Meer dan Marten Toonder of Koot en Bie is Mark Rutte stiekem bezig het Nederlands écht te veranderen. Als je goed luistert.

Bij taalvernieuwers denken de meeste jongeren aan niks en Nederlanders van boven de dertig aan mensen als Van Kooten en De Bie. Een kleinere, alweer veel grijzere groep schiet ook nog Marten Toonder te binnen, de bedenker van de listige Tom Poes en van Olivier B. Bommel, heer van stand en beroep. Maar niemand denkt aan Mark Rutte. Stom, want de lachende leidsman zou weleens een belangrijker taalvernieuwer kunnen blijken dan die andere grootheden.

Dat niemand aan Rutte denkt bij het verschijnsel taalverandering komt doordat we daarbij gewoonlijk alleen denken aan nieuwe woorden en uitdrukkingen. Scholieren zijn daarvan de onbetwiste grootleveranciers, maar hun nieuwe termen zijn even vluchtig als scholieren zelf: na een paar jaar zijn ze student en zijn hun hippe, vette, coole, gerse creaties op zijn best nog belegen ouwelullenpraat. Nee, dan die ouwe Toonder en de heren van het ooit in Nederland wereldberoemde Simplistisch Verbond. Toonders ‘denkraam’, de verbastering ‘minkukel’ van het ‘min kukel’ dat kabouter Kweetal lang geleden aan bepaalde naargeestige types toedacht, zijn net als de “eenvoudige doch voedzame maaltijd” van de trouwe bediende Joost zo diep in onze woordenschat verankerd geraakt, dat niemand er meer bij nadenkt. Dat geldt ook voor het ‘doemdenken’ van het Simplistisch Verbond en hun ‘regelneef’, ‘positivo’, ‘oudere jongere’ en ‘mag ik even een teiltje’ (want er mot een chinees naar buiten). Maar daar verandert het Nederlands helemaal niet van, ze maken alleen het woordenboek een pietsie langer.

Aan nieuwe woorden is sowieso weinig bijzonders te ontdekken, die ontstaan bijna dagelijks. Bijzonder is eigenlijk alleen dat we van “denkraam”, “doemdenken” en de rest van dat stel weten wie de bedenkers waren, dat is namelijk bijna nooit zo. Wie ooit het ‘mobieltje’ muntte of de ‘Grexit’ bedacht, of zelfs ‘eurofiel’ en ‘geitenneuker’, weet niemand. Zelfs het door oercolumnist Simon Carmiggelt beroemd gemaakt ‘epibreren’ had hij naar eigen zeggen niet van zichzelf, maar van een anonieme ambtenaar. Het doorsnee nieuwe-woord is er op een dag gewoon, overal. En soms valt dat op.

Maar nu Rutte. Die is stiekem bezig ons Nederlands echt te veranderen. En zo hardnekkig dat het lijkt of het voor hem een pólitieke doelstelling is met économische en sóciale gevolgen voor elke ópenbare en párticuliere órganisatie. Dat zijn typisch Ruttiaanse klemtonen, die daar aan het begin van die woorden helemaal niet thuishoren, net zomin als we over prémier Ruttée praten. In al die Ruttiaanse termen hoort de klemtoon juist aan het eind of daar heel dichtbij: het zijn politíeke en económische kwesties met sociále gevolgen, over openbáre, protestánte en katholíeke particulíere scholen en organisáties.

Rutte knoeit aan de regels van onze taal, zonder dat het opvalt. Inmiddels is het Ruttiaans al ongemerkt overgenomen door half Nieuwspoort en heel Hilversum, zonder dat één patriot het vingertje hief of op Facebook een campagne ontketende. Onlangs had een zegsman van Boink, de club van gebruikers van kinderopvang, het op Radio1 over “wántrouwig” geworden ouders. En zelfs het ministerie van Búitenlandse Zaken is om, hoorde ik laatst op de radio. Maar niet dat van Veiligheid en Justitie, die lui ontbreekt het zelfs daarvoor aan de benodigde íntelli… Stop, da’s een té flauwe grap.

Hoort u het ook?