Reportage / Een Chinese stadstragedie

Ten zuiden van de dubbeldeks snelweg bevindt zich een golfbaan met negen holes. Aan de noordzijde ligt een gebied dat onlangs nog lijkt te zijn gebombardeerd. Midden tussen enorme bergen puin staan nog een paar gebouwen en resten van gebouwen overeind: huizen, een kleine tempel, een school. Tussen de brokstukken wat achtergebleven gebruiksvoorwerpen: kinderspeelgoed, een paraplu, een schoen. Aan de gevels van de nog intacte huizen hangt was te drogen. Voor een kleine supermarkt staan lege bierkratten.

Het zijn de laatste levenstekens in het verder doodse dorp Jianling. Aan de snelweg staat een ongeschonden huis van vier verdiepingen. Een trap van negen treden leidt naar de entree, die wordt geflankeerd door grote groene planten. Als de voordeur openzwaait, verschijnt het breed grijnzende gezicht van Sun Huangzhong. De deur komt uit op een riante huiskamer die eruitziet als het decor van een surrealistische film. De muren zijn volledig bedekt met psychedelische landschappen en avatars uit populaire fantasy games. Pontificaal in de midden staat een tweepersoonsbed. ‘Tot voor kort verhuurde ik dit aan een internetcafé,’ verklaart Sun de excentrieke inrichting. ‘Nu woon ik hier met mijn vrouw.’

Sun is een pezige man van vijfenzestig jaar. Hij gaat zitten aan een grote tafel en draait een sigaret. Zijn huid is getaand, hij heeft stevige handen. Hij gaat eenvoudig gekleed: slippers, bandplooibroek, T-shirt. Hij rookt zoals hij praat: veel en toegewijd. Hij vertelt een urbane tragedie die typisch is voor de Chinese stad. Het is een moderne parabel over boeren die veranderen in stedelingen zonder een centimeter te hoeven verhuizen. Zijn verhaal gaat over boerenslimheid, creativiteit en klein ondernemerschap – en over hoe die eigenschappen het afleggen in een systeem dat moderniteit volledig gelijkstelt aan orde.

Het mokkende dorp

In de jaren tachtig is Sun nog gewoon boer in Jianling, een dorp van twaalfhonderd gezinnen. Hij verbouwt maïs en houdt twee varkens en een paar kippen, die hij slacht met Chinees Nieuwjaar. Voor zijn huis loopt een onverharde weg. Aan de overkant liggen de akkers. Vanaf Jianling is het een half uur lopen naar de rand van Shijiazhuang, de hoofdstad van de provincie Hebei.

Shijiazhuang is een jonge stad, die begin twintigste eeuw is ontstaan uit het samenklonteren van een tiental dorpen bij de kruising van twee nieuwe spoorlijnen. In de jaren vijftig en zestig zijn de textiel- en chemische industrie tot ontwikkeling gekomen, waardoor het inwoneraantal is gegroeid tot een half miljoen. Maar eind jaren tachtig is het platteland nog dichtbij, vertelt Sun. De stad wordt nog omringd door uitgestrekte maïsvelden waar ’s zomers tienduizenden boeren op werken, witte handdoeken om hun hoofd gedraaid ter bescherming tegen de hitte. Niets doet vermoeden dat dit Shijiazhuang twintig jaar later zal behoren tot een van China’s meest kolkende megasteden.

Begin jaren negentig merkt Sun dat er iets verandert. Tot dan toe is China’s economische groei grotendeels aan het dorp Jianling voorbijgegaan. Nu trekken steeds meer migranten uit andere delen van de provincie naar Shijiazhuang om te werken. Ze zoeken vlak buiten de stad naar goedkope woonruimte.

Tegelijkertijd aast de uitdijende stad op de akkers. Compensatie wordt geboden, maar het bedrag is laag. ‘Maïs verbouwen levert meer op,’ protesteert Sun. Samen met anderen dient hij bij de provincie een petitie in tegen de onteigening. Tevergeefs, de velden worden verkocht aan de Century Park Golf Club die een groeiende bovenklasse bedient bij de invulling van het nieuwe concept ‘vrije tijd’. De nieuwe landeigenaar verwijdert de maïs, plant gras, graaft vijvers en legt bunkers aan.

In een ironische Umwertung aller Werte zijn het nu de rijke stedelingen die zich in het zweet werken op de voormalige akkers. Ze hebben de schoffel vervangen door een club. De autoriteiten proberen het mokkende dorp te lijmen met beloftes. Er komt werk voor iedereen. Voor elke mu (660 vierkante meter) aan onteigende grond creëert de stad vijf banen in de groeiende chemische en farmaceutische industrie. Het dorp heeft drieduizend mu land. Sun rekent snel uit dat het vijftienduizend banen betekent – ‘ruim voldoende’ voor de in totaal zevenduizend inwoners. Van de toezeggingen komt niets terecht.

Zelf doen

Zonder land en zonder baan zijn de boeren aangewezen op hun eigen inventiviteit. ‘Niemand zorgde voor ons. We moesten het allemaal zelf doen.’ Maar een nieuwe bron van inkomsten dient zich aan: het verhuren van vastgoed aan arbeidsmigranten uit de rest van de provincie. Ze duiken in steeds grotere getale in Jianling op. Sun neemt een besluit. De drieduizend dollar compensatie die hij heeft gekregen voor zijn verloren akker gebruikt hij voor een nieuw gebouw dat hij zelf ontwerpt. In 2001 gaat de selfmade architect aan de slag. Zonder ooit een architectuurboek te hebben opengeslagen, creëert Sun een multifunctioneel gebouw van achthonderd vierkante meter. Zijn broer, een constructeur, helpt hem met de bouwtekeningen.

Begane grond: een bedrijfsruimte voor de verhuur met een etalage. Aan de rechterzijde zit een aparte entree naar een trappenhuis dat de woningen op de tweede en derde etage ontsluit.

Tweede verdieping: bedrijfsruimte, verbonden met de begane grond door een interne trap.

Derde verdieping: een vierkamerappartement voor Sun en zijn gezin, voorzien van een moderne keuken en badkamer. Op de vloer liggen natuurstenen plavuizen. De slaapkamers worden ontsloten via een glazen loggia, die zowel in de zomer als in de winter het huis isoleert. Aan de straatzijde ligt een tweekamerappartement voor de verhuur.

Vierde verdieping: zes kamers voor de verhuur rondom een centrale patio. In het midden staat een minimalistisch betegelde plantenbak met daarin een appelboom.

Op het dak, dat bereikbaar is via een stalen buitentrap, ligt Suns trots. Hier heeft hij een biologische akker bedacht. De dertig centimeter aarde vormt niet alleen een isolerende laag, maar produceert ook voedsel voor zijn gezin: achttien soorten fruit en groente, waaronder komkommers, aubergines, verschillende koolsoorten en granaatappelbomen. Op twee hoeken van de akker legt hij betonnen visvijvers aan. ‘Architecten in Beijing praten over dit soort dingen. Ik heb het gewoon gedaan.’

In de zomer van 2002 is het huis af. Voor het eerst steekt Sun op het dak de barbecue aan. Terwijl hij de vruchten van zijn nieuwe akker eet, kijkt hij uit over zijn oude land, de golfbaan.

Sun is niet de enige in Jianling die zelf een huis ontwerpt. ‘Elke familie heeft een architect.’ Om zo veel mogelijk geld te verdienen, gaan vrijwel alle dorpelingen de hoogte in. Ze breken hun boerderijen van klei, stro en varkensmest af en vervangen ze door gebouwen van drie, vier, of vijf verdiepingen uitgevoerd in beton, met aluminium kozijnen en verchroomd hekwerk. De gevels bestaan uit tegelpatronen die variëren in kleur en structuur. De plaatsing van ramen en loggia’s verschilt per verdieping. Sommige gebouwen worden afgewerkt met prefab timpanen of zuilen. Net als Sun leggen ook andere voormalige boeren een daktuin aan.

Zo ontwikkelt Jianling zich tot een typisch cheng zhong cun, een ‘dorp in de stad’ – een fenomeen dat je in alle ontluikende metropolen in China terugziet. De dorpen vallen op door hun diversiteit in vorm en karakter. Hun skyline vormt een organisch geheel van individuele expressies. De informele architectuur contrasteert sterk met de strakke eenvormigheid van andere nieuwbouwwijken, die vooral massaproductie en een sterke centrale sturing lijken uit te drukken.

Hoe langer een dorp in de stad de kans krijgt zich te ontwikkelen, hoe minder het eruitziet als traditioneel dorp. De gebouwen kunnen groeien tot soms wel tien of vijftien etages hoog, waarmee ze het niveau ‘informele architectuur’ ver ontstijgen. Door de hoge dichtheid ontstaan ‘mini-Manhattans’ met een grote variatie in stijlen en vormen. Wonen, werken en recreëren zijn niet gescheiden, maar lopen dwars door elkaar heen. Naast, boven of onder elkaar herbergen de gebouwen supermarkten, kippenfokkerijen, hostels, karaokebars, massagesalons, slachterijen, restaurants, loodsen en kledingwinkels.

Rond 2004 zijn de twaalfhonderd oorspronkelijke families in Jianling aangevuld met duizenden migrantarbeiders. De boeren hebben zich ontpopt tot succesvolle ondernemers. Ze vormen de kapitalistische bovenklasse van Jianling. Sun verhuurt het appartement op de tweede etage en de kamers op de derde etage aan arbeidsmigranten. De bedrijfsruimte op de begane grond verhuurt hij aan een makelaarskantoor. Later trekt er een internetbar in. En zo is Sun Huangzhong, die nog nooit een mobiele telefoon heeft gehad, op zijn zestigste huurbaas van een ruimte met tientallen computers waarop Chinese jongeren dag en nacht zitten te gamen. Drie etages hoger doet hij wat hij zelf het liefst doet: groente en fruit verbouwen.

Koppige spijkers

China’s ontluikende miljoenensteden gedogen de stedelijke dorpen met frisse tegenzin. De creaties van de voormalige boeren passen niet in het beeld van moderniteit dat stadsbesturen voor ogen hebben. Sloop is volgens hen de beste optie. De strijd vindt plaats tegen de achtergrond van een sociaal-economisch model dat economiehoogleraar Yasheng Huang van de Amerikaanse universiteit MIT omschreef als ‘kapitalisme met Chinese karakteristieken’. Hij ziet een strijd tussen twee China’s: ‘Het ondernemende, marktgedreven, rurale China tegenover het door de staat geleide urbane China.’

Huang steekt zijn voorkeur voor het eerste China niet onder stoelen of banken. ‘Waar en wanneer ruraal China de overhand heeft, is Chinees kapitalisme ondernemend, politiek onafhankelijk, dynamisch concurrerend in zijn gedrag en eerlijk in zijn effect. Waar en wanneer stedelijk China de overhand heeft, neigt Chinees kapitalisme naar politieke afhankelijkheid van de staat en is corrupt.’ Het leidt geen twijfel welk China de boventoon voert. Landonteigeningen zijn aan de orde van de dag. Bewoners die niet willen vertrekken zijn ‘koppige spijkers’ die de ontwikkeling tegenhouden. Of, zoals voormalig burgemeester van Beijing Wang Qishan het verwoordde: ‘We zetten nooit mensen uit hun huis, behalve degene die weigeren te verhuizen.’

In het lot van ‘dorpen in de stad’ zoals Jianling zie je terug hoe China haar politieke, economische en juridische instituties heeft ingericht. Het individu legt het af tegen de staat. Het creatieve boerenkapitalisme gaat ten onder aan projectontwikkelaars met de juiste overheidsconnecties. De bruisende anarchie van onderop delft het onderspit in een door de Partij opgelegde ‘harmonieuze samenleving’. Goedschiks of kwaadschiks, het huis van Sun Huangzhong moet weg.

Eerste jaar: slopen

De ontketende steden breken niet alleen moeiteloos de zelfgebouwde creaties van boeren af, maar ook bouwvallen en krotten die op termijn zouden kunnen uitgroeien tot sloppenwijken. In democratieën als India, Brazilië of Zuid-Afrika is dat vele malen lastiger. Veel westerse politici en stedenbouwkundigen zijn stiekem jaloers op de mogelijkheden van China om ‘door te pakken’ of ‘zaken voor elkaar te krijgen’.

In 2007 besluit Zhang Yunchuan, partijsecretaris van de provincie Hebei, dat Shijiazhuang definitief afscheid moet nemen van haar boerenverleden. Zhang is het gezicht van een twintig miljard dollar kostend project onder de naam ‘Elk jaar een grote stap, drie jaar van grote verandering’. Het plan van de provincie richt zich op alle grote steden in Hebei, maar als hoofdstad moet Shijiazhuang het goede voorbeeld geven. Het driejarenplan kent een overzichtelijk schema. Eerste jaar: slopen. Tweede jaar: fabrieken verplaatsen naar de stadsranden. Derde jaar: bouwprojecten starten die de stad een nieuw gezicht geven.

Shijiazhuang begint met het meest ingrijpende onderdeel: niet minder dan vijfenveertig dorpen in de stad, verfoeid om hun wanordelijkheid en oncontroleerbaarheid, moeten worden afgebroken – of zoals de overheid het liever verwoordt: ‘herontwikkeld’.

Al snel wordt de fenomenale omvang van de sloopwerkzaamheden duidelijk. Stadsbewoners vertellen elkaar een grap: premier Wen Jiabao vliegt met zijn vliegtuig over Shijiazhuang. Hij kijkt uit het raampje, en roept kwaad tegen zijn medewerkers: ‘Waarom heeft niemand me iets verteld over die aardbeving!’

In 2008 komt in Jianling een geruchtenstroom op gang. Het dorp zou op de nominatie staan voor sloop, fluisteren sommige bewoners. Niet veel later opent vastgoedbedrijf Wanda op honderd meter van het huis van Sun een verkoopcentrum. Binnen toont een maquette het ontwerp van een shopping mall met Bentley, KFC, Adidas en Motorola. In de autovrije straten daarachter komen restaurants en cafés met terrassen. Behalve winkels en een megabioscoop omvat het plan een vijfsterrenhotel, twaalf kantoorgebouwen en achtentwintig woontorens van dertig verdiepingen. Het totale vloeroppervlak beslaat bijna twee miljoen vierkante meter, ruwweg acht keer zoveel als het Empire State Building in New York.

Wanda staat symbool voor China’s nieuwe stedelijkheid. In alle grote steden ontwikkelt het bedrijf Wanda Plaza’s: multifunctionele complexen van vele honderdduizenden vierkante meters. Het Wanda Plaza in Shijiazhuang moet de grootste project van het Wanda-imperium worden. De Wanda Groep is een dochteronderneming van China National United Oil, dat een afgeleide is van het grote staatsoliebedrijf China National Petroleum Corporation. Het gaat het bedrijf voor de wind. Oprichter Wang Jianlin behoort tot de rijkste inwoners van China. Naast adviseur van diverse provinciale en stedelijke overheden is hij ook vicevoorzitter van de Vereniging tegen Oneerlijke Concurrentie.

Vrouwen in karaokebars

In zijn kamer op de begane grond doet Sun geen moeite om zijn woede te verbergen. Het dorpscomité, zegt hij, heeft hem en zijn medebewoners een compensatieregeling voorgeschoteld. Voor elke vierkante meter van hun zelfgebouwde huis, krijgen ze straks 1,3 vierkante meter appartement in de woontorens van Wanda Plaza terug. Dat betekent twee appartementen, of zelfs drie. Het klinkt als een aanlokkelijk aanbod, maar de maximale compensatie is driehonderd vierkante meter. Daarmee wordt Suns vloeroppervlak, de bron van zijn inkomsten, gedecimeerd. ‘Nu heb ik achthonderd vierkante meter. En bovendien, wie zegt me dat ik die nieuwe appartementen straks verhuurd krijg? En wat als Wanda in de tussentijd failliet gaat?’

Zijn woede richt zich op het dorpscomité van Jianling. Hij beticht ze van corruptie. De officials zouden gemeenschapsgeld hebben verkwist aan plezierreisjes, dure auto’s en avonden met drank en vrouwen in karaokebars. Ze hebben een schuld opgebouwd van meer dan drie miljoen dollar. De lokale bestuurders hebben met het stadsbestuur van Shijiazhuang een deal gesloten: in ruil voor kwijtschelding van schulden, moeten zij zorgen dat de bewoners meewerken aan de plannen van Wanda. Zo kan de projectontwikkelaar schone handen houden, terwijl het dorpscomité het vuile werk opknapt. ‘Ik heb echt geen problemen met corruptie,’ zegt Sun driftig. ‘Maar dan moet je wel goed voor je eigen mensen zorgen.’

Een afvaardiging van dorpelingen is onlangs naar Beijing afgereisd om een petitie in te dienen bij het Staatsbureau voor Brieven en Gesprekken, voor veel gewone Chinezen het laatste redmiddel in conflicten met hun lokale overheid. Een ambtenaar geeft ze gelijk. Ze kunnen blijven, zegt hij. Maar eenmaal thuis toont het dorpscomité zich niet onder de indruk van de geschreven verklaring uit de hoofdstad. De dorpelingen moeten gewoon weg. Sommige bewoners hebben vrijwillig ingestemd met het aanbod van Wanda. Hun huizen zijn meteen afgebroken. Als gevolg van de teruglopende klandizie houdt de internetbar in het huis van Sun al snel op te bestaan.

Met nog driehonderd overgebleven gezinnen is de sfeer in het dorp verhard. De elektriciteit is afgesloten, net als het water. Sun Huangzhong slaat met zijn vuist op tafel. Zo veel onrecht, hij kan er haast niet bij. Hij staat op en maakt een rondgang door zijn woning. Nu hij en zijn vrouw de voormalige internetbar in gebruik hebben genomen als woning, staan de tweede, derde en vierde etage leeg. De meubels hebben ze alvast weggehaald en naar het huis van hun zoon gebracht, zodat ze in geval van nood meteen kunnen vertrekken. Via de buitentrap bereikt hij het dak, waar de planten in volle bloei staan. Hij kijkt uit over de bergen puin die van het dorp zijn overgebleven. ‘Ik kom hier niet graag meer,’ zegt hij. ‘Je ziet alleen maar vernietiging.’

Sun Huangzhong wacht de ontruiming van zijn dorp niet af. Een paar weken later accepteert hij een uitkoopsom van vijfenzeventigduizend dollar. Dat lijkt misschien een groot bedrag voor een eenvoudige Chinese boer, maar het is weinig voor een eigenaar van een bedrijfsgebouw van achthonderd vierkante meter dicht bij het centrum van een snelgroeiende miljoenenstad. Hij verhuist naar het appartement van zijn zoon aan de andere kant van de stad.

Sun is net op tijd. Een paar maanden na zijn vertrek stormt een bende het dorp binnen, gewapend met machetes en schoffels. Op de populaire website Tianya schrijft een ooggetuige een verslag, dat hij rijkelijk illustreert met foto’s. ‘Ze braken in, sloegen ruiten in en bedreigden dorpelingen.’ Een van de bewoners wordt bij wijze van waarschuwing het ziekenhuis in geslagen. Terwijl omstanders alarmnummers bellen, schrijft de anonieme blogger, ‘reden de politiewagens gewoon ons dorp voorbij. Niemand is ons te hulp geschoten.’ Het intimideren van bewoners die weigeren te vertrekken is in Chinese steden aan de orde van de dag. Of de bendes worden ingehuurd door projectontwikkelaars of lokale overheden, blijft meestal onduidelijk. Dat het onderwerp veel Chinese stedelingen bezighoudt, blijkt wel uit de populariteit van het online computerspel ‘Koppige spijker vs. Knokploeg’ dat in 2010 furore maakte op het Chinese internet. Om het spel te winnen, moet je als bewoner zo veel mogelijk projectontwikkelaars, overheidsofficials en knokploegen van je afslaan met verschillende wapens.

Samen rijk worden

De assimilatie van dorpen in de stad gaat niet altijd gepaard met geweld. Sommige dorpen orkestreren hun eigen metamorfose. Een paar kilometer van Jianling ligt het Fangbei, dat deze route volgt. ‘Gisterochtend vierden meer dan driehonderdtwintig dorpsbewoners groot feest op hun dorpsplein toen ze sleutel kregen van hun nieuwe huis,’ bericht de avondkrant Yangzhou Wenbao op 22 september 2009. ‘Fangbei is het eerste dorp in het driejarenplan waarvan de dorpelingen zijn terugverhuisd.’ Het artikel citeert de drieënvijftigjarige Wang Shuyan die zegt dat hij ‘dolgelukkig’ is met zijn nieuwe woning: een ruim appartement op de zesde verdieping van gebouw zeven. De krant laat ook Ren Yongjie aan het woord, de CEO van de Fangbei Groep. ‘De gebouwen zijn op tijd opgeleverd,’ zegt hij. ‘We hebben in totaal drie flats met vierhonderd appartementen per stuk voor terugkerende families.’

Zoals alle Chinese dorpen was Fangbei tot 1978 een maoïstische landbouwcommune. In tegenstelling tot veel andere boerengemeenschappen heeft Fangbei dat collectieve karakter nooit helemaal losgelaten. Het dorpsbestuur heeft Deng Xiaopings meesterlijke verdraaiing van de communistische leer goed in de oren geknoopt: ‘Socialisme is samen rijk worden.’ Na de economische liberalisering richtte het dorp het ene na het andere bedrijf op: een drukkerij, een metaalfabriek, een vismarkt. Het dorpshoofd nam de functie van CEO op zich, terwijl alle inwoners aandeelhouder werden en konden rekenen op een jaarlijkse winstuitkering. Het collectieve karakter van de ondernemingen kwam tot uiting in de naamgeving. De Fangbei Groep omvat Fangbei Industrie, Fangbei Commerciële Onderneming, Fangbei Vastgoed en de Fangbei Youyou visafslag. Naarmate de groeiende stad meer landbouwgrond van het dorp opslokte, kwamen meer boeren in de dorpsondernemingen te werken. In 1994 verdwenen de laatste akkers voor de aanleg van een grote doorgaande weg.

De dorpsbestuurders lieten naast de weg een strook gebouwen neerzetten die ze verhuurden aan uitgaansgelegenheden. In de Danssalon, de Gouden Driehoek KTV, de Groene Eiland Vriendschapsclub en verschillende massagesalons gebeurde al snel meer dan alleen liedjes zingen en schouders losmaken. Fangbei verwierf naam als het red light district van Shijiazhuang. Net als in Jianling begonnen de boeren intussen met het optoppen van hun woningen door het bouwen van extra verdiepingen.

In 2002 nam het dorpscomité onder leiding van partijsecretaris Ren een dramatisch besluit: Fangbei pleegde zelfmoord. Het dorpsbedrijf Fangbei Vastgoed moest de bestaande bebouwing vernietigen en vervangen door een hoogstedelijke variant. Door deze ’tactiek van de bebouwde aarde’ hoopte het dorp uit de handen te blijven van projectontwikkelaars van buitenaf. De weerstand tegen de plannen was veel minder groot dan in Jianling. De dorpelingen kenden hun eigen dorpsonderneming tenslotte al jaren. Ze wisten bovendien dat zij zelf als aandeelhouders zouden profiteren van de winst. Projectontwikkeling is een van de meest commerciële vakken ter wereld, communisme het minst commerciële systeem. Fangbei heeft ze weten te combineren tot een optimale mix.

Fangbei versie 2.0 bestaat uit tien lichtgrijze torens van zo’n honderd meter hoog rondom een betegelde restruimte: het dorpsplein. Daaronder ligt de parkeergarage. De dorpelingen hebben elke poging tot ontwerp vermeden: de gebouwen ontberen elke vorm van detail. Van een afstand heeft de extreme make-over geleid tot een indrukwekkende skyline, maar van dichtbij is de emotieloze uitdrukking van de gezichtsverbouwing zichtbaar. Fangbei 2.0 kent geen donkere steegjes meer, geen prostituees en geen krappe kamers waarin arbeidsmigranten een stapelbed kunnen huren. Wat er ook niet is: restaurants, winkels of een aangename openbare ruimte. Het collectieve karakter van de transitie blijkt wel uit de slogan die op een rood banier aan de gevel hangt: ‘Werk schouder aan schouder mee aan een betere leefomgeving in ons dorp.’

Een dag na de oplevering staan een kleine honderd dorpsbewoners op het kale plein. Op de grond liggen rode snippers, stille getuigen van het openingsvuurwerk. De atmosfeer is licht opgewonden. Gisteren hebben alle gezinnen in het dorp, afhankelijk van het aantal gezinsleden, een of meerdere appartementen in de nieuwe flats toegewezen gekregen. De verdeling ging met een tombola. Een man loopt te mokken. Hij was niet op tijd bij de trekking en heeft tot zijn teleurstelling een penthouse gekregen. De voormalige boeren staan liever jiao ta shi di, met beide voeten op de grond.

Midden op het plein heeft een vrouw een formica keuken opgezet. In een map met monsters zoeken klanten de gewenste kleur uit. Tientallen straathandelaren verkopen elektrische dekens, vloertegels, gordijnrails en al het andere waaraan een nieuwe huizenbezitter behoefte heeft. Hun aanwezigheid verraadt dat de informele economie in het dorp nog niet helemaal is uitgeroeid. De meeste activiteit is er bij de ingang van de woontorens. Mannen en vrouwen met gegroefde gezichten, gekleed in goedkope jasjes en wollen vesten met geborduurde bloemen, dralen rond een houten bord met handgeschreven advertenties. De voormalige boeren beginnen vandaag aan een nieuwe carrière: die van verhuurder van moderne appartementenflats. Aan de straatzijde hebben de gebouwen van Fangbei een rij winkels gekregen. Hier bevinden zich grote meubelzaken die kopieën verkopen van Moooi Design en Artemide. Ze richten zich nu nog op klanten van buiten het dorp. Maar hoelang nog, voordat de eerste boer een polyester paard van Marcel Wanders zijn huiskamer in sleept?

Eilandjes van lokale cultuur

Overal in Shijiazhuang zijn nog de sporen te vinden van het plattelandsverleden. Moderne zakendistricten liggen naast akkers die met de hand worden bewerkt. Onder verhoogde snelwegen zijn er boerenmarkten. In een nieuwbouwwijk kom je soms een herder met zijn kudde tegen. Maar deze plattelandselementen zullen uit het straatbeeld verdwijnen, net als alle dorpen in de stad. Het zelfontworpen multifunctionele gebouw van Sun wordt vervangen door een woon-winkelcomplex van Wanda en het boerendorp Fangbei heeft zichzelf getransformeerd tot flatwijk die nauwelijks meer te onderscheiden is van de rest van de stad.

Wat blijft, zijn de lokale dorpsdialecten, de plattelandskleding en de tradities. Zo begraven de voormalige boeren hun doden nog altijd met een optocht en veel vuurwerk. De agrarische gemeenschappen blijven eilandjes van lokale cultuur. Ze houden de herinnering aan het boerenverleden vast, voor zo lang als het duurt.

Het is april 2010 als Sun Huangzhong een sigaret rookt in een leunstoel op de zesde etage van een woontoren. Zijn huis in Jianling is al een paar maanden geleden is gesloopt. Sun is niet meer teruggegaan naar het voormalige dorp. Dat is te pijnlijk. Het leven in de moderne flatwijk bevalt hem en zijn vrouw maar matig. ‘We kennen hier niemand. Het is een beetje eenzaam.’ Sinds ze bij hun zoon wonen, is er een lichtpuntje: ze kunnen elke dag hun twee kleinzoons zien. Uiteindelijk zullen ze wel gewend raken aan hun nieuwe levensstijl, denkt Sun. ‘Maar er is hier weinig te doen. Ik mis mijn land.’ Hij pakt de afstandbediening en zapt naar CCTV 10, het wetenschapskanaal van de Chinese publieke omroep. Over vijf minuten begint een documentaire over dinosaurussen.

Megacities

China-correspondent Michiel Hulshof en architect Daan Roggeveen werken samen in het Go West Project, een onderzoek naar de explosieve verstedelijking in het binnenland van China. Twee jaar lang maakten ze reportages en foto-essays over nieuwe megasteden zoals Wuhan (tien miljoen inwoners), Shijiazhuang (negen miljoen) of Chongqing (drieëndertig miljoen), die zich in razend tempo ontwikkelen. Op dinsdag 13 september organiseert het Go West Project samen met de Stadsschouwburg Amsterdam de avond ‘Exploding China’ met lezingen, theater, muziek en debat over het ontstaan van de grootste stedelijke samenleving die de wereld ooit heeft gekend.

Kaarten voor ‘Exploding China’ kosten € 19,50 en zijn te verkrijgen via de website van de Stadsschouwburg Amsterdam. De voertaal is Engels.

Deze reportage is een voorpublicatie uit How the city moved to Mr Sun. China’s new megacities van Michiel Hulshof en Daan Roggeveen, Sun, 348 p., € 34,50 (€ 29,50 voor lezers van Vrij Nederland, zie de bon op pagina 60). Vanaf 8 september te koop in de boekhandel, via www.vn.nl/winkel en www.uitgeverijsun.nl