Waarom schrijft u thrillers?

‘Ik had nog een kort verhaal liggen over een vrouw die een affaire had met haar schoonzoon, waar ik niets mee kon. Dus ik vroeg aan mijn man: “Wat moet ik daar nou mee?” Hij zei: “Kun je niet lekker iemand laten vermoorden? Dan heb je een thriller. Een beetje liefde, seks en een moord, dat is tegenwoordig hartstikke in.” We zaten gewoon gezellig te praten, maar door die opmerking viel het kwartje en was ik niet meer te stuiten.

Als een boek mij niet meteen pakt, leg ik het weg. Ik ben een ongeduldige lezer. Ik wil dat mijn verhaal je grijpt. Dat kan met thrillers, want je kunt spanning opbouwen en de lezer op het verkeerde been zetten.’

Veel karakters in uw boeken lijden onder psychische problemen.

‘Ik vind menselijk gedrag heel fascinerend. Als kind had ik dat al. Bij ons in de buurt woonde een man die sprak met mensen die wij niet zagen. Ik was nieuwsgierig, probeerde hem te volgen en erachter te komen of er buiten mijn zicht toch iemand verborgen zat. Later ben ik in de gezondheidszorg en in de psychiatrie gaan werken en raakte ik nog meer geïnteresseerd in de psyche. Ik heb geleerd dat iedereen kan ontsporen.’

De hoofdpersoon in Nooit alleen heeft een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Waarom wilde u daarover schrijven?

‘Guusje is gebaseerd op iemand die ik ooit verpleegd heb. Ze sprak altijd met haar god en kreeg opdrachten van hem, bijvoorbeeld dat ze uren achter elkaar moest fietsen of haar eten moest weggeven aan iemand anders. Die vrouw leed onder haar contact met god en dat lijden raakte me. Tegelijkertijd kon ze in extase raken als ze een klavertje vier vond. Ik zal haar nooit vergeten, ze was een heel bijzonder mens. Ik wilde haar al heel lang in een verhaal opvoeren om haar onsterfelijk te maken.’

Is het een eer om het geschenkboek te schrijven?

‘Het is een bevestiging van je talent, want ze vinden je werk goed genoeg om je te vragen. Er liggen straks toch zeshonderdduizend exemplaren in de winkels.

Ik weet nog dat het CPNB belde, of ik langs wilde komen. Ze weigerden te zeggen waarom, maar ik voelde het al aankomen. Drie weken later was het gesprek. Toen had ik al tienduizend woorden klaarliggen, maar dat heb ik ze niet verteld.’