Tofik Dibi is zijn sleutels vergeten. Het is vrijdagavond en we staan voor de dichte deur van zijn flat. ‘Vanochtend ben ik het huis uit gerend,’ zegt hij enigszins verontschuldigend. ‘Dan gebeuren dit soort dingen altijd.’ Dibi tuurt naar zijn Black-berry. Het Surinaamse afhaaleten dat in een plastic tasje aan zijn hand bungelt, wordt langzaam koud.
Bijna vijf jaar is Tofik Dibi (30) nu Kamerlid, en nog altijd woont hij met zijn moeder en twee broers in het huis waar hij is opgegroeid. Een portiekwoning in Slotervaart, de Amsterdamse krachtwijk die de laatste jaren zo vaak negatief in het nieuws was. De straat oogt wat smoezelig: auto’s dwars over de stoep, plukjes jongens op de hoek, een woud aan schotelantennes. De namen bij de benedendeur getuigen van een mono-etnische populatie: Hamzaoui, Imechd, El Hadraoui, Souklali.
Het is niet dat Tofik Dibi niets anders kan krijgen; van zijn salaris als parlementariër had hij allang een fraai appartement kunnen kopen in de binnenstad. Maar Dibi vindt het prettig met zijn familie. ‘We zijn aan elkaar gehecht. Een clan. Een paar jaar geleden zei ik tegen mensen dat ik op zoek was naar een woning voor mezelf. Maar eigenlijk zei ik dat alleen maar omdat ik telkens de vraag kreeg waarom ik nog thuis woonde. Ik wíl helemaal niet alleen wonen.’
Die onderlinge gehechtheid heeft te maken met vroeger. Jarenlang leefden moeder Dibi en haar vier zoons samen van één bijstandsuitkering. Soms konden er geen boodschappen worden gedaan, of werden de rekeningen niet betaald. Tofik, die naar het gymnasium ging, onderhandelde met de deurwaarders over betalingstermijnen. Het waren ‘geen derdewereldtoestanden’, maar leuk was anders.
Betaal jij nu alles?
‘Natuurlijk. Dit alles’ – hij wijst naar een wanordelijke stapel rekeningen op de salontafel – ‘betaal ik. Maar ik háát het nog steeds om post te krijgen. Ik heb er slechte herinneringen aan. Als ik ooit écht rijk word – ik ben natuurlijk al rijk – ga ik het uitbesteden aan iemand. Zodat ik nooit één envelop hoef te zien.’
Hoe was dat toen je Kamerlid werd? Je verdiende ineens een salaris van vijfduizend euro netto.
‘Een vertienvoudiging van mijn studiefinanciering. Letterlijk! Het was heel raar. Nog steeds trouwens. Ik loop wel eens naar een pinautomaat om op “saldo opvragen” te drukken. Dan zie ik dat er een paar duizend euro op m’n rekening staat. Het blijft onwerkelijk. Ook omdat ik veel armoede om me heen zie. Soms komen vrienden naar me toe: Tofik, kun je me helpen met de gasrekening?’
Doe je dat dan?
‘Ik heb nu heel veel vrienden, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar mijn echte vrienden kan ik op een hand tellen. Dat zijn de mensen bij wie we vroeger konden aankloppen als we geld nodig hadden voor boodschappen. Dus ja, voor hen betaal ik wel zo’n rekening. Wat sowieso vaak gebeurt, is dat mensen me om een baan vragen. In hun beleving heb ik het gemaakt, dus heb ik vast van alles te verdelen. Mijn moeder denkt dat ook. Ze zegt: Tofik, Khadija’s dochter heeft haar opleiding afgerond, kun je niet iets voor haar regelen? Ik ging weleens kijken naar vacatures. Maar toen kwamen er nóg meer mensen op me af. Ze hoorden via via: Tofik gaat kijken. Op een gegeven moment heb ik gezegd: ik ben geen uitzendbureau.’

Ben je een pleaser?
‘Ik ben een zware pleaser. Ik wil niemand ongelukkig maken, ben heel slecht in nee zeggen. Als ik al nee zeg, doe ik dat op een heel aardige manier. En zelfs dan zit het me nog heel lang dwars: had ik niet toch ja moeten zeggen?
Al verandert het wel nu ik ouder word. Inmiddels heb ik zoiets van: ik kan niet iedereen blij maken. Ook in de politiek. In het begin zei ik tegen iedereen: ik begrijp jullie zorgen, jullie hebben allemaal wel ergens een punt. Nu denk ik: als je het niks vindt, moet je niet op mij stemmen. Mensen gaan je niet haten als je nee zegt.’
Avonturier met tattoos
Twintig minuten later zijn we toch binnen. Tofiks broer Nourdin – aanvankelijk onbereikbaar wegens een afgesloten gsm – keert bezweet terug van het voetbalveldje om de hoek. Hij heeft wél sleutels bij zich. Terwijl Tofik op een van de twee reusachtige witlederen banken in de woonkamer neerploft om de Surinaamse noedelsoep te eten, duikt zijn broer onder de douche – met een muziekje erbij. ‘Luister je naar Marco Borsato?’ roept het Kamerlid lachend richting de badkamer. ‘Sukkel!’
Tofik Dibi werd geboren in Vlissingen, als derde van vier broers. Zijn vader, een shagrokende avonturier met tattoos en een oorbel, kwam begin jaren zeventig naar Nederland als gastarbeider. Voordat zijn vader met zijn moeder trouwde, woonde hij samen met Corrie, een Nederlandse vrouw. Uit die relatie werden twee kinderen geboren: Tofiks halfbroer en -zus. Ze wonen in Zeeland, met hun gezin. Dibi wijst naar een foto op het dressoir van twee hoogblonde kinderen. ‘Mijn neefje en nichtje. Ze komen af en toe naar Amsterdam. Dan kijken ze hun ogen uit hier in Slotervaart. Ze beginnen nu te begrijpen dat ze Marokkaanse familie hebben. Bizar.’
Toen Tofik zeven was, scheidden zijn ouders. Zijn moeder vertrok naar Amsterdam, de vier zoons bleven achter in Zeeland. Toen zijn vader twee jaar later overleed aan een hartinfarct, verhuisden Tofik en zijn broers alsnog naar de hoofdstad. ‘Het overlijden van mijn vader was een heftige gebeurtenis. Maar ik was in die tijd vooral bezig om het leuk te maken voor de anderen. Bij alle grote drama’s in mijn leven was het eerste wat ik altijd dacht: ik ga zorgen dat het goed komt. Maak jullie niet druk. Ik ben de leider – al is dat misschien een fout woord. Ik heb dat niet alleen bij mijn familie, ook bij vrienden. Op een gegeven moment denk ik: dit is zó erg, dit ga ik niet meer loslaten.
Toen ik nog student was, was er een Marokkaanse vrouw die hier wel eens schoonmaakte. Een heel lief mens. Ze was al heel lang illegaal in Nederland. Haar Egyptische man mishandelde haar, ze was geestelijk niet helemaal in orde meer. En ze dreigde te worden uitgezet. Toen dacht ik: ik ga zorgen dat jij hier blijft. Ik ben met haar naar de Riagg gegaan, naar de huisarts, naar de IND. Uiteindelijk is ze uitgezet. Dat zie ik nog steeds als een nederlaag.’
Denk je er als Kamerlid nog steeds zo over?
‘Bij de kwestie-Sahar (de Afghaanse gymnasiaste die dreigde te worden uitgezet, TN) had ik precies hetzelfde gevoel. Ik was bezeten. Toen ik voor het eerst over haar hoorde, wilde ik meteen Kamervragen stellen. PvdA-collega Hans Spekman zei tegen me: “Tofik, trek die vragen terug, dit gaan we achter de schermen proberen te regelen.” Dat heb ik toen gedaan. Maar toen Leers zelf uitgebreid over Sahar begon te vertellen in een interview, dacht ik: ik ga er met gestrekt been in. Nu ga ik er politiek van maken.’
Uiteindelijk mocht Sahar blijven van minister Leers.
‘Ja, maar het was overduidelijk een compromis tussen hem en de PVV. Alleen “verwesterde” meisjes uit Afghanistan krijgen een verblijfsvergunning. Maar hoe zit het met meisjes uit Somalië? En uit Iran? Bij Sahar zag ik echt de willekeur van een compromis. Dan word ik heel fel. En best wel effectief.’
Waar bleek dat dan uit?
‘Ik heb een motie ingediend dat gelijke gevallen in de toekomst gelijk behandeld moeten worden. Ik hoopte dat de CDA-dissidenten Kathleen Ferrier en Ad Koppejan kleur zouden bekennen en de motie zouden steunen. Dat deden ze niet, maar het CDA werd daardoor wel gedwongen een eigen motie in te dienen van ongeveer dezelfde strekking.’
Jouw eigen motie werd nipt verworpen.
‘Je wilt niet weten hoe vervelend ik me voelde. Ik kon mijn schoen wel opeten! Op dat moment dacht ik echt: wat is politiek toch vuil en vunzig. Gelukkig was er geen microfoon in de buurt, anders had je me kunnen horen schelden.’
Dacht je écht dat Ferrier en Koppejan vóór jouw motie zouden gaan stemmen?
‘Weet je, ik heb elke creatieve molecuul in mijn lichaam gebruikt voor die debatten over Sahar. Mensen zeiden tegen me: je moet die twee niet publiekelijk onder druk zetten, want dan stemmen ze zeker tegen. Natuurlijk heb ik ze eerst achter de schermen benaderd. Dat leverde niks op. Moet je het dan maar laten rusten? Ik voer dan liever de druk op. En ja, ergens hoopte ik wel dat ze voor mijn motie zouden stemmen. Ik ben best naïef, hoor, dat wil ik best erkennen. Ook na vijf jaar in de Kamer. Ik geloof nog altijd dat je met een soort speelsheid de politieke machine kunt ontregelen.’

Na de kwestie-Sahar heb je een oproep gedaan voortaan niet meer over individuele asielzoekers te praten in de Kamer. Maar toen er twee met Sahar vergelijkbare gevallen opdoken, stond je toch weer in de krant.
‘Ik zei: als een individu het gezicht wordt van een structureel probleem in het beleid, dan mag je het als voorbeeld noemen. Maar je moet het niet tot onderwerp maken van het debat, zodat zo’n meisje inzet wordt van een strijd tussen links en rechts. Bij die twee meisjes dacht ik: nu ga ik de minister aan zijn woord houden.’
Dat is wel een heel subtiel onderscheid. Als je zo’n meisje als voorbeeld noemt in de Kamer, maak je haar toch per definitie onderwerp van debat?
‘We hadden bij Sahar ook consequent kunnen zeggen: kinderen die zo en zo lang in Nederland wonen. Maar met Sahar was iedereen al aan de haal gegaan.’
Kamerlid Mirjam Sterk (CDA) zegt: Tofik scheert langs de randen van het populisme.
‘Ja, weet je, ik ben daar heel ongegeneerd in: ik bén populistisch. Maar ik maak wel een onderscheid tussen populisme dat bedoeld is voor de onderbuik en populisme dat de zaken een beetje tot de verbeelding laat spreken. Ik gebruik oneliners, maar ik verkoop geen lege dozen. Je moet je verhaal pakkend kunnen vertellen. Dat kunnen linkse partijen niet zo goed. Als je altijd maar begint met enerzijds, anderzijds – dan luistert niemand naar je.’
Bewijsdrang
Tofik Dibi spreekt niet hard en een beetje aarzelend. Veel ‘ofzo’s’ en ‘zeg maars’. Af en toe begint hij een zin met: ‘Ik hoop niet dat het arrogant klinkt, maar…’ Na vijf jaar Haagse politiek lijkt hij nog altijd amper een parlementariër. Maar achter dit kwetsbare voorkomen schuilt een buitengewoon ambitieus politicus. ‘Toen ik in 2006 Kamerlid werd, wilde ik de beste worden. En dat heb ik nog steeds. De drang om me te bewijzen is alleen maar erger geworden.’
Er is nog iets opmerkelijks aan Dibi: hij doet niet mee met het collectieve nee-zeggen van de linkse oppositie tegen het kabinet-Rutte. Natuurlijk, hij is allerminst gecharmeerd van de gedoogsteun van de PVV. Bij het debat om de regeringsverklaring nam hij zich voor om ‘als een pitbull’ alle plannen in de gaten te houden die met de rechtsstaat te maken hebben. Maar verder zit hij er, in zijn eigen woorden, ‘best wel relaxed in’.
En dat leidt tot verrassende oordelen. Zo is Dibi mild over de recente, harde integratienota van minister Donner, door Job Cohen al bestempeld als ‘een historische vergissing’. Hij vindt het stoere praat, bedoeld voor de bühne – dat wel. Maar ‘op zich deugt het verhaal’. Hollandse waarden niet inwisselbaar? Voorspelbaar, maar goed dat het helder gezegd wordt. Stoppen met doelgroepenbeleid? Prima, is niet meer van deze tijd. Dibi vindt dat Donner de rug heeft recht gehouden tegenover de islamhaters van de PVV. ‘En dan ga ik niet hysterisch doen.’
Zijn denken over integratie, zegt Dibi, is de laatste jaren behoorlijk veranderd. ‘Ik ben begonnen als een klassieke antiracist. Ik was boos. Op Fortuyn, op Hirsi Ali, op Verdonk. Nu heb ik mijn eigen verhaal. Ik heb geen kramp meer.’
Bij antiracisme denk ik vooral aan de benadeelden in het Wilders-proces: oud-GroenLinkser Mohamed Rabbae en René Danen van Nederland Bekent Kleur.
Dibi trekt een moeilijk gezicht. ‘Als je kritiek levert op bepaalde mensen, lijkt het ook alsof je afscheid neemt van de idealen waarvoor ze staan. Danen en Rabbae hebben goede dingen gedaan. Maar hun methode is niet de mijne. Zo’n Wilders-proces, oproepen tot verboden, tegendemonstraties organiseren – dat is totaal niet mijn stijl. Ik vind dat ouderwets en achterhaald en ineffectief.’
Hoe wil je het dan doen?
‘Woorden met woorden bestrijden. Ik zeg altijd tegen jongeren: in een open samenleving kun je geconfronteerd worden met andere opvattingen. Er kan op je gescholden worden. Dat is lastig en doet soms pijn. Maar de enige manier om daarmee om te gaan is zelf je verhaal bedenken. Ik heb een bloedhekel aan mensen die zeggen dat Wilders een probleem is omdat hij zo’n gevaar zou zijn voor allochtonen. Ieder democratisch gezind mens zou moeite moeten hebben met een partij als de PVV! Wilders wil andersdenkenden en andersgelovigen censureren. Eigenlijk doet hij precies hetzelfde als de fundamentalistische moslims: elk idee dat haaks staat op zijn eigen politieke opvattingen wordt verketterd.’
Jij vindt dat René Danen en Mohamed Rabbae alleen maar boos zijn?
‘…en machteloos. Ze ogen verbitterd – en dat vind ik pijnlijk om te zien. Ze hebben jarenlang gestreden tegen discriminatie. Nu denken ze dat hun inspanningen voor niets zijn geweest omdat de PVV zo groot is geworden. Terwijl – en daar ben ik echt van overtuigd – Wilders gewoon zegt wat veel mensen voelen. Die gevoelens verdwijnen niet met een veroordeling van Wilders of met een halvering van de PVV bij de volgende verkiezingen. De enige manier om hier uit te komen is: lucht je hart! Laat iedereen maar zeggen wat hij denkt. Dan weet ik zeker dat we vooruitgang boeken in het integratiedebat.’
Waar zit het verschil tussen jou en andere prominente allochtone politici, zoals Ahmed Marcouch en Ahmed Aboutaleb?
‘Ik zie weinig overeenkomsten, eerlijk gezegd. Behalve dat we alle drie een Noord-Afrikaans uiterlijk hebben en bij een progressieve partij zitten. Marcouch en Aboutaleb zijn echt van een andere generatie, ze zijn allebei geboren in Marokko. Ik waardeer beide politici, maar ze doen ook aan groepsdenken. Ze hebben de neiging dé Marokkaanse gemeenschap aan te spreken: het is tijd de hand in eigen boezem te steken – dat soort teksten. Dat doe ik niet. Omdat ik gezien heb dat de Marokkaanse gemeenschap bestaat uit verkaasde Marokkanen, salafistische Marokkanen, liberale Marokkanen.
Ik ben opgegroeid in een andere wereld. Mijn ouders zijn wel gastarbeiders, maar ik hou er niet van als mensen zeggen: mooi dat je zo goed bent geïntegreerd en dat je opkomt voor onze vrijheden, blablabla. Ik weet niet beter. Tegen Rita Verdonk heb ik vaak gezegd: dit zijn míjn waarden, míjn vrijheden. Ik heb ze niet cadeau gekregen van een land waar ik te gast ben.’
Voel jij je meer Nederlander dan Marcouch en Aboutaleb?
‘Zij hebben echt zo’n houding van: dank je wel, Nederlanders, dat we deze kans hebben gekregen. Dat heb ik niet. Ik ben van deze bodem. Veel Marokkaanse politici zitten gevangen tussen twee groepen. Voor hun achterban zijn ze al snel een verrader. Maar volgens de autochtonen zijn ze een wolf in schaapskleren, of doen ze aan cliëntelisme. Daar heb ik veel minder last van.’
Cold turkey
De voetballende broer is weer vertrokken. Het wordt donker in huize Dibi. Op de salontafel staat het restant van de noedelsoep. Tofik Dibi leunt achterover op de bank en snijdt een thema aan dat vaak bij hem terugkomt: zijn obsessie (zelf noemt hij het een ‘complex’) om niet meegezogen te worden in politiek Den Haag. Hij wil per se blijven zoals hij was voordat hij politicus werd.
Hoe doe je dat, niet meegezogen worden?
‘Ik ga meestal meteen na het laatste debat terug naar Amsterdam. Mijn leven buiten de Kamer ziet er totaal anders uit. Ik word snel gecorrigeerd. Als ik bij vrienden hier in Slotervaart begin over politiek, is het vaak van: hou je bek Tofik, we gaan nu niet over Kunduz praten. Als ik op tv ben geweest en ik was niet mezelf, dan zeggen mijn vrienden dat meteen. Het is een soort cold turkey.’
Femke Halsema zei tegen mij: als fractievoorzitter moest ik soms even moederlijk boos zijn als Tofik weer eens ondeugend was geweest. Maar ondertussen kon ik mijn lachen bijna niet inhouden.
‘Femke kon mij heel slecht corrigeren. Ze dacht voortdurend: zo ben ik zelf eigenlijk ook. We lijken in bijna alles op elkaar. In het decadente, het hedonistische. In de onderwerpen die ons raken. En we hebben allebei moeite om onderdeel te zijn van een groep. Er zit iets rebels in ons, iets solistisch. In de fractie zeggen: oké, als jullie het belangrijk vinden, dat zal ik dat punt in het debat maken. En dat dan vervolgens lekker niet doen, gewoon je eigen verhaal vertellen.
Soms denk ik ook weleens: fuck jullie allemaal, ik pak m’n koffers en ga naar Ibiza. En dan ga ik daar alleen maar feesten. Van mijn eerste Kamersalaris ben ik met een tas naar Schiphol gegaan en heb een reis naar Cuba geboekt. In m’n eentje, zonder dat iemand het wist. Het was bizar. Ik dacht: ik kan dit gewoon betalen. Ik was heel lang niet meer op vakantie geweest. Alleen al het idee van: ik ga zo meteen vliegen!’
Doe je het nog weleens, zomaar een ticket boeken?
‘Ja. Naar New York, of naar Marokko. En dan kan ik veel geld uitgeven. Dat is een deel van m’n persoonlijkheid – ik kick op de luxe. Kijk, ik ben het gelukkigst als ik gewoon hier op de bank zit met m’n broertjes. Maar ik hou ook van dat heel extravagante. Mooie kleren, uitgaan, vrienden – alles erop en eraan.’
Mis je Femke Halsema in Den Haag?
‘Ja, heel erg. Ook inhoudelijk. Neem al die debatten over de inval in Irak. Dan dacht ik: daar zit een zwaargewicht, een Kamerlid dat doet wat het moet doen. Het is een groot gemis. Ik had bij Femke heel sterk het gevoel dat we de tijdgeest gingen pakken, dat vruchten nog geplukt moesten worden.’
Is het anders nu Jolande Sap fractievoorzitter is?
‘Jolande heeft een andere stijl. Ze is degelijk, wil verantwoordelijkheid nemen. Dat vind ik ook iets hebben, hoor. Maar dat lichtelijk anarchistische van Femke, us against the world, dat is er niet meer. Ook omdat GroenLinks aan het veranderen is. We worden als partij steeds serieuzer genomen.’
Meteen na het vertrek van Halsema kreeg GroenLinks de moeilijke beslissing over de politiemissie naar Kunduz voor de kiezen.
Dibi kijkt wat ongemakkelijk. ‘Tja, dit is zo’n onderwerp… Het was het moeilijkste besluit dat ik tot nu toe als Kamerlid heb genomen. Het spookt nog weleens de hele dag door m’n hoofd. Ik heb nog steeds twijfels, hoor.’
Wilde je eigenlijk tegenstemmen?
‘Wat stel je gevaarlijke vragen.’ Stilte. ‘Laat ik zeggen dat ik heel graag verantwoordelijkheid wilde nemen voor een missie die wat kon veranderen in Afghanistan. En ik heb vraagtekens of dat op deze manier kan. Maar op een gegeven moment moet je kiezen. De tijdsdruk was enorm. Er was weinig tijd voor echte reflectie. Dat is iets wat ik mezelf kwalijk neem. Achteraf denk ik: zoiets zal me niet nog een keer gebeuren. Voor zo’n zwaar besluit wil ik alle tijd en ruimte hebben.’
Had Femke Halsema de fractie meer ruimte gegeven voor een eigen afweging dan Jolande Sap?
‘Ach, Femke kan ook heel dominant en dwingend zijn. Dat hoort bij leiders. Ik weet niet of het anders was gegaan met haar. Ik heb er in elk geval heel veel van geleerd.’

Dibi ziet zichzelf als een sociaal-liberaal. En die stroming zit op dit moment ‘erg in de verdrukking’. Hij voelt steeds meer de behoefte, zegt hij, om een brede sociaal-liberale beweging op te zetten, met geestverwanten van D66, PvdA en VVD. ‘De vorm waarin partijen blijven voortbestaan, is onderschikt. Het gaat me om een beweging die een meerderheid kan krijgen. Bij alle grote onderwerpen moet de coalitie bij ons aankloppen: Kunduz, Libië, Griekenland, pensioenakkoord. Maar zodra het gaat over cultuur, over natuurbeleid, over het pgb, dan wordt geen enkel alternatief van de oppositie serieus genomen. Dan geven ze niet thuis, dan zijn we machteloos.’
De oppositie kan de volgende keer toch gewoon zeggen: prima, we willen jullie best steunen in Libië, maar dan zorg je dat je onze plannen voor het pgb meeneemt?
‘Dat zit niet in de aard van GroenLinksers. Die willen kwaliteitsoppositie voeren. Elk voorstel op de inhoud beoordelen. Je gaat geen opportunistische machtspolitiek bedrijven. Maar de volgende keer dat de coalitie komt aankloppen, is er misschien wel niemand thuis.’
Vindt de hele GroenLinks-fractie dat?
‘Ja… ja.’
Dat klinkt wat aarzelend.
‘Nee, ik denk dat niet alleen GroenLinks maar ook de andere partijen zo langzamerhand denken…’
Maar jullie kunnen Rutte toch maken of breken? Als jullie hem niet steunen over Griekenland, is hij gezien.
‘Ja, maar dan krijg je van die vieze spelletjes van links tegen rechts, en koehandel. En daar hebben mensen een bloedhekel aan.’
Maar het kabinet doet het toch ook? Als ze jullie nodig hebben, krijgt de oppositie een aai over de bol. En gaat het over het pgb, dan zien ze jullie niet staan.
‘Ja, en dat moet blootgelegd worden. De fractievoorzitters moeten vaker zeggen dat het geen eenrichtingsverkeer is.’
Jolande Sap moet het duidelijker zeggen?
‘Sap, Cohen, Roemer, Pechtold – ze moeten het allemaal duidelijker zeggen.’
Op Twitter noemde je minister Opstelten ‘een feest’ en staatssecretaris Teeven ‘één van de beste bewindslieden’. Verrassend voor een Kamerlid van de oppositie.
‘Dat was zeer gemeend. Opstelten en Teeven zijn duidelijk, ze zeggen precies waar het op staat. Kijk, veiligheid is de nummer-één-klacht van Nederlanders. Dus als twee grote mannen met zware stemmen daar echt een punt van maken, vind ik dat heel waardevol. Ook al vind ik sommige van hun voorstellen verschrikkelijk, zoals het verhogen van de griffierechten. Politiek is ook management by speech. Het gaat niet alleen maar om wetten en regels. Mensen onderschatten vaak hoe belangrijk woorden zijn in de politiek.’
De meeste van jouw linkse oppositiegenoten vinden dat Opstelten en Teeven vooral proefballonnetjes oplaten in De Telegraaf.
‘Ja, en ik ben ook kritisch over Teeven en Opstelten! Ik doe niets anders dan ze het leven zuur maken over die drieduizend extra agenten die er nooit zijn gekomen. Het ontbreekt deze partners in crime wel aan daadkracht. Maar oog hebben voor de klachten van Nederlanders, dat is gewoon goed. Heel veel onveiligheidsgevoelens zijn subjectief. En zo’n nationale politie, of meer rechten voor slachtoffers – dat zijn echte verbeteringen. Het is zo makkelijk om alleen maar zuur te doen over dit kabinet.’
Is het niet gewoon zo dat je geen voorspelbaar links type wilt zijn?
‘Dat is het ook een beetje. Ik wil geen voorspelbare kritiek leveren. En als ik iets goed vind, wil ik dat zeggen. Als ik Teeven en Opstelten aan het werk zie, denk ik soms gewoon: goed zo!’
Aan het eind van het gesprek toont Tofik Dibi de verslaggever zijn kamer. Het oogt meer als het honk van een middelbare scholier dan als het slaapvertrek van een volksvertegenwoordiger. Grote stapels comics. Niets aan de muur, op één krantenknipsel na. Een bureau dat bedolven is onder de spullen. En overal, werkelijk overal: kleren. ‘Wie bij ons ’s ochtends als eerste opstaat, pakt gewoon de kleren van een ander. Meestal ben ik dat.’
Een uur later meldt hij zich op Twitter: ‘Net interview afgerond voor Vrij Nederland. Nu op deze vrijdagavond even helemaal niks anders dan op de bank chillen en verstand op nul.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.