al interesse in schilderen maar in de gevangenis begon hij te werken als een bezetene. Dag in dag uit, en vaak ook ’s nachts, goochelden zijn handen met materiaal. In het detentiesysteem van de junta, waar elke vorm van expressie een misdaad was, moest hij al zijn inventiviteit aanwenden om aan schilderspullen te komen. Met kleine bedragen die zijn familie tijdens schaarse bezoeken meebracht, kocht hij bewakers om zodat ze hem aan verf hielpen. Kwasten kon hij niet bemachtigen maar een bevriende verpleger bezorgde hem naalden waarmee hij verf op het textiel spoot. Doppen van tubes tandpasta en medicijnflesjes deden dienst als stempels, met de wieltjes van aanstekers rolde hij de verf uit.
De katoenen, grauwwitte longyi’s (sarongs voor mannen) en hemden die de gevangenen als uniform dragen, gebruikte hij als doek. Soms maakte hij een deal met zijn celgenoten. Dan schilderde hij op de ene helft van het uniform een schilderij dat ze mochten houden zodat hij de andere helft voor zichzelf kon gebruiken. Of hij ruilde een deel van de outfit voor cheroots, Birmese sigaren. Toen hij werd overgeplaatst naar een cel met criminele gevangenen bekeken die de nieuwkomer die op politieke gronden vastzat met argwaan. Maar gaandeweg won hij hun vertrouwen. Hij leerde sommigen van hen lezen en in ruil daarvoor doneerden ze stukken van hun uniform.
Sommige werken kwamen tot stand in de dodencel, waar hij belandde omdat hij een politieke toespraak voor zijn medegevangenen hield.
Omgekochte bewakers
Met zijn precieze, trage spraak die bijna laconiek aandoet, voorziet Htein Lin de schilderijen van commentaar. Sommige werken kwamen tot stand in de dodencel, waar hij belandde omdat hij een politieke toespraak voor zijn medegevangenen hield. ‘Daar had ik mijn meest productieve tijd. Er zaten veel misdadigers en de bewakers waren vaak te bang om er binnen te komen.’ Het schilderij Zes vingers toont een figuur met een wijd opgesperde mond en knokige handen en voeten, aan elk waarvan twee vingers en twee tenen ontbreken. Het symboliseert het lot van de gevangenen die de steekpenningen niet konden betalen om te voorkomen dat ze naar werkkampen werden gestuurd. Sommige gedetineerden waren zo wanhopig dat ze zichzelf verminkten om onder de dwangarbeid uit te komen.
In de ruim zesenhalf jaar dat hij vastzat, produceerde Lin meer dan driehonderd schilderijen en zo’n duizend schetsen. Veel is abstract werk over levens in de knel, maar er zijn ook zelfportretten bij en schetsen van oppositieleidster Aung San Suu Kyi en andere dissidenten. Dankzij sympathiserende of omgekochte bewakers wist hij de doeken in veiligheid te brengen.
Toen zijn celdeur in 2004 openzwaaide, wilde hij de kunst die zo lang verborgen was gebleven zo snel mogelijk vertonen. Met vrienden in Rangoon organiseerde hij een expositie in een huis. Het evenement Nummer 00235, het nummer waaronder hij als gevangene geregistreerd stond, trok zo veel aandacht dat vrienden zich zorgen maakten over een nieuwe arrestatie en inbeslagname van zijn werk. Toen de toenmalige Britse ambassadrice over die situatie hoorde, bood ze aan zich over de collectie te ontfermen. Via haar netwerk vond een deel van de doeken zijn weg naar het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam.
Bij de eerste ontmoeting tussen de diplomate en de dissident botsten twee werkelijkheden behoorlijk op elkaar. De koloniale residentie vormde in alles het tegendeel van de onderwereld van de Birmese gevangenissen die Htein Lin nog maar nauwelijks achter zich had gelaten. Maar toch sloeg er een vonk over tussen de twee. Hij mag met smaak vertellen hoe hij tijdens een vakantie aan de Engelse kust zijn aanzoek deed. Zijn geliefde dacht dat hij zijn inspiratie uitleefde toen hij druk in de weer was om lijnen en krullen in het zand te trekken. Pas toen hij haar meenam naar een hooggelegen rots zag ze wat zijn inspanning voorstelde. ‘Wil je met me trouwen?’ stond er in megaletters.
Gebroken botjes
In Londen liet hij me destijds een foto zien van het moment dat hij vrij kwam. Ik zag een ontheemde verschijning met een broodmager lijf en een benig doorschijnend gezicht voor de poort van de gevangenis in Zuid-Birma. Zijn blik was naar binnen gekeerd en in een plastic zak hield hij zijn enige bezit: een deken. Inmiddels lijkt hij nauwelijks meer op de man op de foto. Hij is voller geworden en zijn blik is weer levendig. Wel schildert hij nog graag met zijn handen in plaats van met een kwast. ‘Dan voel ik me dichter bij mijn schilderijen.’ Soms beweegt hij stram, alsof hij pijn heeft, en af en toe is er plotseling schrik in zijn ogen. ‘Mijn levensloop is inderdaad net een film,’ zegt hij regelmatig.
De begane grond van de villa is gewijd aan het project A Show of Hands. Het bestaat uit ruim vierhonderd gipsafdrukken van de handen van ex-politieke gevangenen met videopnames waarin ze antwoord geven op zijn vragen. Wat bewoog hen om het politieke pad in te slaan? Wat raakten ze kwijt en wat wonnen ze vanwege hun detentie? Wat hield hen staande? ‘Ik wil dat de opofferingen van al die politieke gevangenen niet vergeten worden.’

Het idee om het lot van dissidenten met gips te symboliseren, ontstond nadat hij zijn hand brak bij een ongeluk op de fiets. De gebroken botjes groeiden weer aan elkaar dankzij het ondersteunende materiaal. Dat besef inspireerde hem. ‘Politieke gevangenen zijn als een soort gips dat een kapot systeem probeert te helen.’
Toen hij in 2013 met het project begon, was het moeilijk ex-gedetineerden ervan te overtuigen mee te doen. De angst voor repercussies was nog te groot. Hij reisde kriskras door het land om zijn lotgenoten op te sporen in parken, theehuizen, kloosters, kantoren en huizen. Inmiddels weten ex-gevangenen hem te vinden. Na dertig jaar dictatuur zijn dat er duizenden. In de aanloop naar de verkiezingen op 8 november neemt de controle weer toe en er vinden regelmatig nieuwe arrestaties plaats. ‘Mijn project is dus nog lang niet af.’
Naast het trappenhuis van de villa is een kleine workshop waar Lin dagelijks een paar nieuwe afdrukken maakt. Daar zit vandaag mijn oude vriend Aung Win (een pseudoniem), die in de jaren zeventig als student twee jaar vastzat vanwege protesten tegen het bewind. Hij wil een vuist als gipsafdruk laten maken. ‘Ik wil dat we eensgezindheid tonen,’ zegt hij als commentaar op de verdeelde oppositie. Even later loopt hij met zijn gipsen hand langs de planken met ruim vierhonderd andere afdrukken. Hij wijst bekende namen aan. Een celgenoot, een vriendin, een neef, een collega. Voor dissidenten als Aung Win wordt de miljoenenstad Rangoon teruggebracht tot de omvang van een dorp.
Na zo veel jaren horen die herinneringen aan de gevangenis bij zijn leven, als kennissen die je gewoon niet te veel moet zien.
Ik moet even slikken als ik Aung Win langs die stille aanklacht van zoveel van onze oude bekenden zie gaan, maar hij loopt onaangedaan door naar de rest van de expositie. Na zo veel jaren horen die herinneringen aan de gevangenis bij zijn leven, als kennissen die je gewoon niet te veel moet zien, heeft hij me wel eens uitgelegd. ‘Dit is precies mijn cel,’ zegt hij over de schemerige ruimte met vervuilde, van vocht doortrokken muren waar enkele doeken hangen. Plompverloren hurkt hij bij een aarden pot in de hoek om te imiteren hoe er geen enkele privacy bestond. ‘Nadat ik die gevangenisjaren doorstond, is er in mijn huidige bestaan niets dat ik niet aankan,’ zegt hij nuchter. Hij is inmiddels een succesvol zakenman.
Zonde wegwassen
Htein Lin brengt ons naar de plattegrond van Birma die uit kleine zeepblokjes is opgebouwd. Shwe Wah, Gouden Geel, heet het product dat de gevangenen eens in de twee weken kregen. De laffe geur herkent Aung Win onmiddellijk. ‘Weet je nog hoe de autoriteiten altijd zeiden dat de gevangenis een plaats was om onze zonden weg te wassen?’ zegt Htein Lin spottend tegen hem.
Ook achter deze simpele presentatie schuilt een opmerkelijk verhaal. Toen het in 1999 door de gevangenis gonsde dat het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) op een zeldzaam bezoek zou komen, realiseerde Htein Lin zich dat hij geen kans zou krijgen om vrijuit te praten. Hij verzon een manier om toch duidelijk te maken hoe vreselijk de omstandigheden waren. Uit het zeepblokje sneed hij een minisculptuur van een gekneveld lichaam in een cel. In een onbewaakt moment zag hij kans het in de tas van de ICRC-medewerker te stoppen. Na zijn vrijlating kwam hij aan de weet dat het zeepje in het museum van het ICRC in Genève terecht was gekomen.
Het typeert Htein Lin dat hij in zijn werk niet alleen de terreur door het regime verbeeldt. Ook de gewapende oppositiegroepen ontkomen niet aan zijn onafhankelijke kijk op het verleden. Hij ondervond aan den lijve hoe ook daar een mensenleven soms maar weinig waard was. Nadat in 1988 demonstraties tegen de onderdrukking en het wanbeleid van het bewind werden neergeslagen, vluchtte Htein Lin net als duizenden andere jonge stadsbewoners naar de gebieden van etnische minderheden om de wapens op te nemen. Bij het studentenleger in de afgelegen noordelijke Kachin staat sloeg extreme paranoia over infiltranten toe. Eind 1991 werd hij samen met ruim honderd anderen van spionage beschuldigd en gemarteld; zesendertig van hen kwamen om. Htein Lin wist naar China te ontsnappen en werd vervolgens naar Birma gedeporteerd. Hij publiceerde er een boek over en in een recent optreden als performancekunstenaar speelde hij ondervragingsscènes na om het publiek te informeren over de donkere episode uit het studentenverzet.
Slechts te leen
De afgelopen jaren had hij tentoonstellingen in Azië en Europa. Zijn recente doeken werden aangekocht door buitenlandse ambassades in Rangoon. Andere schilderijen bevinden zich in privécollecties in Europa, Azië en de Verenigde Staten. Zelfs in de chique River Gallery in Rangoon gaat zijn nieuwe werk sinds kort voor duizenden euro’s van de hand.
Maar ondanks de roem en het succes is hij trouw gebleven aan zijn oude principe dat zijn gevangeniskunst slechts te leen is. Zoals een van de doeken die tot 8 november in het Stedelijk Museum in Amsterdam hangt. Dat het hem menens is, merkte ook Bono, de zanger van U2, die zich de afgelopen jaren inzette voor een beter Birma en het nummer ‘Walk On’ opdroeg aan Aung San Suu Kyi. ‘Zeg me maar wat het moet kosten,’ zei hij toen hij zijn ogen niet kon afhouden van een van Htein Lins schilderijen uit de gevangenis. Htein Lin grinnikt bij de herinnering: de zanger kon bijna niet geloven dat zijn bod zonder nadenken van de hand werd gewezen. Ook vandaag legt hij weer aan potentiële kopers uit dat zijn gevangeniswerk in Birma thuishoort. ‘Ik wil een museum opzetten om de kunst die ik en anderen in de gevangenis maakten, permanent te exposeren. Het vertelt immers de geschiedenis van ons land.’

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.