Interview Elsbeth Etty

Raar is dat toch. Ze schrijft al bijna vijftien jaar recensies en columns in NRC Handelsblad. En toch komt het na al die jaren nog geregeld voor dat zo’n column tijdens het schrijven opeens het roer overneemt. Laatst nog, toen ze zich zó had voorgenomen om het woord ‘DSB-bank’ ten koste van alles te mijden. Duikt aan het eind van dat stukje toch opeens Dirk Scheringa op. Tot haar eigen verbazing. ‘Dan kiest die column blijkbaar toch zijn eigen koers. Heel vreemd, maar het gebeurt.’

‘Ben jij tegen mensen die roken?’ vraagt Elsbeth Etty (58) aan het begin van het gesprek, terwijl ze haar rechterhand alvast liefkozend op haar pakje sigaretten legt. Een pakje per dag rookt ze. Niet dat ze verder ongezond leeft. Etty maakt in haar schaarse vrije tijd graag langeafstandswandelingen. En nu, in de herfst, loopt ze ’s avonds hele einden in haar eigen huis, op de loopband. Ondertussen kijkt ze naar tv-series. Ze heeft al drie seizoenen van The West Wing weggewandeld. ‘Fenomenale serie. Je voelt dat-ie gemaakt is door mensen die de wereld van het Witte Huis van heel nabij kennen.’ Maar zodra ze schrijft, moet ze roken. ‘Anders kan ik me moeilijk concentreren.’

Het zijn wel mooie tijden voor een columnist, met premier Geert Wilders in aantocht.

‘Ik vind Geert Wilders totaal niet interessant of spannend. Zijn denkbeelden zijn vlak en eentonig. Ik denk eerder: oh nee, alwéér Wilders, alweer de islam…’

Wat vond u van de oproep van Guusje ter Horst in VN tot een ‘opstand van de elite’ tegen Wilders?

‘Het was een reactie op een column van mij waarin ik inging op de manier waarop populisten dat woord “elite” gebruiken. Terwijl Wilders zelf tot de elite behoort.’

Ter Horst zei: ‘De stem van de intellectuele elite hoor ik veel te weinig.’

‘Volgens mij bestáát er helemaal geen intellectuele elite. Er bestaan alleen elites in verschillende werelden. Mensen die er in hun vak naar streven om er het beste van te maken. Dat is iets anders dan dat het hun opdracht is om in opstand te komen tegen Wilders. Dat is een taak van politici.’

Niet van intellectuelen in algemene zin?

‘Dat zou ik heel vreemd vinden.’

Hebt u daar zelf een taak in als columnist?

‘Niet primair. Dat is zeker niet mijn opdracht.’

Waaraan moet een goede column voldoen?

‘Hij moet in elk geval heel goed geschreven zijn. Een column is wezenlijk iets anders dan een nieuwsbericht, een hoofdartikel of een interview. Het is schrijvend nadenken over wat de gemoederen bezighoudt. Er moet een redenering in zitten die te volgen is. Mijn column staat op de opiniepagina van een dagblad. Dan moet ik niet aankomen met een briljante analyse van de Mei van Gorter.’

Weet u eigenlijk altijd wat u van iets vindt?

‘Nee, vaak niet. Maar dan ga ik vragen stellen. Als ik kranten lees, boeken lees, televisie kijk, dan stel ik voortdurend vragen. Hoe kan dit? Wat zit hier achter? Als mijn man en ik staan te koken, staat meestal de televisie aan, op het journaal of op De Wereld Draait Door. Dan roep ik voortdurend: “Snap jij dat nou?” Ik ben de hele dag met die mening bezig. Dat is er ook heel belastend aan: je loopt voortdurend te denken: wat vind ik hiervan?’

U wordt dus eigenlijk een meningenfabriek.

‘Nou, dat hoop ik niet. Maar zo gaat het dus wel een beetje. Je leest de krant, kijkt naar films, praat met mensen. Ondertussen ben je voortdurend op een toetsende manier naar de wereld aan het kijken.’

Waarom is dat belastend?

‘Omdat je altijd ergens iets van moet vinden. Ik ga tegenwoordig graag naar het Concertgebouw. Ik houd enorm van muziek, maar ben er absoluut niet deskundig in. Het is heerlijk om naar muziek te luisteren en daar niets van te hoeven vinden.’

En dan vragen ze in de foyer natuurlijk weer: ‘En wat vond u ervan, mevrouw Etty’?

‘Nee, dat vragen ze gelukkig niet. En ik merk dat ik dat prettig vind. Me mee laten voeren met die muziek zonder erover te hoeven schrijven. Ik lees ook heel graag poëzie. En dan ben ik altijd weer blij dat ik geen poëzierecensent ben.’

Hoe weet je als columnist of je een beetje meetelt?

‘Dat weet ik absoluut niet.’

Daar gáát het toch om, om meetellen?

Diep zuchtend: ‘Dat zijn van die moeilijke vragen. Als ik eerlijk ben, gaat het mij daar niet echt om. Het gaat mij primair om het stukje zelf.’

Dat kunt u dan toch schrijven en alleen aan uw man laten lezen?

‘Nee. Ik ben journalist, dus ik wil publiceren. Daar verdien ik mijn brood mee. Als ik het alleen aan Gijs (Schreuders – red.) laat lezen, dan hebben hooguit wij samen een leuke avond. Het gaat erom dat ik het in de krant zet. Daarin probeer ik zo origineel mogelijk te zijn. Ik streef er altijd naar om met een nieuwe gedachtegang te komen.’

Dat betekent dat u nauwgezet in de gaten moet houden wat anderen schrijven.

‘Ik lees lang niet iedereen. Ook omdat ik in mijn stukjes niet steeds wil reageren op anderen. Je schrijft voor een publiek, niet voor je collega’s.’

Welke collega’s zijn onmisbare piketpaaltjes in uw meningsvorming?

‘Dat zijn gek genoeg geen columnisten. Ik let vooral op nieuwsstukken.’

U hebt geen anderen nodig om uw eigen mening te vormen?

‘Dat zou heel pedant klinken. Wat ik in elk geval niet wil – en dat zie je toch heel veel – is dat je een soort veredelde televisiecommentator wordt. Dat je gaat terugvallen op wat je bij Pauw & Witteman hebt gezien. Dat vind ik niet interessant.’

Een groot gat

Elsbeth Etty (58) was de jongste in een gezin van vijf kinderen. Negen jaar jonger dan haar oudste broer. Een eigengereid meisje dat al jong haar eigen gang ging. Ze hoorde niet echt bij het gezin, nu ze er zo over nadenkt. ‘Voor mijn gevoel bungelde ik er een beetje bij.’ Etty’s vader kwam uit Nederlands-Indië en werd later ambtenaar bij het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM), belast met ‘Ambonezenzorg’. Een zeer conservatieve man, in de ogen van zijn dochter, die De Telegraaf las en op zondag tijdens de middagmaaltijd zijn gezin met klem om stilte verzocht opdat hij ongestoord naar G.B.J. Hiltermann kon luisteren. Als klein meisje maakte ze zich daar al boos om. ‘Ik mocht aan tafel niet de Donald Duck lezen, maar hij mocht wel naar Hiltermann luisteren.’

De jaren zestig liepen als een waterscheiding door het gezin. ‘Mijn oudste broer en zus hoorden nog echt bij de jaren vijftig. Ze gingen studeren en werden automatisch lid van het corps. Mijn middelste zusje Marijke stond in twee werelden. Ze keek op tegen haar oudere broer en zus, maar was ook heel modern. Voor mij was ze echt een voorbeeld. Ik weet nog dat zij op een dag een spijkerbroek had gekocht. Dat wás wat in die tijd. Mijn broertje Walter (nota bene jonger dan Marijke) riep verontwaardigd: “Ik scháám me voor mijn eigen zus!”‘

Marijke overleed op 3 juli 1994, nadat ze van de trap in haar eigen huis was gevallen. Twee dagen eerder had Etty alvast haar eigen verjaardag (4 juli) gevierd. De ochtend daarna werd ze door haar oudste zus gebeld: ‘Ik heb een heel slecht bericht. Marijke is dood.’ – ‘Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo gehuild heb.’ Op haar verjaardag dwarrelde er vervolgens een vrolijk verjaardagskaartje van haar zus op Etty’s deurmat. ‘Zo Elsbeth, dat heb je toch maar mooi weer gehaald!!’ Dat kaartje had Marijke -‘punctueel als ze was’ – tijdig op de bus gedaan.

De dood van haar zus is nog steeds een van de grootste schrammen op haar ziel. ‘Nu je ernaar vraagt, moet ik me echt beheersen om niet vol te schieten. Ik heb heel lang het idee gehad dat er een groot gat in me zat dat fysiek pijn deed. Dat gat heeft er jarenlang gezeten. Ik kan me nog herinneren dat Gijs zei: “Er zal ooit weer een dag komen dat je er af en toe niet aan denkt.” Dat leek me onmogelijk. Na een jaar fietste ik over de Amstel. Het was heerlijk zomerweer, ik zweefde een brug af. En ik dacht: hé, ik voel me weer blij. Tot mijn eigen verbazing.’

Zit dat gat er nog?

‘Nee. Maar als ik aan dat moment terugdenk waarop ik hoorde dat ze dood was, voel ik direct die verlamming weer. De volstrekte wanhoop en radeloosheid die als een pijl door je lijf trekken.’

Waar is dat gat inmiddels mee opgevuld?

‘Dat is door het verstrijken van de tijd langzaam opgevuld geraakt. Al groeit het nooit helemaal dicht. Marijke zal nooit verdwijnen. Mijn oudste broer zei dat heel mooi bij de uitvaart: “Onze tijdrekening is voor altijd in de war. Want we waren met z’n vijven.” Mijn zus overleed een half jaar na mijn vader. Toen het gebeurde, zat ik midden in mijn proefschrift over Henriette Roland Holst. Haar is hetzelfde overkomen; zij verloor tegelijkertijd haar vader en haar zusje. Daar heeft ze op een heel vreemde manier op gereageerd. Twee dagen na hun dood schreef ze haar mentor Albert Verwey: “Oh, je hebt mijn verzen gelezen. Ik ben nog nooit zo blij geweest. Want je herkent mijn talent.” Aanvankelijk had ik daar een beetje overheen gelezen. Ik had het gewoon genoteerd, zonder er echt over na te denken. Nu zag ik mezelf zitten: radeloos, kapot van binnen. Toen ik na de dood van mijn zusje míjn mentor en promotor professor Jan Bank aan de telefoon had kon ik alleen maar huilen, huilen, huilen. Vervolgens ben ik Roland Holsts reactie op de dood van haar dierbaren opnieuw gaan lezen, en heb die eerste drie hoofdstukken van mijn biografie volledig herschreven.’

Niet echt een sekte

Tijdens haar studie Nederlandse Taal- en Letterkunde sloot Etty zich aan bij de CPN. Ze ging werken voor De Waarheid. De keuze voor de CPN moet mede ingegeven zijn door het verlangen om haar vader te epateren, erkent ze. ‘Ik heb mij vreselijk tegen zijn meningen afgezet.’

U hebt later geschreven dat uw familie wel eens zei: ‘Je zit in een sekte.’

‘Het was niet echt een sekte. Dat ik lid geweest ben van de CPN is iets waar ik me niet voor schaam, maar waar ik ook niet trots op ben. Ik ben uiteindelijk opgestapt omdat ik moe was van alle ruzies en die eindeloze fractiestrijd.’

U ging weg in 1983, dat was nog ná Brezjnev.

‘Ja. Ik heb zijn dood nog in de krant gezet, maar ik was al tijden bezig afscheid te nemen. In die tijd koerste het CPN-bestuur weer aan op Moskou, en dat was voor mij het breekpunt.’

Frits Bolkestein verweet u destijds dat u nooit ruiterlijk afstand had genomen van dat CPN-verleden.

‘Bolkestein richtte zich vooral tot Gijs (voormalig hoofdredacteur van De Waarheid en oud-Kamerlid voor de CPN – red.). Dat was een echte faux pas van hem. Gijs’ boek De man die faalde en mijn eigen essay in de bundel Alles moest anders waren al jaren daarvoor verschenen.’

Het blijft wel uw achilleshiel.

‘Nee. Theo van Gogh smeerde me ooit aan dat ik foute regimes heb verdedigd. Dat heb ik nooit gedaan. Lees al mijn stukken er maar op na. Ik ben lid geweest van een democratisch gekozen partij die zelf geen misdaden op zijn geweten had. Oké, het ging er binnen die partij niet altijd even prettig aan toe, maar zelfs dat is relatief. Ik interviewde Lilianne Ploumen van de PvdA, vlak nadat Ella Vogelaar was afgezet. Ik dacht toen: zo gebeurde het zelfs bij de CPN niet.’

Basisregels

Naast haar werk bij NRC Handelsblad is Etty sinds 2004 verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Als bijzonder hoogleraar literaire kritiek leert zij studenten hoe ze boekrecensies moeten schrijven. Of, beter gezegd: ze leert ze zorgvuldig te lezen, en daarover vervolgens een coherent stuk te componeren. ‘Ik leer ze het vooral door ze het te laten doen. Ik organiseer met mijn studenten elk jaar een schaduw-AKO-jury. Bij alle uitgeverijen vraag ik of we de longlist-titels kunnen krijgen. Zo worden ze geconfronteerd met de beste fictie en non-fictie die in een jaar verschenen is. Ze hoeven dus niet met tinnef te beginnen. Aan de hand van die boeken breng ik ze de basisregels voor een recensie bij.’

En die luiden?

‘Je moet iets vertellen over de thematiek van het boek, je moet duidelijk maken waarom het boek jou wel of niet iets te zeggen heeft. Let wel: het zijn dus mensen die vaak nog nooit geschreven hebben.’

En nog amper iets gelezen hebben.

‘Precies.’

Onbegonnen werk.

‘Nou ja, dat weet ik niet. Wij werken samen met www.recensieweb.nl. De recensies van mijn studenten worden daarop gepubliceerd. Mits ze goed genoeg zijn, natuurlijk. Dat maakt dat ze wel erg gemotiveerd zijn.’

Literaire kritiek is toch in de eerste plaats een kwestie van smaak?

‘Zeker. Wat ik ze uitleg, is dat die smaak zich moet vormen. Ze hebben zelf heel weinig gelezen. Dat is per definitie lastig. Je belezenheid is als recensent je kapitaal. Ik zeg ze dus: probeer veel te lezen. In het begin mag je best leunen op wat andere mensen ervan zeggen, maar probeer toch vooral je eigen smaak te ontwikkelen. Ze vragen wel eens: “Staan uw eigen recensies ook op internet?” Dan zeg ik: “Lees alsjeblieft pas recensies van anderen nadat je je eigen stuk geschreven hebt.” Bovendien zijn de meeste recensenten veertigers en vijftigers. Voor dat Recensieweb is het veel interessanter om te lezen wat zij als twintigers van een boek vinden. Een studente van mij ging Het diner van Herman Koch bespreken. Ze had geen idéé wie Koch is. Dan kun je denken: Jezus, wat stom, zeg. Aan de andere kant is het juist fantastisch. Zij kan dat boek lezen zonder Jiskefet in haar achterhoofd. Daarmee komt die roman volledig op zichzelf te staan. Dat probeer ik ze in te prenten: een recensie wordt pas goed als hij origineel is in zijn benadering. En ook: plagiaat is ten strengste verboden.’

Komt plagiaat voor bij uw collega’s?

‘Dat komt vaak voor. Heel vaak zelfs. Kijk naar Herta Müller, die dit jaar de Nobelprijs voor de literatuur kreeg. Wij hadden al eerder een groot stuk over haar in de krant gehad. Dat konden we zo weer gebruiken. Alle kranten hebben daar zonder enige bronvermelding uit geput.’

Maar citeren uit een stuk is niet hetzelfde als plagiëren.

‘Ze deden het zonder bronvermelding. Ik had kort geleden een raar akkefietje met Maarten Moll (recensent van Het Parool – red.). Die schreef een columnpje met daarboven “Elsbeth”. Een heel denigrerend stukje in de trant van: die heeft een boek gelezen waar ze helemaal niets van begrepen heeft. Twee lezers hadden mij op de NRC-site boze verwijten gemaakt naar aanleiding van de bespreking van een boek. Die kritiek nam Moll over. Letterlijk. Ik heb hem dat gemeld, en kreeg een kwade mail van hem terug: “Hoe haal je het in je hoofd om dit plagiaat te noemen?”‘

Wás het plagiaat?

‘Het was vooral pure gemakzucht. Iemand wil even snel een columnpje voltikken.’

Is het eigenlijk wel plagiaat als je de redenering van iemand anders overneemt?

‘Als ik een interessante redenering van iemand anders aanhaal, noem ik altijd de bron.’

Naar verluidt is de ondertoon bij uw colleges toch een beetje: de literaire kritiek deugt nergens, behalve bij de NRC.

‘Dat is beslist niet waar. Ik laat ze de boekenbijlagen van de Volkskrant, NRC Handelsblad, De Groene Amsterdammer, Trouw en het Reformatorisch Dagblad lezen en nabespreken. Welke recensies vind jij nou goed? En waarom? Het gaat er niet om wie de beste is.’

Want wie is de beste?

‘Ik vind de boekenbijlage van NRC Handelsblad er met kop en schouders bovenuit steken. De Volkskrant heeft z’n boekenbijlage laten afpakken. Maar al bij Cicero (naam van de voormalige boekenbijlage van de Volkskrant, red.) viel me op dat er totaal geen hiërarchie meer in de boekenpagina’s zat. Een echte boekenbijlage moet uitstralen: dit is de selectie die wij als redactie met liefde, kennis en vakmanschap uit het totale aanbod voor u gemaakt hebben. Dat zag je er bij Cicero geen moment aan af.’

Omdat het aan visie en liefde ontbrak?

‘Omdat ze waarschijnlijk geen boekenredactie meer hebben. Aan de recensies zie ik vooral af: we moeten zoveel kolommen vullen.’

Begreep u iets van de messcherpe kritiek op uw eigen novelle “Maak jezelf maar klaar”?

‘Ik was vooral verbaasd dat Arjan Peters het voor de Volkskrant besprak. Dat druist in tegen elke professionaliteit.’

Waarom zou hij dat niet mogen doen?

‘Ik heb regelmatig conflicten met hem gehad. Bij ons wordt het erin gehamerd dat recensenten niet schrijven over mensen met wie ze een haat- of vriendschapsrelatie onderhouden. Bij de Volkskrant telt dat blijkbaar niet. Die recensie van Peters was bijna satire. Zelfs mijn leeftijd werd erbij gesleept: “Een extreem oud iemand”.’

Jeroen Vullings was in Vrij Nederland ook niet mals.

‘Dat was een schoolvoorbeeld van een stuk dat er bij ons nooit in gekomen zou zijn. Ik zou je er eigenlijk een college over moeten geven. In dat stuk stond namelijk alles waarvan ik mijn studenten leer dat een recensie níét moet zijn. Het was geen afrekening met het boek, het was een afrekening met mij.’

Vullings schreef: ‘Natuurlijk hoeft een goede criticus geen begenadigd romancier te zijn, maar wat je mag verwachten, is dat hij eigen broddelwerk voor zich houdt. Dat nalaten is een smakeloze sneer naar alle, ooit door hem afgekraakte schrijvers.’

‘Dat is toch geen recensie meer?’

Het is ook wel een waagstuk om als recensent een boek te schrijven dat nou niet het allerbeste is dat ooit gemaakt is.

‘Ik vond het zelf een origineel, goed en grappig boek. Wat ik opvallend vond: in de Belgische kranten stonden wel positieve recensies. Die kenden me niet als recensent. Bij mij op de krant zeiden ze: “Nu zie je eens met eigen ogen de kwaliteit van de Nederlandse kritiek.” Dit soort persoonlijke afrekeningen zonder argumenten kán niet.’

Achtenvijftig is Etty nu. Al hard op weg naar de zestig. Geweldig vindt ze dat. ‘Tussen de zestig en de tachtig hóéf je steeds minder. Dat trekt me enorm aan.’ Want haar werk kost haar erg veel energie. Ook omdat ze zo slecht slaapt. Daar heeft ze al haar hele leven last van. ‘Als ik vóór drieën in slaap wil vallen, moet ik een slaapmiddel nemen. Ik heb grote moeite om me te ontspannen. Als ik ’s avonds een stuk heb getikt, ga ik in bed liggen lezen. Maar ja, lezen is voor mij ook werk. Ik kan dat onderscheid slecht maken. Ondertussen blijft het in mijn hoofd doormalen.’ Daarom loopt ze hard op die loopband en maakt ze die langeafstandswandelingen. ‘Na vijf kilometer raakt je hoofd leeg. Je gaat op andere dingen letten: vogelgeluiden, geuren. Als ik ’s avonds aankom op de plek van bestemming en in bed m’n boek opensla, ben ik al in slaap voordat ik de eerste zin gelezen heb. Dan slaap ik uren.’

Stel dat NRC-hoofdredacteur Birgit Donker zegt: ‘Elsbeth, je mag eruit, hoor, aan het eind van het jaar.’

‘Dat hangt geheel van de voorwaarden af.’

Die zijn prachtig.

‘Dan zou ik het doen, denk ik.’

Donker zegt: ‘Ik heb op jouw plek een heel leuk meisje van drieëntwintig in gedachten, uit jouw eigen studentengroep.’

‘Als de hoofdredactie zou zeggen: “Elsbeth, het is nu mooi geweest,” dan stort mijn wereld niet in. Echt niet.’

U kunt leven zonder uw werk?

‘Ja hoor. Ik zal toch altijd wel blijven schrijven. Dan zou ik onderzoek gaan doen voor een biografie of literatuurstudie. Het gaat mij niet primair om het publiceren in de krant, maar om het puzzelen, het nadenken en het zoeken naar mooie formuleringen. Hoe fijn ik mijn huidige werk ook vind, ik heb het niet nodig om me in mijn bestaan bevestigd te zien.’