15-01-2005
Door Robert van de Griend

Tot wanhoop gedreven door Extreem Problematische Huurders heeft de Beverwijkse woningcorporatie Woon op Maat iets nieuws bedacht: de ‘hufterwoning’. De gemeente Kampen heeft er al ervaring mee. ‘Een paar jaar geleden moest een container worden vervangen omdat er een halve meter drek in lag.’

‘In het portiek kotsen, nachtenlang snoeiharde muziek draaien, vuilnis van het balkon gooien, de galerij als opslagplaats gebruiken.’ Getergd somt directeur John van Nimwegen van woningcorporatie Woon op Maat uit Beverwijk de vrijpostigheden op die sommige van zijn huurders zich veroorloven. Zeker zes cliënten uit zijn bestand laten zich, zacht gezegd, weinig gelegen liggen aan sociale omgangsvormen of een hygiënische standaard. ‘Op de 9200 woningen die wij in ons beheer hebben, lijkt dat misschien niet veel,’ zegt Van Nimwegen, ‘maar u moet zich bedenken dat die figuren overlast veroorzaken voor tien.’ Omwonenden klagen steen en been over stank en herrie. Om de haverklap is er bonje in de straat. Woon op Maat sust, bemiddelt, wijst terecht en waarschuwt voor de allerlaatste maal, maar het effect is nul. ‘Die asocialen hebben werkelijk schijt aan alles,’ foetert Van Nimwegen. Zelfs de gang naar de kantonrechter biedt volgens hem geen soelaas. Het vonnis zou praktisch altijd in het voordeel van de huurder uitvallen. ‘Overlast is moeilijk te bewijzen. Buren durven vaak niet te getuigen uit angst voor represailles. Daardoor krijgen we zelden gedaan dat we mogen ontruimen.’

Tot wanhoop gedreven heeft Woon op Maat nu iets nieuws bedacht: de ‘hufterwoning’. Pardon? ‘Jazeker,’ vertelt Van Nimwegen met enige trots, ‘die zes huurders die zich wel kúnnen maar niet wíllen aanpassen, scharen wij voortaan onder de noemer “hufters—. Voor hen gaan we onderkomens bouwen met het uiterlijk van een normale woning, maar het casco van een betonnen bunker. Zo kan er weinig worden gesloopt.’ De huizen komen naast elkaar te staan in een afgelegen deel van een woonwijk aan de rand van de stad. Daardoor, verzekert Van Nimwegen, zal niemand in Beverwijk meer hinder van de herrieschoppers ondervinden. De woningcorporatie heeft aan alles gedacht. ‘Vóór de huizen wordt een zestig centimeter hoog muurtje geplaatst, zodat het niet opvalt wanneer er vuilnis in de tuinen ligt.’

Opmerkelijk genoeg wil Van Nimwegen niets kwijt over de exacte lokatie van de woningen. Als écht niemand last van die hufterbunkers krijgt, hoeft hij er toch ook niet geheimzinnig over te doen? ‘We houden de precieze plek zo lang mogelijk voor ons,’ bromt de directeur, ‘anders komt er alleen maar onrust van.’

Met het hufterproject verwacht Woon op Maat in het vervolg een stuk sterker te zullen staan wanneer een conflict met een huurder weer eens op een rechtszaak uitdraait. ‘Een belangrijke reden waarom rechters vaak geen toestemming voor ontruiming geven, is dat wij de huurder geen alternatief bieden,’ legt Van Nimwegen uit. ‘Met de hufterwoningen hopen wij het gelijk voortaan wel aan onze kant te krijgen.’

De Beverwijkse woningcorporatie staat niet alleen in haar plannen. Ook in Almere, Tilburg, Meppel en Enschede kwam het idee voor een blokje asopanden al eens ter tafel. De stadsdeelraad van Amsterdam-Noord besloot in mei vorig jaar op korte termijn een vijftal ‘wooncontainers’ op een oud industrieterrein te gaan neerzetten. Aanleiding was een burenruzie in Amsterdam-West, aangesticht door het inmiddels landelijk verafgode gezin Tokkie, waarbij vijf gewonden vielen en een huis in de as werd gelegd. De plaatsing van de mobiele woonunits heeft door bestuurswisselingen wat vertraging opgelopen, maar initiatiefnemer John Geelof van het CDA laat weten dat het er ‘heus spoedig van zal komen’.

De kans dat andere gemeenten het voorbeeld gaan volgen, is aanzienlijk. Uit cijfers van brancheorganisatie Aedes blijkt dat woningcorporaties in Nederland hun handen vol hebben aan honderden Extreem Problematische Huurders. De grote politieke partijen juichen de bouw van asowoningen bovendien toe. ‘Als een hele buurt wordt geterroriseerd door een kleine groep, moet je die aanpakken. Als je laat zien dat je dergelijk gedrag serieus aanpakt, zullen mensen elkaar er ook eerder op aanspreken,’ verklaarde PvdA’er Staf Depla in mei 2004 tegenover Algemeen Dagblad. CDA-collega Bas Jan van Bochove voegde eraan toe: ‘Mensen die onaangepast zijn en voor veel overlast zorgen, mogen niet dagelijks het woongenot van anderen vergallen en versjteren. Wonen in een container heeft een negatieve bijklank, maar dat is niet nodig.’ En VVD’er Pieter Hofstra zei: ‘Bij wijze van uitzondering moet het kunnen.’

Sinds het begin van de jaren zeventig is het overheidsbeleid er in Nederland op gericht geweest achterstandssituaties op te heffen, maar dat nobele streven wordt langzamerhand verlaten. Met de hufterbunkers keert de harde aanpak terug die de afgelopen decennia uit de gratie is geweest. In het boek Geschiedenis van de onmaatschappelijkheidsbestrijding,1914-1970 beschrijven Adrianne Dercksen en Loes Verplanke welke initiatieven vóór de softe decennia zijn genomen om de samenleving van asociaal gedrag te ontlasten. Zo valt te lezen hoe in de jaren twintig in Nederland talloze blokken voor onaangepaste families verrezen, variërend van een rijtje noodwoningen in een doodlopend straatje tot een heuse woonwijk. Na de Tweede Wereldoorlog werden in Drenthe en Overijssel Gezinsoorden voor Maatschappelijk Onaangepaste Gezinnen gesticht, waarbij veel aandacht werd besteed aan heropvoeding. In de jaren zestig werden de oorden weer opgeheven en ging de voorkeur vooral uit naar plaatselijk heropvoedingswerk door het particulier initiatief en de gemeente. Dercksen en Verplanke komen in hun boek tot de conclusie dat de meeste asoprojecten tussen 1914 en 1970 faliekant zijn mislukt, in die zin dat ze een bijzonder stigmatiserend effect sorteerden. Eenmaal door de overheid gebrandmerkt als ‘onmaatschappelijk’ konden de families in kwestie hun lol op. Ouders slaagden er nauwelijks meer in een baan te vinden, kinderen werden gepest op school en kregen zelden verkering. Wilde een gezin terugverhuizen naar een normale woning, dan werd door de gemeente doodleuk medegedeeld dat er niet één beschikbaar was. Het enige complex waarvoor een familie na verloop van tijd nog in aanmerking kwam, was een minderwaardigheidscomplex.

Akkoord, John van Nimwegen van Woon op Maat wil best toegeven dat zijn plan om hufterwoningen te gaan bouwen niet volmaakt is. ‘Het is natuurlijk vooral een isolatie van het probleem, geen sluitende oplossing.’ Maar dat het stigmatiserend zal werken? Nee, daar moet hij toch echt tegen protesteren. ‘Die woningen komen dicht genoeg bij gewone huizen te staan om dát niet te laten gebeuren,’ verspreekt hij zich.

Wie écht antwoord wil op de vraag of aparte huisvesting voor asocialen wel zo’n goed idee is, dient af te reizen naar de Overijsselse gemeente Kampen. Daar blijken aan de rand van een industrieterrein met de toepasselijke naam Haatland al sinds 1993 vier wooncontainers voor Extreem Problematische Huurders te staan. Keurig ingeklemd tussen een bungalowwijk en een woonwagenkamp. Met hun rechthoekige vorm en hun vaalwitte kunststof buitenwanden hebben de woningen nog het meeste weg van oude bouwketen. Navraag bij de fabrikant leert dat de onderkomens, bestaande uit een eenvoudige woonkamer, twee slaapkamertjes, een keukentje en een douche, geheel uit ‘shockproof’ materiaal zijn vervaardigd. Je weet tenslotte maar nooit met die aso’s.

De bejaarde Jan Grootjer woont in de eerste container op het rijtje. ‘Ik bén helemaal geen asociaal,’ moppert hij met een zwaar Kampens accent. ‘Het is allemaal begonnen met die hersenbloeding. Dat kwam van de alcohol, begrijpt u wel. Tien dagen heb ik in coma gelegen. Weet u hoe ik weer wakker geworden ben? Dat zal ik u vertellen. Doordat de dokter me een bodempje jenever gaf. Werkelijk waar! Hij heeft het me zelf gezegd. Zo ziet u maar waarvoor alcohol allemaal goed is.’

Toen Grootjer uit het ziekenhuis werd ontslagen, bleek zijn moeder, bij wie hij zijn hele leven had gewoond, naar een bejaardencentrum te zijn verhuisd. Hij raakte dakloos en sliep een jaar in het park. ‘Toen wenste ik elke dag dat ik dood was.’ Dankzij het Leger des Heils kwam hij uiteindelijk in deze wooncontainer terecht. Hij zit er nu vier jaar. In zijn huiskamer is weinig ruimte onbenut gelaten. Overal staan donkereiken meubels, koperen schalen en porseleinen poesjes. Aan de spaanplaten wand hangen ingelijste posters van Elvis Presley en Marilyn Monroe en, jawel, een schilderij van het zigeunerjongetje met de traan. De meeste spullen komen van zijn moeder, die inmiddels is overleden, vertelt Grootjer. Sommige dingen heeft hij uit de kringloopwinkel. ‘Die laat ik dan, húp, in het mandje van mijn rollator zakken. Geen mens die het ziet.’ Voor de enorme televisie die prominent in de kamer staat, heeft hij wél betaald. ‘Ik mag graag naar Oprah kijken,’ bekent de grijsaard. Het is opvallend hoe opgeruimd en schoon de woning is. Kleren hangen keurig op een stokje en het toilet ruikt fris. ‘Dat doe ik allemaal zelf,’ zegt Grootjer trots. ‘Maar mijn eten krijg ik van Tafeltje Dekje. En er komt één keer per week iemand langs om me te helpen met douchen.’ Nee, hij wil hier nooit meer weg, zegt hij stellig. Hij heeft het uitstekend naar zijn zin. Al ligt hij soms wel overhoop met zijn buren.

Twee huizen verderop woont een junk. Die staat regelmatig op de stoep om geld te bietsen. ‘En Henk van der Kolk van nummer zeven heeft een keer mijn videorecorder gestolen. Maar dat ben ik alweer vergeten, hoor. Ik heb pas nog een kerstkaart van hem gehad. Dan zeg ik: zand erover. Hoewel, als Henk vannacht dood zou blijven, zou ik dat ook best vinden.’

Net op het moment dat het bezoek begint in te zien dat Jan Grootjer weliswaar wat eigenaardig is, maar zeker niet overdreven asociaal, staat de oude baas op uit zijn stoel. ‘Gaat u ook nog bij die drugsverslaafde langs? Wacht, dan pak ik mijn blaffer. Neem die maar mee voor de zekerheid.’

Het wapen blijkt niet nodig. De junk is niet thuis. Althans, hij doet alsof hij niet thuis is. Zijn besmeurde gordijnen zijn dichtgeschoven, er wordt niet gereageerd op de deurbel, maar vanachter de voordeur klinkt wel degelijk gestommel. De achterdocht is kennelijk groot. Zelfs voor de louche uitziende figuur die even later in de straat opdaagt, onmiskenbaar een dealer, wordt niet opengedaan.

Henk van der Kolk is er wél. Hij maakt, met zijn twee meter lengte, handen als kolenschoppen en groezelige baard, een wat agressieve indruk wanneer hij ruw de deur opengooit en bast: ‘Wat moet dat?’ Maar de negenenveertigjarige Van der Kolk ontdooit snel en blijkt best genegen even te laten zien hoe hij woont. Door zijn hele huis hangt een dikke mist van sigarettenrook, die je al in het gangetje naar adem doet snakken. Zijn woonkamer is sober ingericht. Een paar oude canapés, een tafel en een televisie, meer staat er eigenlijk niet. Nou ja, er is natuurlijk ook nog die hightech stereo-installatie. Want Van der Kolk draait graag een muziekje op z’n tijd. ‘Oude hardrock, daar houd ik van. Fleetwood Mack, Pink Floyd, dat werk.’ En, vindt hij, je kunt pas echt goed van een cd genieten als het volume op tien staat. ‘Ik heb nu speakers van zeshonderd watt. Maar die zijn eigenlijk te zwak. Ik zou liever achthonderd watt hebben. Ik moet tenslotte ook iets kunnen horen wanneer ik buiten in de tuin sta.’

De buurman uit de bungalow tegenover hem was niet zo’n liefhebber van elektrisch gitaargeweld. Die zette na krap een jaar zijn huis al te koop. Van der Kolk haalt zijn schouders op en draait een shagje. ‘Ik ben blij dat ie is opgerot.’ Heeft hij nog andere ondeugden waarvan we moeten weten? ‘Ach, vroeger gebruikte ik veel cocaïne. Heroïne ook trouwens. Ik ben zelfs wel eens doorgereden nadat ik onder invloed een auto-ongeluk had veroorzaakt. Maar daar houdt het dan wel mee op. Je kunt dus niet zeggen dat ik een asociaal ben, of zo, zoals sommige mensen over mij beweren.’

Net als buurman Grootjer piekert Van der Kolk er niet over zijn wooncontainer ooit nog te verruilen voor een normaal onderkomen. Goed, hij heeft wel eens last van die junk naast hem, maar die is nog niet half zo erg als die pyromaan die er eerst woonde. ‘Zeg nou zelf, ik zou toch gek zijn als ik hier wegging? Ik heb hier alle vrijheid van de wereld!’

En dan is er nog het gezin De Jonge: een moeder op leeftijd met twee zoons van in de veertig en een dochter van begin dertig. Ze zijn containerbewoners van het eerste uur en inmiddels berucht in heel Kampen. Een bezorger van de leesportefeuille die net de straat in komt gereden, zegt: ‘Díé mensen? Die wil je met een tang nog niet beetpakken. Ik had ze vroeger als klant. Wanneer ik hun leesmap terugkreeg, kon ik hem altijd direct in de container kieperen. Zo smerig was ie geworden.’ Hij trekt er een vies gezicht bij. Een man op een fiets, die ‘zomaar voor de aardigheid even komt kieken’, zegt de familie goed te kennen. ‘Ik zou maar niet naar binnengaan, hoor,’ waarschuwt hij. ‘Die lui zijn niet goed bij hun hoofd. Ze poepen gewoon in de kamer. Een paar jaar geleden moest hun container worden vervangen omdat er een halve meter drek in lag.’ Toch maar even aanbellen. In de deuropening verschijnt een gestalte die op zijn minst onguur mag worden genoemd. Het lange donkere haar, de grote baard, de felle, scheve ogen en het aangekoekte gebit maken Klaas de Jonge tot een piraat uit een slechte lsd-trip.

‘Je bent toch niet van de politie, hè?’,vraagt hij. ‘Anders kunt je meteen een paar klappen krijgen.’ Terwijl uit het halletje een walm van rottend afval ontsnapt, maakt De Jonge herhaaldelijk kenbaar dat hij absoluut niemand binnen wil hebben. Op de foto wil hij ook onder geen beding. ‘We hebben wel iets anders aan ons hoofd,’ zegt hij plotseling met gebroken stem. ‘Moeder is gisteren overleden. Daar zijn we allemaal erg van ontdaan.’

Aso’s zijn ook maar mensen.

Het was de Kampense PvdA-wethouder Jan Wieten die begin jaren negentig het wooncontainerproject initieerde. Is hij tevreden? ‘Toch wel,’ zegt hij. ‘Het is spijtig dat het merendeel van de bewoners niet meer kan of wil terugkeren naar een normaal onderkomen. En helaas hebben we twee containers eerder dan verwacht moeten afschrijven omdat ze zo vervuild waren. Maar overeind blijft dat we het probleem van extreme burenoverlast in de stad op deze manier aardig hebben bestreden.’

Wieten wijst erop dat het project niet mogelijk zou zijn zonder intensieve begeleiding. Volgens hem zijn er maar liefst vijf partijen die nauwlettend controleren of de containerbewoners er niet te veel een puinhoop van maken: de gemeente, de wijkagent, de woningcorporatie, de Coördinator Moeilijk Plaatsbaren en de Bemoeizorg.

Dan kunnen de toekomstige buren van de hufterbunkers in Beverwijk hun borst wel natmaken. John van Nimwegen van Woon op Maat laat weten dat hij slechts ‘marginaal toezicht’ in de planning heeft. ‘Als die huizen daar eenmaal staan, gaan wij ons er nauwelijks meer mee bemoeien.’

Is hij niet bang dat de boel dan volledig uit de hand loopt? ‘Ach, er kan natuurlijk altijd iets gebeuren. Maar dat moeten die mensen zelf maar oplossen.’

Jan Wieten vindt dat een bijzonder slecht idee. ‘In Kampen oefenenden we aanvankelijk ook weinig toezicht uit. Maar toen trokken de containers al snel veel gespuis van buitenaf aan. Ik voorspel u: zonder begeleiding zal er in Beverwijk een vrijstaat ontstaan.’ ?