René Appel

‘Oscar Hammerstein boeit me niet,’ zegt René Appel (68). We zitten bij de schrijver thuis in het centrum van Amsterdam en ik heb twee boeken voor hem meegenomen naar aanleiding van De advocaat, zijn thriller over de advocatenwereld die op de longlist stond voor de Gouden Strop. Ik heb de tijd, de autobiografie van de eigenzinnige en niet onomstreden advocaat Hammerstein. En Privédomein van Ingrid Hoogervorst, een roman waarin de voormalige recensente van De Telegraaf afrekent met haar ex, de schrijver Atte Jongstra. ‘Mensen denken dat je de wereld van de rechtsstaat en de criminaliteit tot op de laatste letter volgt als je misdaadboeken schrijft. Niets is minder waar. Ik heb voor mijn boek research gedaan over de advocatuur, ik heb veel gehad aan het boek Advocaten van Marian Husken. Maar dat is nu achter de rug.’

Appel grijpt daarom eerder naar het boek van Hoogervorst, waarin net als in De advocaat een op de klippen gelopen relatie centraal staat. ‘Dat boek schijnt een wraakneming te zijn op de man die haar na zeventien jaar van de ene dag op de andere zonder nadere toelichting heeft verlaten. In de niet helemaal koud opgediende wraak van de schrijfster zit een mooi uitgangspunt voor een psychologische thriller.’
Bij het zoeken naar onderwerpen hanteert hij een simpel systeem, zegt Appel. ‘Het gaat mij altijd om misdaad, mensen en maatschappij. Die drie m’s samen leveren de interessantste boeken op. Daarom is Dertien uur van Deon Meyer (VN Thriller van het Jaar 2012, MC) zo goed, het is wel een misdaadboek, maar het gaat net zo goed over de spanningen in de Zuid-Afrikaanse samenleving. En inderdaad, die moorden worden ook nog eens opgelost.’ Voor Appel is dat laatste geen vereiste. ‘De advocaat heeft in zekere zin een open einde, ik voel er weinig voor om de hele afwikkeling ook nog uit te schrijven, alles expliciet te maken, uit te leggen aan de lezer.’

Dorpsdichter

René Appel groeide op in Hoogkarspel, in een milieu van ambachtsmensen: zijn opa was timmerman, zijn vader huisschilder. Van belangstelling voor literatuur was thuis geen sprake. ‘Woorden waren wel degelijk belangrijk, maar niet zozeer gedrukte woorden. Mijn vader mocht dan niet literair geïnteresseerd zijn, verbaal was hij zeer begaafd. Hij was de dorpsdichter, bedacht de jaarlijkse revue voor de gymnastiekvereniging, schreef de bruiloftsgedichten.’
De boekenkast in de ouderlijke huiskamer was bescheiden. Van het rijtje boeken was het merendeel geschreven door een neef van zijn vader, F. P. Groot, die publiceerde onder de pseudoniemen Ewout Speelman en Pieter Nierop. Appel herinnert zich de plattelandsromans, maar ook de politieromans van Speelman: Moord betekent levenslang (1956), De moordenaar heeft de regie (1962) en Overval bij Interpol (1963).
De kleine René kon best goed leren en zijn vader vond dat hij maar naar de kweekschool moest. ‘In mijn milieu was onderwijzer worden het hoogste wat je kon bereiken.’ Appel had andere plannen. Hij kwam op de Amsterdamse universiteit terecht, waar hij Nederlands studeerde en bevriend raakte met medestudenten als de latere hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde Ton Anbeek (‘nog steeds een goede vriend’), vooral bekend vanwege zijn oproep tot ‘meer straatrumoer in de Nederlandse literatuur’ en diens toenmalige vrouw (en latere P.C. Hooftprijswinnares) Charlotte Mutsaers. Andere vrienden uit die studietijd waren dichter Tom van Deel, Adriaan van Dis en Hans Dorrestijn. ‘We hingen in cafés als Hoppe, De Zwart en nachtcafé de Oude Herberg. Het ging zelden over de ambitie om schrijver te worden.’
Appel stak af bij medestudenten die belangstelling voor boeken wel van huis hadden meegekregen en meer hadden gelezen dan de hoogtepunten uit het werk van Ewout Speelman. ‘Maar het waren de jaren zestig, het was de tijd van de opwaartse sociale mobiliteit en er waren meer studenten uit zogenaamd lagere sociale milieus. Ik was geen uitzondering en het heeft me nooit belemmerd, hoogstens gestimuleerd: hebben zij Dostojevski al gelezen? Dat wil ik ook!’
Tegenover zijn achterstand in belezenheid stond dat Appel wel ‘supergoed kon timmeren’, herinnert Charlotte Mutsaers zich. ‘Hij heeft tweemaal een tafeltje voor me gemaakt en een daarvan heeft wel twintig jaar naast mijn schildersezel gestaan vol blikken met penselen. Op het andere stond de telefoon.’ De boekenkast die hij destijds voor zichzelf timmerde, is nog steeds in gebruik. ‘Het is niet heel netjes gemaakt, hoor, een combinatie van allemaal losse onderdelen, maar dit is wel al het derde huis waarnaar ik die kast heb verplaatst, na veertig jaar staat hij nog steeds goed overeind.’

Voetbalverslaggever

Appel debuteerde als dichter en schrijver van korte verhalen in literair tijdschrift Hollands Maandblad, maar koos een taalkundige specialisatie, ‘misschien door mijn HBS-B-achtergrond maar ook wel een beetje omdat mijn vrienden zich allemaal al op de letteren hadden gestort. Daar viel voor mijn gevoel minder eer te behalen.’ Na zijn studie volgde een korte carrière als leraar Nederlands en als freelance voetbalverslaggever bij de Volkskrant – Appel was zelf een niet onverdienstelijke rechtsback bij NDSM in Amsterdam-Noord. ‘Behalve Ajax en AZ speelden ook Volendam en Haarlem toen nog in de eredivisie. Ik mocht naar veel wedstrijden en kreeg er nog voor betaald ook.’ Ten slotte keerde hij als wetenschappelijk medewerker terug aan de universiteit.
In de jaren tachtig sloeg hij als wetenschapper én als recensent van thrillers voor NRC Handelsblad een nieuwe richting in. Eerst promoveerde hij op het proefschrift Immigrant Children Learning Dutch, wat zou leiden tot een professoraat op het terrein van het Nederlands als tweede taal. Enkele jaren later, nadat hij als jurylid de eerste Gouden Strop had toegekend aan Jef Geeraerts, debuteerde hij zelf als thrillerschrijver: ‘Ik kreeg als thrillerrecensent zoveel middelmatigs te lezen dat ik op een gegeven moment besloot: dat kan ik zelf veel beter.’ Sindsdien produceert hij elk jaar een spannend boek.

U bent wetenschapper en timmerman. Is dat analytische en het ambachtelijke terug te vinden in de manier waarop u schrijft?

‘In de ogen van Charlotte Mutsaers ben ik misschien een handige timmerman, waarvoor dank, maar vergeleken met een professional ben ik absoluut een prutser. Als schrijver ben ik ook niet iemand die echt construeert. Wat ik wel kan, is mijn werk achteraf analyseren, dus inmiddels weet ik wat spanningsverhogend werkt. Ik heb daar een paar jaar geleden een boekje over geschreven: Spannende verhalen schrijven.’

Er hangen bij u geen schema’s met plotontwikkelingen aan de muur?

‘Nee, ik ga juist intuïtief te werk en het plot ontvouwt zich dus al schrijvende. Anders dan in mijn wetenschappelijke werk gaat het me bij het schrijven niet om feiten of om de analyse. De wetenschap en het schrijven zijn twee kanten van mijn persoonlijkheid. Ik ben sterk rationeel, analytisch ingesteld. Aan de andere kant laat ik me snel raken, ben ik behoorlijk snel ontroerd. Of het nou is door een overwinning van Ajax of door mijn kleindochters.’

Wanneer bedacht u dat er een boek moest komen over een chantabele Amsterdamse strafpleiter met een mislukt huwelijk en een gefnuikte carrière?

‘Er was niet een direct voorbeeld in de media, als je dat bedoelt. Ik speelde al langer met het idee een boek te schrijven over een advocaat die veel weet van de crimineel die hij moet verdedigen, hij kent de ins en outs van allerlei vieze zaakjes. Maar de advocaat moest zelf ook een zwakke plek hebben: hij is gokverslaafd en gefrustreerd in zijn ambities. Ik begon met het idee: mijn advocaat zakt weg in een financieel moeras en hij gaat zijn eigen cliënt chanteren om daar weer uit te komen. Zoveel weet ik dan wel van de constructie van zo’n boek dat je dan nog een derde hoofdpersoon nodig hebt. Dat verdrievoudigt het aantal relaties en maakt een tweede plotlijn mogelijk die de eerste kan versterken. Dat werd de overspelige echtgenote. Met die ingrediënten ben ik begonnen. Het verhaal is uiteindelijk anders gelopen, dat gebeurt nu eenmaal al schrijvende.’
Achterin het boek bedankt u misdaadexperts.
‘Ik heb met VN-misdaadverslaggever Harry Lensink gesproken over fraudezaken en over de relatie tussen advocaat en cliënt. Maar ik las er ook boeken over en stak mijn licht op bij een rechter, bij een strafrechtadvocaat, bij criminoloog Frank Bovenkerk. Het prettige van de fase van het materiaal verzamelen is dat je de karakters langzaam voor je begint te zien. Ik schrijf vanuit het perspectief van die karakters en snijd dat door elkaar, dat werkt goed voor het opbouwen van spanning. Als ik de informatie heb verzameld, ga ik schrijven en wordt het toch vaak anders dan ik het in mijn hoofd had.’

Gaat u kijken op de locaties waarover u schrijft?

‘Ik heb een tijdlang regelmatig samen met Ton Anbeek zittingen van de Amsterdamse rechtbank bezocht. En ik ben afgereisd naar Grand Casino Knokke, een van de plaatsen waar mijn hoofdpersoon zich op uitnodiging van zijn cliënt te buiten gaat aan gokken, drank, drugs en vrouwen. Ik heb het zelf rustig aan gedaan, hoor, en ik ben ook niet gaan gokken. Ik hoef geen geld te verspelen om me de koorts van de gokverslaving te kunnen voorstellen. Een ander gokhol heb gemodelleerd naar een etablissement dat ooit was gevestigd in de Amsterdamse Spuistraat. Ik had genoeg aan de verhalen.’

U voelt zich niet aangetrokken tot de schimmige wereld waarin uw boeken zich vaak afspelen?

‘Nee, die zelfkant trekt me totaal niet. Je moet bovendien alleen researchen zolang het je stimuleert om zelf dingen te bedenken. Mijn ervaring is dat je fantasie vaak beter werkt dan research. Te veel feitenonderzoek maakt je schatplichtig aan de werkelijkheid, dat kan belemmerend werken. Maar de verhalen die ik schrijf, gebeuren wél, dat weet ik zeker. Achteraf controleer ik of wat ik heb opgeschreven wel kan, ik laat het lezen aan experts. Want het moet kloppen. Althans, het meeste. Eén ding klopt in elk geval nooit in politieromans en -series: in de werkelijkheid houden vaak een stuk of dertig mensen zich bezig met een onderzoek, in een boek of in een serie kom je er maar een paar tegen. Dat is een soort afspraak: anders wordt het onmogelijk ingewikkeld.’

Wetenschapsfraude

Sinds een jaar of tien is René Appel met emeritaat en kan hij in plaats van twee dagen de hele week aan een boek werken. ‘Mijn productie is er vreemd genoeg niet door verhoogd, integendeel. Vroeger had ik het idee: in die twee dagen moet het allemaal gebeuren. Nu heb ik zeeën van tijd en gaat het langzamer – al is het streven nog steeds vijf boekpagina’s per dag.’
Na zijn afscheid van de universiteit is Appel weggedreven van zijn vakgebied, de taalkunde. ‘Eerst dacht ik: ik ben een erkend deskundige op het gebied van Nederlands als tweede taal en alles wat daarmee samenhangt. Een nogal actueel onderwerp, als je kijkt naar de roep om inburgering de afgelopen jaren. Dus ze zullen me wel vragen voor allerlei commissies en evaluatierapporten. Maar als je er niet zelf achteraan gaat, valt dat heel snel stil.’
Hij publiceert nog wel over taal in Onze Taal en zit elke zaterdag in het programma De taalstaat van Frits Spits op Radio 1. En onlangs nog plaatste hij in de Volkskrant kanttekeningen bij de invoering van tweetalig onderwijs. ‘Ik ben daar niet per se tegen, maar de manier waarop dat het basisonderwijs wordt ingepompt, bevalt me niet en dan wil ik daar mijn stem over laten horen.’
Een enkele keer koos hij de universitaire wereld als onderwerp, zoals in de thrillernovelle Spanning, niet toevallig verschenen in de tijd dat hij afscheid nam van de universiteit. Ver voor de plagiaatkwestie rond Diederik Stapel beschreef Appel in dat boek hoe een sociaal psycholoog fraude pleegt omdat zijn onderzoek op middelbare scholen naar de gevolgen van stress niet de data oplevert die zijn hypothese ondersteunen. ‘Destijds was publicatiedwang aan de universiteit ook al een probleem, ik schreef er ooit een stuk over onder de titel “Publiceren of creperen”. In Spanning liet ik zien hoe zoiets uit de hand kon lopen. Een vooruitziende blik dus, al ging Diederik Stapel nog verder dan mijn hoofdpersoon en kwam hij er relatief goed mee weg. De fraudeur in mijn boek gaat echt ten onder.’

Hoe lastig is het om een onsympathieke held te beschrijven die je als lezer toch wilt blijven volgen?

‘Dat kan heel goed, kijk maar naar series als House of Cards of Breaking Bad: Frank Underwood en Walter White zijn onsympathieke hoofdpersonen en toch ben je bereid met ze mee te gaan in het verhaal. Bovendien: mijn advocaat heeft wel kwalijke kantjes, maar hij is eerder middelmatig dan slecht. Als advocaat ben je beroepshalve soms gedwongen om onsympathieke stellingen in te nemen en hij doet er alles aan om zijn verdachte bij te staan zonder zich morele vragen te stellen. Voor ons als leken lijkt het of hij ethische grenzen overschrijdt, maar in feite doet hij goed zijn werk.’

Advocaten krijgen soms wel erg ruim baan als ze hun zaak in het openbaar willen bepleiten.
‘Recent was er advocaat Jan-Hein Kuijpers die – van zijn kant gezien logisch – op tv de schietende juweliersvrouw in Deurne vrijpleitte. Zijn cliënten zette hij in alle eenzijdigheid neer als onschuldige bloedjes die door omstandigheden in deze positie terecht zijn gekomen. Zijn verhaal werd gebracht als dé reconstructie van de gebeurtenissen. Maar dat hij geen weerwoord kreeg in de media, kun je hem niet verwijten.’

Uw advocaat probeert een verkrachter die zonder meer schuldig lijkt te zijn, vrij te krijgen. Daarmee beschadigt hij het slachtoffer.

‘Van een advocaat die veel zedenzaken doet, hoorde ik dat strafpleiters het bij verkrachting vaak de kant opsturen van seks met wederzijdse instemming. Dat het meisje eerst best wilde en later spijt kreeg. En bewijs dan maar het tegendeel, als er geen sporen van geweld zijn.’

Hij vereenzelvigt zich steeds meer met de zware jongen die hij bijstaat, een soort Holleeder-figuur.

‘Mijn advocaat bewondert de daadkrachtige manier waarop zijn criminele opdrachtgever zijn zaken regelt. Hij wil dat zelf ook, identificeert zich met hem, gaat zich anders kleden en laat zijn haar knippen om op hem te lijken. Hij wil in dezelfde league spelen, maar realiseert zich niet dat hij daar de essentiële eigenschappen voor mist. Hij is geen leider maar een volger.’

Het doet denken aan De donkere kamer van Damokles, een van de voorbeelden uit uw handleiding voor het schrijven van thrillers.

‘Dorbeck met ck en Osewoudt met dt, ja. Dat dubbelgangersmotief had ik nodig voor de ontwikkeling van de plot, maar psychologisch speelt het ook een rol. De advocaat spiegelt zich aan zijn sterkere, daadkrachtiger alter ego. Maar bij W.F. Hermans blijft het de vraag of Dorbeck echt bestaat of een fantasie is van Osewoudt. Bij mij gaat het wel degelijk om twee echte mensen die flink op elkaar lijken. Ik had dat van tevoren bedacht, maar het beïnvloedde uiteindelijk het verhaal op een manier die ik niet had verwacht.’

Uw hoofdpersoon lijkt het goed voor elkaar te hebben, gezinnetje, leuk huis in Amsterdam-Zuid. Maar het blijkt zo onderuit te halen.

‘Rinus Ferdinandusse heeft mij ooit de maestro van de doorzonkamerthriller genoemd. De middenklasse ken ik, ik zou niet makkelijk een boek kunnen schrijven dat zich in de upper class afspeelt, of in de laagste lower class.’

U prikt door de schijnzekerheden van uw hoofdpersoon heen. U duwt hem met kennelijk plezier over de rand van de afgrond.

‘Ik schep er wel sardonisch genoegen in om te laten zien hoe het helemaal mis kan gaan. De hoofdpersoon wordt gepiepeld op zijn werk, wil eigenlijk hogerop. Ik moet me dan afvragen: wat heeft hij ervoor over om dat doel te bereiken? En als hij denkt te ontdekken dat zijn vrouw vreemdgaat: wat betekent dat voor hem en welke consequenties verbindt hij eraan. Ik stel mezelf die vragen en giet de antwoorden in de vorm van een verhaal. Dat het advocaatje het heel moeilijk zou krijgen, dat stond vast. Al schrijvend kom je er achter hoe zich dat precies ontrolt, al is het in andere gevallen ook weleens voorgekomen dat ik op tweederde nog niet wist hoe het zou gaan aflopen. Het is een enorme opluchting als je ontdekt: zó gaan we het doen, natuurlijk. Het klinkt een beetje pretentieus maar dat leidt tot een eureka-gevoel. Ik heb het gevonden! Zó moet het aflopen, natuurlijk, dat ik daar niet eerder aan dacht. Op die momenten lijkt het boek je bij de hand te nemen.’

De advocatuur komt er niet best vanaf in uw boek.

‘Het verhaal weerspiegelt de prestatiemaatschappij waarin veel mensen alleen nog maar bezig zijn met hun eigen succes, hun eigen carrière, zo veel mogelijk scoren. Dat doorgeschoten individualisme is volgens mij begonnen in de jaren negentig: het marktdenken, het moeten presteren om je waar te maken. In die zin is advocaat David Driessen een kind van zijn tijd. Hij gaat – net als trouwens de wetenschapper in het fraudeverhaal – in die rat race ten onder. Ze willen ontsnappen aan de middelmaat en dat leidt onherroepelijk tot hun val. Het zijn kleine Icarusjes. Ik schrijf graag over dingen die verkeerd gaan, ja, maar noem me eens een literaire roman die goed afloopt. De uitspraak van Flaubert is inmiddels een beetje een cliché geworden, maar is daarom niet minder waar: “Le bonheur se raconte mal.”’

Bookify

We zitten tegenover een van zijn drie boekenkasten, met veel Nederlandse literatuur: Grunberg, A. F. Th. van der Heijden, Oek de Jong. ‘Linksonder is het thrillergedeelte met een paar van mijn favorieten: Ruth Rendell, Patricia Highsmith, Michael Connelly, Elmore Leonard.’ Charles den Tex, Elvin Post en Michael Berg zijn Nederlandse thrillerschrijvers die hij bewondert. ‘Ik heb nog veel papieren boeken, al heb ik bij de laatste verhuizing veel weggegooid.’ Dat is vanwege ruimtegebrek, niet vanwege de opkomst van het (al dan niet illegale) digitale lezen, waartegen hij samen met Nelleke Noordervliet waarschuwde in NRC Handelsblad. ‘Wij vrezen,’ schreven zij over de mogelijke lancering van een Spotify-model voor boeken, ‘dat de kosten voor de consument – onder druk van de illegale downloads – zo laag moeten blijven dat de inkomsten voor uitgevers en schrijvers minimaal zullen zijn.’
Het was vreemd dat schrijvers zich tot nu toe nauwelijks lieten horen, zegt Appel, die jaren voorzitter was van de VVL, de vereniging van letterkundigen en nu van schrijversorganisatie PEN Nederland. ‘Wij schrijvers laten het allemaal gebeuren, terwijl het ons werk is dat wordt gekopieerd en gratis verspreid. Er wordt juridisch veel te weinig tegen gedaan. Van dat Bookify is trouwens weinig meer vernomen de laatste tijd.’

Toen u begon met schrijven, stonden thrillers niet echt in hoog aanzien, zeker niet aan de letterenfaculteit.

‘Nee, collega’s aan de universiteit wilden nog weleens tegen me zeggen: o, leuk, je hebt een nieuw boekje geschreven. Dan zei ik ja, maar ondertussen dacht ik: “Ikzelf mag boekje zeggen maar voor jou is het een bóék.” Men vond het wel aardig, curieus, het werd gezien als een soort hobby naast mijn wetenschappelijke carrière. Voor mij was het belangrijker dan dat.’

Is dat imago van de thriller veranderd dankzij de instelling van de Gouden Strop en het Genootschap van Misdaadauteurs?

‘De status van misdaadliteratuur is zeker omhoog gegaan, je wordt niet meer bij voorbaat afgeserveerd. Ooit was het bon ton om te zeggen: dat soort boeken lees ik niet. Alleen in de literaire wereld kijkt men er tegenwoordig zo mogelijk nog negatiever tegenaan, volgens mij mede op basis van rancune vanwege de soms enorme oplagecijfers van collega’s als Esther Verhoeff , Saskia Noort en Simone van der Vlugt. Niet van mij, hoor, mijn best verkochte boek is met vijftigduizend exemplaren Schone handen, dat trouwens binnenkort verfilmd wordt. Een beroemd voorbeeld van die minachting is de manier waarop Connie Palmen ooit voor de camera uitviel tegen schrijvers als Saskia Noort: “Scheer je weg, nietsnutten in het land van de literatuur. Donder op!” Een recensent als Arie Storm reageert ook schamper als boeken een plot hebben, toch het wezenskenmerk van een thriller.’

Er heeft zich een apart genre ontwikkeld: de damesthriller.

‘Voor een deel is dat zo en ik kan me iets voorstellen bij de kritiek op dat genre die je wel hoort: het is nogal stereotiep allemaal. Een aantal vrouwelijke auteurs schrijft steeds hetzelfde boek, lees er één en je kent het hele verzameld werk. Aan de andere kant: het geslacht van de auteur zegt helemaal niets over de kwaliteit. Kijk maar naar het fantastische werk van Ruth Rendell die op haar 84ste rustig doortikt, en naar Patricia Highsmith. Vrouwen kunnen het dus best.’

Als een literaire auteur een keer een thrillerachtig boek schrijft, zoals Peter Buwalda, dan wordt hij meteen genomineerd voor de Gouden Strop en verkoopt een paar honderdduizend boeken. Is dat niet irritant?

‘Geen enkel probleem, ik denk niet in dat soort hokjes, dat vind ik te gemakkelijk. Wat wel of niet literatuur is, dat onderscheid is niet zo boeiend. Je kunt je wel afvragen of Bonita Avenue, als je het puur als thriller beoordeelt, wel zo goed is. Er zit weinig spanning in, verrassende wendingen ontbreken. En al houd ik niet van te veel vaste stramienen en formats, dat zijn toch wel twee voorwaarden voor een goede thriller.’

Uw eigen boeken worden wel in een hokje gestopt, al is het maar door de cliché-cover. Wat doet die halfnaakte blondine voorop De advocaat?

‘Je treft me op een kwetsbaar punt. Het gebruik van dat soort stockfoto’s is een trend in de thrillerwereld, het omslag heeft geen enkel verband meer met de inhoud. Ik vind dat jammer, een omslag moet toch íéts zeggen over een boek. Maar daar denkt de marketingafdeling van mijn uitgeverij anders over. Misschien zou de uitgever iets extra’s moeten investeren en twéé covers maken: een voor in de stationskiosk en een voor bij Athenaeum. Tenminste, als ze bereid zijn het boek daar naast de kassa te leggen.’

Vrij Nederland juni 2014

Vrij Nederland juni 2014

Vrij Nederland juni 2014

Vrij Nederland juni 2014

Vrij Nederland juni 2014

Vrij Nederland juni 2014

D&T GIDS