Interview / Cabaretier Kees Torn

Nog een kleine drie maanden en dan is het voorgoed gedaan met zijn carrière. Na negen programma’s is het voor cabaretier Kees Torn genoeg geweest. ‘Ik ben inmiddels wel uitgeluld. Ik breng het niet meer op, hou het niet meer vol.’

Torn heeft nooit een brandende ambitie gevoeld om de cabarethemel te bestormen. Sterker nog: zijn carrière is hem min of meer overkomen. Hij deed in 1994 mee aan het Leids Cabaretfestival en werd eerste. En ja, toen moest er wel een avondvullend programma komen.

Van het één kwam het ander. Torn won de Poelifinario, de prijs voor het beste cabaretprogramma van het jaar, en kreeg de Annie M.G. Schmidtprijs voor zijn lied ‘Streepjescode’. Toch bleef zijn faam beperkt tot een relatief kleine kring van liefhebbers. Maar die droegen Torn dan ook op handen. Net als veel cabaretrecensenten, die voortdurend zijn verfijnde, bijna Britse humor, zijn muzikaliteit en zijn taalvirtuositeit bezongen.

Hij wist niet wat hij zonder sigaretten

Of wat hij zonder schaken moest beginnen

Hij schaakte om de zinnen te verzetten

En rookte om de zetten te verzinnen.

Deze maand verschijnt Een ommetje met Kees Torn, een dvd-box met de registraties van de negen programma’s die Torn maakte. Terwijl geen van die programma’s ooit op televisie werd uitgezonden. Zijn impresario Harry Kies liet ze elke keer opnemen, voor het geval de VARA misschien belangstelling zou hebben. Maar de omroep die zelfs beginnende cabaretiers ruim baan biedt op tv was nooit geïnteresseerd. ‘Zogenaamd omdat er te veel liedjes in zaten,’ zegt Torn. ‘Maar dat geloof ik niet. Ik denk dat ze me te neuzelig vonden. Het tempo ligt bij mij vaak erg laag. Bovendien verhef ik mijn stem nooit. Alles wat op televisie welkom is, staat te schreeuwen en te blèren. Dat geldt eigenlijk voor alle komieken met gympies aan, bijna de hele Comedytrain. Voor mij hoeft dat niet. Ik vind het onbeschaafd. Een goede tekst heeft geen stemverheffing nodig. Bij mij gaat de agressie in de tekst zelf zitten. Daar hoef ik niet ook nog bij te schreeuwen.’

Het was, zegt Torn, een curieuze ervaring om voor die dvd-box zijn voorstellingen terug te zien. Bijna twintig uur achter elkaar. ‘Nou, dan kom je jezelf wel je neus uit, hoor.’ Al was hij af en toe blij verrast door wat hij zag. ‘Ik heb geregeld ongegeneerd om mezelf gelachen. Veel dingen was ik totaal vergeten. Dan dacht ik: “wat gaat-ie nú weer doen?”. De eerste keer dat ik mezelf zag, moest ik erg lachen om hoe ik beweeg, om mijn motoriek. Ik loop zo wonderlijk over dat toneel, met die veel te lange benen. Opeens snapte ik waarom mensen om mij moesten lachen. Dat had ik nooit goed begrepen.’

Wat doet die man op dat toneel goed?

‘Pianospelen. Daar was ik echt van onder de indruk. Wát een ingewikkelde partituren. En ik was toch ook verrast door die volstrekte onbevangenheid. Werkelijk niets weten van theater. Wat ik deed, werkte, al begreep ik totaal niet waarom. Dat is eigenlijk nog zo. Ik wil dat er iets gebéúrt, die avond, tussen het publiek en mij. Daarom is elke avond bij mij anders. Soms mislukt het ook totaal. Ik heb af en toe met kromme tenen zitten kijken. Veel te lange verhalen. Dat deed ik expres; minutenlang alle spanning laten wegebben, en daarna met de ontknoping komen. Dat kan in een theater; ze kunnen toch niet weg. Maar op televisie kan dat niet. Dan gaan ze direct zappen. Cabaret hoort sowieso niet op tv. Cabaret is interactie met het publiek. Dat haal je volledig weg met een registratie.’

Waarom breng je nu dan toch zo’n dvd-box uit?

‘Ik zie het als een nalatenschap. Het is een beetje mijn artistieke erfenis.’

Stroef

Torn had al heel lang het gevoel dat hij moest stoppen. ‘Het viel me steeds zwaarder om de kwaliteit te waarborgen. En ik had alles ook wel ongeveer gezegd.’ Zijn huidige programma Loze kreten liep aanvankelijk buitengewoon stroef. Torn had het bedoeld als een ode aan de wetenschap. ‘Maar het bleek een vergissing. Ik vertelde enthousiast over waarom wetenschap mij echt vrolijk kan maken. Terwijl het publiek dacht: “Moet jij lekker zelf weten.” Soms leek het alsof de hele zaal bij de verkeerde artiest was beland. Laatst hoorde mijn lichtman iemand in de pauze zeggen: “Wanneer zou het nou ‘ns beginnen?” Inmiddels heb ik het aangepast, heb ik manieren gevonden om het grappiger te maken.’

Vreemd dat je je na acht programma’s blijkbaar nog zo kunt verkijken.

Na lang nadenken: ‘Ik denk dat het komt omdat ik zelf veranderd ben. Ik woon sinds een poos samen met mijn vriendin. Dat leven bevalt me heel goed. Misschien ben ik te gelukkig geworden.

Ik heb het vak nooit op leven en dood beoefend, heb er nooit voor geleefd. Ik ben bijna altijd met tegenzin van huis gegaan. Omdat ik er geen vertrouwen in had: “Het zal vanavond wel niks worden.” Als ik er eenmaal stond, had ik het bijna altijd naar mijn zin. Dan kun je je echt verheugen op de ene grap die altijd werkt. Maar om dat nou drie keer per week te blijven doen… Om applaus geef ik niet. Ik vind applaus vooral enorm gênant.’

Applaus is voor een artiest toch een secundaire arbeidsvoorwaarde?

‘Voor mij niet. Ik vind het een rotgeluid. Ik snap best dat het publiek af en toe zijn energie kwijt moet, maar mij doen ze er geen plezier mee. Ze moeten wel láchen. Dat is een basisvoorwaarde.’

Maar bij Loze kreten bleef het in het begin vaak angstaanjagend stil. Tot verbijstering van Torn: ‘Ik begreep niet wat ik verkeerd deed.’ Tijdens een voorstelling in Schiedam klapte hij in elkaar. Kort voor de pauze moest hij zijn programma afbreken. Kwestie van oververmoeidheid, denkt hij nu. ‘Het is moeilijk uit te leggen hoeveel energie het vergt. Ik was zo druk bezig om het toch van de grond te krijgen. In principe krijg je elke avond een hoop energie als er tweehonderd mensen naar je kijken. Dat houdt je lang op de been, als een soort reservetank. Totdat het echt niet meer gaat. In Schiedam zat ik naar de toetsen te kijken en wist ik opeens echt niet meer welke ik in moest drukken. Pure wanhoop. Toen heb ik gezegd: “Zullen we anders eerst even pauzeren?”. In de pauze ben ik in huilen uitgebarsten. Vervolgens hebben ze omgeroepen dat de voorstelling werd afgelast.’ Ongemakkelijk: ‘Ja, dat was nogal een afgang.’

Was je ook gestopt als dit programma een groot succes was geweest?

‘Zeker. Ik dacht al heel lang: “Je bent toch gek om je weer drie, vier maanden op te sluiten om een programma te schrijven.”‘

Terwijl er steeds minder mensen in de zaal zaten.

‘Ik speel gemiddeld voor tweehonderd mensen per avond. Dat is niet veel. Als je weet door wie ik allemaal ben ingehaald. Najib Amhali staat rustig een paar avonden achter elkaar in de Heineken Music Hall. Een hoop collega’s verdienen meer dan een miljoen per jaar. Ik heb na al die jaren hooguit anderhalve ton op de bank. Dat is niet eerlijk. Ik maak mooiere dingen en moet er veel harder voor werken.’

Als je de beginletters van de titels van je programma’s achter elkaar zet, staat er LAPMIDDEL.

‘Dat vond ik leuk. Ik had nog liever LAPJESKAT gehad, maar ik kon geen goede titel met een “J” vinden. Ik bedacht pas na het derde programma dat negen een mooi aantal zou zijn. Ik dacht toen: “Da’s bij elkaar zo’n achttien jaar. Dan ben ik vijfenveertig. Het is maar de vraag of ik dat haal.” Inmiddels ben ik vijfenveertig. En negen vind ik nog steeds een mooi aantal.’

Waar was dat cabaret een lapmiddel voor?

‘Het optreden maakt je wat zekerder. Ik was vroeger een bangige introverte jongen. Ik durfde niemand aan te spreken omdat in mijn hoofd zo’n gesprek al voltooid was voordat het begonnen was: “Als ik dit zeg, zegt zij vast dát. En dan hebben we binnen een half uur slaande ruzie.” Door dat cabaret hoefde ik niet meer op mensen af te stappen en me niet meer voor te stellen. Ze kwamen vanzelf op mij af en zeiden bovendien heel andere dingen dan ik gedacht had.’

Dus dat cabaret verschafte je toegang tot anderen?

‘In eerste instantie wel. Als je het over een dode vader of een gestorven kindje hebt, dan raak je iets aan bij anderen. Dat heeft zin omdat je daardoor het gevoel krijgt dat je niet de enige bent. Maar daarmee neem je het verdriet zelf natuurlijk niet weg. Dat blijkt de volgende dag nog net zo groot te zijn. Vandaar: lapmiddel. Het is maar een heel tijdelijke oplossing. Behalve bij “Streepjescode”. Daar kwam echt iets uit voort.’

‘Streepjescode’ gaat over Torns vader, die hij maar nauwelijks heeft gekend. Zijn ouders scheidden toen hij zes was. Jarenlang woonde hij met zijn moeder, zijn zus en zijn twee broertjes in Maassluis. Zijn vader, leraar Duits, zag hij bijna nooit. Heel af en toe kwam hij langs om Kees en zijn broertjes een dagje mee te nemen naar de Spido. Maar wezenlijk contact was er nooit. Pas toen hij eind jaren tachtig reclame en marketing ging studeren in Rotterdam, de stad waar zijn vader woonde, besloot Torn hem op te zoeken. Tot zijn verbazing bleek hij het wonderwel met hem te kunnen vinden: ‘We bleken zielsverwanten te zijn.’ Het contact zou maar van korte duur blijken. Vlak na de hernieuwde kennismaking hoorde zijn vader dat hij kanker had. Nog geen zes weken later overleed hij. Zijn zoon erfde zijn boeken. Toen hij later in zijn Faust zat te lezen, viel hem op dat daarin allerlei zinnen waren onderstreept. Dat werd het uitgangspunt voor ‘Streepjescode’.

En alles wat je naliet was een stapel oude boeken

daarmee zit ik nu al jaren opgescheept

Ik sla er af en toe één open om er sporen in te zoeken

Soms is een zin door jou met potlood onderstreept

Het is toch niet ondenkbaar dat ik via die methode

Alsnog iets over wie je was te weten kom

Je hebt per ongeluk een zelfportret geschetst in streepjescode

Al staat bij wat je onderstreepte niet waarom.

Had wat je las voor jou een zekere bekoring?

Was het een tekst die iets teweegbracht in je geest?

Was het om aan te halen bij een overhoring?

Of zou het boek eerst van een ander zijn geweest?

Het nummer riep verrassend veel respons op. Nadat in de krant gestaan had dat Torn de Annie M.G. Schmidtprijs voor het nummer had gewonnen, kwamen ze kijken: de collega’s, vrienden en leerlingen van zijn vader. Toen kwamen alle verhalen: dat je zo verschrikkelijk met hem kon lachen, dat hij een goede vriend was. ‘Ik sprak een collega van hem die zei: “Hij was de liefste man die ik ooit ontmoet heb.” Dat was wel even een ander verhaal dan wat ik altijd in de familie hoorde: “Arie was een lul, een egoïstisch monster.” Het beeld van mijn vader is rechtgetrokken. Indirect heb ik hem via dat liedje toch leren kennen.’

Op 5 mei speelt Torn zijn allerlaatste voorstelling. ‘Bevrijdingsdag’, zegt hij met een diepe zucht, waar hij vervolgens zelf om lachen moet. Hij weet nu nog niet hoe zijn leven er daarna uit zal zien. ‘Daar moet ik niet te veel aan denken, want anders raak ik in paniek. José (zijn vriendin, CV) ook. Die denkt: “Straks zit ik met een zuiplap die de hele dag op de bank voor de tv zit.” Ik moet dus wel wat gaan doen.’ Hij zal in elk geval blijven schrijven. Dat staat vast. Ideeën heeft hij genoeg. Torn zou om te beginnen graag een strijkkwartet componeren. “Dat lijkt mij geweldig. En misschien ga ik columnpjes maken. Of voor mijn part psychiaters interviewen.’ En mocht dat allemaal mislukken, dan kan hij over een paar jaar altijd nog terug naar het theater. Een titel heeft hij al: Met hangende pootjes.

Kees Torn, ‘Loze kreten’, tournee tot begin mei, www.ikwilerheen.nl/cabaret/voorst/torn.htm