Op reis met het CIDI
Vrij Nederland 30 augustus 2014
Vrij Nederland 30 augustus 2014
De lezing van drs. Cock van Horzen getiteld Zionisme en de ontstaansgeschiedenis van Israël 1880-1967 in het benedenzaaltje van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) in Den Haag is een kwartiertje bezig en we zijn al diep in de ins and outs van de Balfour Declaration (1917) beland. Om vervolgens over te schakelen op de McMahon-brieven. Of net andersom, daar wil ik vanaf zijn. Terwijl ik had gedacht dat we zo’n beetje bij de basics konden beginnen. Zoals: wat is zionisme? Of: wat is een jood eigenlijk? En: wie was die Ben-Gurion nu helemaal? Israel for Dummies. Zoiets.
Ben ik de enige die hier behoefte aan heeft? Je zou haast denken van wel, want niemand protesteert tegen dit – slaapverwekkende – college. Ik ook niet. Sterker nog, na de pauze wordt er gevraagd naar – of eigenlijk meer gewezen op – de vriendschappelijke gevoelens van Mohammed Amin al-Hoesseini, grootmoefti van Jeruzalem tijdens het interbellum, voor Adolf Hitler. Een ander begint te orakelen over Palestijnen die op kosten van de VN in permanente vluchtelingenkampen zitten en zich maar blijven voortplanten en zo de problemen over zichzelf afroepen. Of iets in die richting.
Enfin, de toon is gezet. Welkom bij de eerste voorbereidingsbijeenkomst van de door het CIDI georganiseerde studiereis voor journalisten. Wat doe ik hier in godsnaam?
Van hotspot naar hot shot
Ja, laten we daar maar mee beginnen: wat doe ik hier? In april van dit jaar zag ik een gesponsorde mededeling op De Nieuwe Reporter, een weblog dat nieuwe ontwikkelingen in de journalistiek beschrijft: ‘Gezocht: Journalisten voor de studiereis Achter het nieuws in Israël.’ Het CIDI bleek op zoek naar ‘journalisten met een bijzondere belangstelling voor het Midden-Oosten’. Tijdens de reis zouden er ‘ontmoetingen en gesprekken plaatsvinden met Israëlische politici van links tot rechts, Joodse en Arabische journalisten werkzaam bij verschillende media, Nederlandse correspondenten, Joodse en Arabische Israëli’s en minderheidsgroeperingen. Je maakt kennis met de Israëlische geschiedenis en cultuur en ook zullen we Palestijnse politici, journalisten en anderen op de Westbank bezoeken.’
Waarom gaan journalisten op dit soort betaalde reisjes mee? Nou, bijvoorbeeld omdat kranten steeds minder budget hebben om zelf journalisten op pad te sturen.
Nu zal ik maar direct bekennen dat ik geen ‘bijzondere belangstelling’ voor het Midden-Oosten heb. Ik ben christelijk opgevoed, dus nieuws over het Heilige Land behoort tot de verplichte kost zullen we maar zeggen, maar eerlijk gezegd dringt de berichtgeving over Israël en de Palestijnen al jaren nauwelijks meer tot me door. Ik vermoed dat ik niet de enige ben. Maar een vaag soort schuldgevoel daarover had ik wel. Zo’n gevoel van: ik zou me er toch eens serieus in moeten verdiepen. En dit reisje zou me in staat stellen die lacune – een ietsiepietsie – op te vullen. En daar hoefde ik zelf dan ook nog eens niks voor te regelen: ik hoefde alleen maar met mijn koffertje op Schiphol te komen opdagen, een eigen bijdrage van vijfhonderd euro over te maken en ik zou tien dagen lang van de ene Israëlische hotspot naar de andere hot shot worden gesleept. Wel zo makkelijk.
Daarnaast was ik ook wel nieuwsgierig hoe zo’n lobbyclub als het CIDI de zaken dan vervolgens zou voorstellen. Maar het belangrijkste: ik had net een paar maanden eerder het intrigerende boek Start-up Nation van Dan Senor en Paul Singer gelezen. Dat boek gaat over de vraag waarom Israël het hoogste aantal start-up bedrijven (per hoofd van de bevolking) ter wereld heeft. Hoe zo’n piepklein land er in slaagt om na Silicon Valley het meest technologisch geavanceerde gebied ter wereld te worden… kijk, daar had ik, sinds twee jaar eigenaar van mijn eigen start-up, de journalistieke digitale uitgeverij Fosfor, wél ‘bijzondere belangstelling’ voor. En dus vatte ik dit plan op: ik zou meegaan met de CIDI-reis, op eigen kosten nog wat langer blijven en onderwijl als freelance journalist een verhaal voor Vrij Nederland schrijven over de achtergrond van de hightech revolutie in Israël.
Naming and shaming
De CIDI-reis vond plaats van 27 juni tot en met 7 juli. Tijdens de reis werden de eerste raketten vanuit Gaza op Israël afgevuurd, op de dag van mijn thuiskomst begon Israël Gaza te bombarderen. Vol goede moed zette ik me aan mijn artikel, maar vlotten wilde het niet. Waarom? Omdat een opgewekt verhaal over te gekke apps en toffe internetstart-ups in Tel Aviv in mijn hoofd niet goed wilde rijmen met de barbaarsheid die door het hightech leger van Israël tachtig kilometer verderop werd aangericht. Zeker omdat datzelfde leger, aldus Start-up Nation, aan de basis ligt van de technologiesector in Israël. Ik voelde simpelweg weerzin om aan een optimistisch verhaal over Israël te werken. Gelukkig werd het vakantie.
Ondertussen zat het CIDI niet stil: een pro-Israël demonstratie op De Dam, de advertentie in De Telegraaf, veelvuldige mediaoptredens van directeur Esther Voet. En toen kwam NRC Handelsblad vorige week met twee verhalen over de werking van lobbyclub CIDI. Het ene ging specifiek over de journalistenreis. Hoofdredacteuren van NRC Handelsblad, AD, Trouw en de Volkskrant lieten daarin weten dat hun redacteuren niet mochten deelnemen aan de CIDI-reis. Ook meldde de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) dat iedere journalist die de CIDI-reis maakt, ‘goed [moet] beseffen dat er een vorm van invloed op hem wordt uitgeoefend. Ook moeten zij in hun artikel transparant zijn over dat zij hebben deelgenomen aan een reis van het CIDI.’ Anderen gingen verder: op Twitter werd Esther Voet opgeroepen de lijst met deelnemers openbaar te maken. Een soort naming and shaming onder het mom van transparantie.
Je kon je moeilijk aan de indruk onttrekken dat meedoen aan de CIDI-reis automatisch betekende dat je bij terugkomst door de Israëlische propagandamachine was gehersenspoeld. Maar wordt de overtuigingskracht van het CIDI hier niet een tikkeltje overschat en het kritisch vermogen van de doorsnee journalist onderschat? Wat gebeurt er eigenlijk op zo’n reis dat maakt dat de hoofdredacteuren hun redacteuren verbieden deel te nemen en de NVJ een waarschuwing afgeeft? En een beetje vreemd dat we zelden iets vergelijkbaars horen over de talloze betaalde persreisjes naar allerhande andere oorden georganiseerd door overheden, ontwikkelingsorganisaties, toeristenbureaus of filmdistributeurs.
Van havik tot duif
Goed, de reis ‘Achter het nieuws in Israël’. Om te beginnen is het grootste deel van het programma, voor iemand die ‘bijzondere belangstelling voor het Midden-Oosten’ ontbeert, van een onbestaanbare saaiheid. Wat je krijgt voorgeschoteld, is een overdaad aan experts, politici, activisten en journalisten die hun overbekende praatjes komen afdraaien. De gebruikelijke talking heads die je steeds maar weer in de krant en op tv tegenkomt. Veel gaat dan ook het ene oor in, het andere uit (ik sluit niet uit dat mijn ontbrekende ‘bijzondere belangstelling voor het Midden-Oosten’ daar tevens debet aan is).
Het programma is strak geregisseerd. De deelnemende journalisten worden van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat beziggehouden. Ruimte voor eigen nieuwsgaring buiten het programma om is er niet. De keren dat ik bepaalde onderdelen laat voor wat ze zijn om op eigen houtje mensen te spreken voor mijn beoogde artikel, word ik daar als een spijbelende middelbareschoolleerling door CIDI-medewerkers op aangesproken.
De sprekers zijn, een enkele uitzondering daargelaten, intelligente, welbespraakte mensen uit alle geledingen van de Israëlische samenleving, van links tot rechts, van havik tot duif. Allen zijn bedreven in het omgaan met journalisten. Ze spreken uitstekend Engels. Ze komen met goede quotes. Ze beheersen de taal van de redelijkheid, geven argumenten, zijn in meer of mindere mate zelfkritisch, tonen bereidheid tot oplossingen van ‘het conflict’ te komen. Uiteraard onder zekere condities… en dan volgt het hele rijtje overbekende verklaringen waarom de bezette gebieden nu al sinds 1967 bezet zijn en waar ik u verder niet mee zal lastigvallen.
Er is ruimte voor de aangename kanten van Israël: een fietstocht door Tel Aviv, een overnachting op een kibboets, chillen op het dakterras van een luxe strandhotel. En voor de minder aangename kanten. Zo verzorgt de uit Amerika geëmigreerde militair analist Elliot Chodoff een rondleiding langs de grenzen met Libanon en Syrië. Vanuit een voormalige militaire uitkijkpost, nu een gezellig koffietentje, loopt hij als een soort Joodse George Bush de oorlogen die Israël de laatste decennia heeft gevoerd nog eens in detail met ons door in cowboy-Jip-en-Janneke-taal. Dat alles omlijst door ronddrentelende Israëlische tienermeisjes in afgeknipte spijkerbroeken die selfies maken terwijl op de achtergrond de rookpluimen van Syrische bombardementen opstijgen. Het beeld beklijft: kijk eens hoe onze westerse maatschappij wordt bedreigd door de barbaarsheid een paar kilometer verderop.
Die indruk wordt nog versterkt door een bezoek aan Sderot, een stadje aan de grens met Gaza. Sderot is vaak het doelwit geweest van raketten die uit de Gazastrook worden afgeschoten. Zo ook de laatste paar dagen. Door enkele plaatselijke bewoners worden we op sleeptouw genomen. We krijgen de resten van ingeslagen raketten te zien, worden meegetroond naar een uitgebrande loods waar twee dagen eerder een projectiel is ingeslagen, en zien bushokjes die als schuilkelder dienen. Zelfs de kinderspeelplaats heeft hier een – in vrolijke kleuren geschilderde – bomb shelter.
Therapeute Ana Ben-Ami vertelt met trillende stem hoe zij en haar gezin ooit ternauwernood een raketaanval hebben overleefd. Om het trauma dat kinderen in Sderot daarbij massaal oplopen te illustreren, heeft ze kindertekeningen vol met raketten meegebracht. Wie blijft bij dit alles onbewogen? Nou, wie doorkrijgt dat het hele bezoek van A tot Z is georganiseerd door het plaatselijke mediacentrum (de therapeute blijkt tevens directeur van dat mediacentrum). Of wie zich realiseert hoe knap dit is opgezet: alle ingrediënten voor een verhaal krijg je in je schoot geworpen. Je hoeft het alleen maar op te schrijven.
Maar niet alles blijkt te orkestreren. Zo zitten de terrasjes vol, wat enigszins bevreemdt voor een dorp dat onder voortdurende dreiging van raketaanvallen leeft. Daar raak ik aan de praat met een man die jaren in Amsterdam op de Albert Cuyp heeft gewerkt. Als ik hem vraag of hij hier niet een angstig bestaan heeft, antwoordt hij: ‘Welnee, die raketten, dat is een spelletje. Het zijn prutsers die Hamas-lui, die raketten raken zelden doel.’ Een week later staat er een reportage over Sderot in The New York Times: de inwoners hebben bankstellen een heuvel met uitzicht op Gaza opgesleept. Onder het genot van een drankje wordt er elke keer als er een bom op Gaza ontploft luid geapplaudisseerd.
Het graf van Arafat
Ik wil maar zeggen: ja, tijdens een CIDI-reis word je volop gemanipuleerd, maar je moet ook wel behoorlijk onnozel zijn als je dat allemaal voor zoete koek slikt. Waar het CIDI in tien dagen in slaagt, is Israël te tonen zoals Israëli’s dat zelf zien en ervaren: als een goed georganiseerd democratisch land waarin een pluriformiteit van meningen bestaat. Een land dat voortdurend onder dreiging leeft, maar waar het verder, als dat verdomde conflict nou eens zou worden opgelost, voor Israëli’s prettig wonen is.
Waar het CIDI niet in slaagt, is Israël – laat staan de bezette gebieden – te tonen zoals Palestijnen dat zien en ervaren. Maar dat kan en moet je ook niet verwachten van een pro-Israël club, zult u zeggen. Nou… dat is niet helemaal waar. Want het CIDI heeft wel degelijk de pretentie met deze reis beide kanten van de zaak te belichten. Zo tekent NRC Handelsblad in het eerder genoemde artikel uit de mond van Esther Voet op, dat zij vindt dat het reisprogramma een ‘gebalanceerd beeld’ geeft van de verhoudingen tussen Israël en Palestina. En ook uit de advertentietekst voor de reis zou je die indruk kunnen krijgen.
Maar de pogingen die het CIDI tijdens deze reis doet om de Palestijnse kant van de zaak te belichten, zijn op zijn best halfslachtig. Laat even buiten beschouwing dat er slechts twee dagen voor een bezoek aan de Westbank zijn ingeruimd, versus acht dagen Israël. Vergeet even dat we niets van de Gazastrook te zien krijgen (om allerlei logische redenen, daar niet van). En denk dan ook even weg dat we in een Israëlische bus over Israëlische snelwegen door de Westbank rijden en nergens voor checkpoints hoeven te wachten. Dan rest een programma dat je niets wijzer maakt over hoe mensen leven onder Israëlische bezetting.
Een bezoek aan het graf van Yasser Arafat of een museum gewijd aan de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish? Wat moet je ermee? Wat heb je aan een PLO-politicus die haar geijkte praatje afdraait? Heel even proeven we iets van de moeilijkheden van het leven in bezet gebied bij een bezoek aan stad-in-aanbouw Rawabi. Projectontwikkelaar Amir Dajani stampt daar met geld uit Qatar een complete Bijlmer uit de grond. Helaas wordt hij gefrustreerd door zowel de Palestijnse autoriteiten als Israël, dat de watertoevoer en de bouw van nieuwe toegangswegen blokkeert. Kijk, nu wordt het interessant. Maar hup, de bus staat alweer klaar, op weg naar de volgende afspraak.
Wie neemt zo’n stuk serieus?
Terug naar de vraag of dit nu allemaal zo kwalijk is. Zoals ik al zei: welke zichzelf respecterende journalist zet bij dit alles geen vraagtekens? Welke sukkel knikt ja en amen en tikt zijn stukje? Aan de andere kant is het ook naïef om te veronderstellen dat je helemaal niet wordt beïnvloed. Natuurlijk ben ik beïnvloed, want ik heb tientallen vriendelijke, redelijke Israëli’s ontmoet en beleefd aangehoord. Ik begrijp hun positie nu veel beter dan voorheen. Dus ja, in die zin is de CIDI-missie geslaagd. Maar heeft de reis nou ook concreet wat opgeleverd? Is Israël bijvoorbeeld positiever in het nieuws gekomen? Twee maanden na de reis blijkt dat de weinige positieve stukken die het tripje heeft opgeleverd, zijn geschreven door auteurs die al pro-Israël waren voor ze aan de reis begonnen. Tel uit je winst.
En mijn stuk?
Ik was van plan geweest een artikel te schrijven over de succesvolle technologiesector in Israël. Oftewel, ik was van plan een optimistisch beeld van Israël te schetsen. Ga ik dat nog doen? Nee. Want wie neemt zo’n stuk serieus als er onder staat dat de auteur mede op kosten van het CIDI naar Israël is gereisd – zelfs als het een onderwerp betreft dat nagenoeg niks met Palestijnen te maken heeft? Zou ik zelf als lezer ook niet doen. Ik mag nog zo vinden dat ik onafhankelijk ben van welke belangenorganisatie dan ook, het CIDI-‘stempel’ maakt alles wat ik schrijf bij voorbaat ‘verdacht’. Ja, dat had ik vantevoren kunnen voorzien. En ja, hoe heb ik zo naïef kunnen zijn. Had ik misschien vantevoren toch wat meer ‘bijzondere belangstelling’ aan de dag moeten leggen.
Jammer van dat stuk, dat wel. Want het was een interessant verhaal geworden.
Vrij Nederland 30 augustus 2014
Vrij Nederland 30 augustus 2014
Jeroen van Bergeijk is journalist en mede-oprichter van digitale uitgeverij Fosfor. Dit artikel werd mede mogelijk gemaakt door het CIDI.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.