Essay / Schrijversblok
Het doet nogal paradoxaal aan: een boek geïnspireerd op je writer’s block. Zeker als het zo’n monter en welbespraakt boek is als Renate Dorresteins ‘onthullende zoektocht naar de oorzaken van een writer’s block’ De blokkade. Kennelijk komt de muze die zich van je heeft afgewend in een andere gedaante weer terug. Maar Dorrestein haast zich te verklaren dat dit niet het gewenste boek is: ‘Zo, wat schrijf ik dat weer adequaat op. Zeker voor iemand die claimt dat schrijven momenteel niet tot haar mogelijkheden behoort. Maar wat ik nu doe, verdient in mijn ogen niet het predicaat “schrijven”. Wat ik nu doe is een stukje tikken, zoals ik vroeger deed toen ik journalist was. Ik tik de werkelijkheid op.’ Je pen doet het nog maar je oude vrienden Vorm en Verbeelding hebben je verlaten. En zo hoort De blokkade thuis bij Dorresteins non-fictie, zoals ze die al eerder schreef over de zelfmoord van haar zusje, over haar chronische vermoeidheidssyndroom, over het geheim van het schrijven, niet helemaal het echte, fictionele werk.
In haar ‘kleine filosofie van het schrijverschap’ Mijn leven is mooier dan literatuur vraagt Jannah Loontjens zich af of je in dit soort gevallen wel van een echt writer’s block kunt spreken. Er komt immers toch nog wat uit, al is het niet helemaal wat je wilt. Zulks was bijvoorbeeld ook het geval bij Maria Barnas, die haar essay Braakman en ik begon met de mededeling dat ze met de angst kampte niet meer te kunnen schrijven. Helemaal uitgeput is de inspiratie dan kennelijk niet.
Potloodventerij
Charles Bukowski wist het al: ‘Schrijven over een writer’s block is beter dan helemaal niet schrijven.’ Maar in zijn Paralipomena zegt Maarten Doorman over deze vruchtbare vorm van creatieve impasse: ‘Exhibitionistisch gesol met de muze is het, quasiliteraire potloodventerij. Nee, dan liever opgeven. Opgeven? Daar kom je nooit meer overheen! Hoe moet je het volgende stuk, artikel of boek beginnen, als gebleken is dat je het niet meer kan?’
En dan hebben we het nog over non-fictie, waar inspiratie toch iets minder telt dan transpiratie, nietwaar? Maar ook in de wereld van de verbeelding heeft het writer’s block een vaste, eerbare plaats verworven. Te beginnen natuurlijk met het gedicht dat bij ons de moeder aller schrijfimpasses is geworden: ‘Impasse’ van Martinus Nijhoff. Schrijver vraagt zijn vrouw tijdens haar huishoudelijke bezigheden ‘Waarover wil je dat ik schrijf’, ‘Dan antwoordt zij terwijl zij langzaamaan / druppelend water op de koffie giet / en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.’ Het lijkt me overigens meer de vrouw die het niet weet dan de man die haar opmerking in elk geval aangrijpt om er een gedicht over te schrijven.
De vastzittende schrijver is vooral in het proza een populaire verschijning geworden. Joost Zwagermans roman Chaos en rumoer is helemaal gewijd aan de auteur Otto Vallei die het niet meer kan en uit arremoe een carrière bij de radio begint: ‘Maar telkens wanneer hij op het punt stond om met aarzelende vingers het toetsenbord van zijn tekstverwerker te beroeren, was het alsof er een schaduwgedaante in hem opstond die hem van binnenuit bij zijn polsen pakte en hem honend begon toe te fluisteren. Dat hij het niet kon, schrijven. Nooit hád gekund. Dat al zijn pogingen hopeloos en meelijwekkend waren. Dat hij maar beter kon stoppen.’
Of hier, Nicolaas Matsier in De eeuwige stad: ‘Ik had al veel verder moeten zijn. Ik wist toch wat ik wilde schrijven? Waarom heb ik dat dan nog niet gedaan?’ En ook Bernlef komt er na toch een omvangrijk oeuvre, in nota bene zijn allerlaatste boek Onbewaakt ogenblik nog even mee aanzetten: ‘Maar wat te schrijven? Ik zou het nu eigenlijk over mijn ouders moeten hebben. Het lukte me niet. Zo gauw ik aan hen dacht leken zij mij verzonnen, onecht, het product van een valse verbeelding. Het is werkelijk een soort ziekte die elke positieve gedachte ondermijnt […] iets of iemand leek mij een verbod te hebben opgelegd.’
Zo gewoontjes, zo modaal is het schrijversblok, zoals het in het Nederlands foeilelijk heet, geworden dat Leon de Winters hoofdpersoon Kaplan in het gelijknamige boek er gauw een draai aan geeft: ‘Nee, dit is niet weer zo’n verhaal over een schrijver die maar niet tot schrijven komt – dit is een liefdesverhaal.’ Zo kan het natuurlijk ook, gooi het gewoon over een andere boeg.
Dull boy
Schrijven kost de nodige moeite, weten we sinds mensenheugenis, en schrijvers walgen soms van hun werk. Bestaan er wel schrijvers die ‘zonder duizelingen, zonder bijvoorbeeld de plotseling uitbrekende, woeste kriebelingen, bovenop de kop vooral’ kunnen werken, vroeg Gerard Reve zich ooit af. Maar moeite is natuurlijk nog wel iets anders dan een blokkade. Het ligt in de aard van het beestje dat we over die werkelijke, totale blokkade niets te horen krijgen, de schrijver schrijft immers niet meer. We zullen ervoor naar de familie van de gefrustreerde patiënt moeten.
Of naar de bioscoop want de film heeft het boeiende verschijnsel ook diverse malen in beeld gebracht. Met als beroemdste voorbeeld B-schrijver Jack Torrance in The Shining uit wiens schrijfmachine alleen nog maar de woorden ‘All work and no play makes Jack a dull boy’ rollen, eindeloos achter elkaar hetzelfde. Het loopt slecht met hem af en van zijn impasse brouwt hij beslist niet alsnog een tekst; na een paar uur met een bijl te hebben lopen molenwieken sterft hij ergens in een pak sneeuw. Een andere film over het writer’s block is Adaptation, waarin schrijver Charlie Kaufmann tot z’n eigen afgrijzen stagneert: ‘I’m pathetic, I’m a loser. I have failed.’ Hij bezoekt een schrijfgoeroe: ‘What the fuck am I doing here? Fuck. It is my weakness, my ultimate lack of conviction that brings me here.’
Over de oorzaken van zo’n schrijfblokkade kun je boeken volschrijven. Het Amerikaanse wikipedia-artikel over het verschijnsel noemt gebrek aan inspiratie, een verkeerde aanpak, overbewustzijn van je lezerspubliek maar ook zaken als scheiding, depressie, financiële zorgen, ziekte. Zo te zien kan alles wel tot een writer’s block lijden. Zelfs erkenning; Oek de Jong bijvoorbeeld stagneerde na twee succesvolle romans. Voor anderen was juist het uitblijven van succes een reden om het niet meer te zien zitten. Schrijfsters als Hanny Michaelis en Maria Stahlie schoten pas na het krijgen van een prestigieuze prijs weer in gang.
Een heel andere invalshoek levert de Amerikaanse neurologe Alice Flaherty die ons leert dat er bij een writer’s block sprake is van verstoorde hersenactiviteit: de prefrontale hersenkwab en het limbisch systeem werken niet goed samen. Vast ook waar.
Jannah Loontjens slaat in haar beschouwing over het writer’s block al die kleine pijntjes, kwaaltjes en neurologische scheutjes van de gefrustreerde schrijver dan ook maar over en tast naar de achterliggende angst, die ze vergelijkt met de existentiële angst waar Heidegger het over heeft, de grondstemming van de mens, zijn angst voor het-in-de-wereld-zijn. De schrijver wil het leven in zijn geheel weergeven of in elk geval de suggestie van onnoemelijk belang geven: ‘Het is juist dit verlangen dat angst inboezemt en een gevoel van leegte in je doet opkomen. […] Het verlangen om “alles” te omvatten, gaat hierdoor hand in hand met de angst om niets belangwekkends te kunnen verwoorden.’
Zoveel oorzaken als er kunnen zijn, zoveel oplossingen worden er ook aangereikt. De geblokkeerde schrijver die op internet ronddoolt, wordt ermee doodgegooid: hij moet vooral veel gaan wandelen, hij moet zijn innerlijk licht zien te ontsteken, de rechterhelft van het brein moet gemasseerd worden, je kunt het beste naar een schrijfgoeroe, deelnemen aan een klasje medegefrustreerden, lekker brainstormen met je vrienden.
Amateurs
Ernest Hemingway tipte dat je het best met schrijven kunt ophouden op het moment dat het nog heel goed gaat om dan de volgende dag de draad weer op te pakken.
John Steinbeck meende dat het verstandig was om in plaats van aan je lezers aan een bekende of geliefde te denken voor wie je het allemaal opschrijft.
Intussen lijkt het wereldwijde web het aangewezen hospitaal om de kwaal in al haar facetten onder ogen te komen. Renate Dorrestein, wanhopig op zoek naar genezing, constateerde dat ‘writer’s block’ 140 miljoen hits oplevert. Als ik het haar nadoe, kom ik al tot 454 miljoen hits. Maar dat is ronduit belachelijk als je ziet dat influenza 57 miljoen hits oplevert en ADHD 54 miljoen!
Wie zijn toch al die lijders die soelaas zoeken? Wie wat nauwkeuriger kijkt, ziet dat het vooral de kleine schrijvers, de amateurs, de deelnemers aan schrijverscursussen zijn die erover klagen. Een writer’s block mag dan lastig zijn, maar het stáát vooral ook goed. Het maakt je immers tot schrijver. En echte schrijvers lijden, dat is duidelijk. Het writer’s block heeft onmiskenbaar een statusverhogend effect. Je bent een tragische figuur. Daarmee is het misschien ook wel dé ingebeelde ziekte van de literatuur, met al die grote schrijvers die er toch nog wat van weten te bakken en al die kleintjes die er maar al te graag aan laboreren.
Je kunt je ook afvragen of schrijvers met een trage productie wel werkelijk aan een writer’s block lijden. Bij auteurs als Oek de Jong of Martin Reints die jaren doen over nieuwe boeken en bundels horen pauzes en stagnaties allicht bij hun natuurlijke ritme. Het lijkt toch vooral een kwaal waar schrijvers met een hoge productie aan kunnen lijden. Weten ze het een jaartje niet meer, dan hebben ze een writer’s block. Je kunt er overigens ook tegenaan kijken zoals de Vlaamse dichter Leonard Nolens volgens wie een ‘writer’s block’ de natuurlijke toestand van de dichter is: elk gedicht moet bevochten worden op de blokkering in je hoofd.
Renate Dorrestein krijgt in De blokkade van haar schrijversvriend Piet Meeuse te horen dat het idee van de geïnspireerde schrijver en zijn originaliteit uit de romantiek stamt en dat het daarvoor veeleer een kwestie van vakmanschap was. En wie het van inspiratie moet hebben, kan nu eenmaal ook weer ongeïnspireerd raken. Het is dus niet denkbeeldig dat de tegenwoordig epidemische proporties van het writer’s block voortkomen uit de misvatting dat het in de literatuur in de eerste plaats om inspiratie gaat.
De schrijver Philip Pullman stelde ooit voor om in plaats van ‘writer’ ‘plumber’ in te vullen, dan kon je zien hoe belachelijk en quasiverheven die zogenaamde schrijversblokkade was. ‘Writer’s block is een toestand die amateurs treft en mensen die niet serieus met schrijven bezig zijn. Net zoals het tegenovergestelde, namelijk inspiratie, waar amateurs ook erg dol op zijn. Anders gezegd: een professionele schrijver is iemand die als-ie niet geïnspireerd is, evengoed schrijft als wanneer hij dat wel is.’ Zo, die zit: Pullman, de Dalrymple van de literatuur.
En wie er toch last van meent te hebben, kan de volgende woorden van Kurt Vonnegut in zijn zak steken: ‘Met wie moet je meer medelijden hebben, een schrijver die vastgebonden en gemarteld wordt door de politie of eentje die in volledige vrijheid leeft en niks meer te zeggen heeft?’
Misschien is writer’s block, schrijfkramp, heus een echte ziekte, bestaat het wel degelijk als een soort literaire griep, maar dan nog: de een gaat er direct mee naar de dokter terwijl de ander gewoon thuisblijft en wacht tot het over is.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.