Een paar jaar geleden besloten de Chinese autoriteiten hun liefde voor Afrika in beton te gieten. Ze kwamen op de proppen met een bijzonder cadeau: een spiksplinternieuw hoofdkantoor voor de Afrikaanse Unie. In drie jaar tijd stampten ze het vergadercomplex in de Ethiopische hoofdstad Addis Ababa uit de grond. Kosten: 200 miljoen dollar. Het gigantische gebouw kreeg een fonkelende toren van 99,9 meter hoog – de negen geldt in China als geluksnummer dat eeuwigheid uitdrukt. Het complex is Chinees in vrijwel alle facetten: ontworpen door het Tongji Planningsinstituut, gebouwd door de China State Construction Engineering Corporation (CSCEC) van vrijwel uitsluitend Chinese bouwmaterialen door meer dan duizend bouwvakkers, van wie de helft Chinees. Pal voor het gebouw staat een vijf meter hoge Tai Hu Shi, een ‘steen die de vriendschap tussen Afrika en China symboliseert’. En als finishing touch kregen de liften in het nieuwe hoofdkantoor een aangename vrouwenstem die alle passagiers met Chinese tongval begroet. ‘Thank you for riding Shanghai Mitsubishi Elevator.’
Met het opvallende bouwwerk wil China laten zien dat het graag een leidende rol speelt in het vormgeven van Afrika’s toekomst. Een wens die ook tot uiting komt in talloze grote infrastructurele projecten, zoals de Thika Super Highway in Kenia of de nieuwe metro van de Nigeriaanse megalopool Lagos. Steeds meer Afrikaanse steden pronken met skylines made in China. Of, zoals een Rwandese architect ons met enige ironie vertelde: ‘In Kigali is elk gebouw van meer dan vijf verdiepingen ontworpen door een Chinese architect, gefinancierd door een Chinese bank, gebouwd door een Chinese aannemer, met Chinees beton, Chinese stopcontacten, kozijnen en brandblussers, en gedecoreerd met tapijt en gordijnen uit China.’
In Kigali is elk gebouw van meer dan vijf verdiepingen ontworpen door een Chinese architect.
Tot niet zo lang geleden was het begrip ‘massawoningbouw’ in Afrika synoniem voor ‘sloppenwijk’. Maar de economische groei van de afgelopen tien jaar heeft geleid tot een groeiende middenklasse die niet langer ondermaatse woningen accepteert. In de grote steden zien meer en meer moderne woonwijken het licht. Het gaat daarbij niet alleen om laagbouw, maar ook steeds vaker om woontorens. Chinese aannemers proberen de ervaring uit hun thuisland op Afrikaanse bodem te gelde te maken. De ‘Great Wall Apartments’ op Beijing Road in Nairobi zijn haast niet te onderscheiden van de ommuurde compounds die je overal in China aantreft. Het meest indrukwekkende Chinese stedenbouwkundige project in Afrika tref je aan bij de Angolese hoofdstad Luanda: Kilamba Kiaxi, een nieuwe suburb van 750 woontorens voor een half miljoen mensen. Ontworpen, gebouwd en gefinancierd door een consortium van Chinese staatsbedrijven.
De trek naar Afrika past bij het Chinese beleid om zowel staatsbedrijven als particulieren aan te moedigen te investeren in het buitenland. Dat moet de Chinese economie verder doen internationaliseren en minder vatbaar maken voor tegenvallende vraag uit Europa en de Verenigde Staten – geen overbodige luxe, zo is de afgelopen maanden gebleken.
China’s metamorfose
Je kan het je vandaag de dag haast niet meer voorstellen, maar tot 1990 lag het gemiddelde welvaartsniveau in China lager dan in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Vijfentwintig jaar later is het verdienvermogen van de Chinees gemiddeld ruim drie tot vier keer zo hoog als dat van een inwoner van Centraal- of Zuidelijk-Afrika – daar heeft de recente Chinese beurscrisis niets aan veranderd. Gesterkt door ervaringen in eigen land menen de Chinese machthebbers dat ze hun eigen economische wederopstanding kunnen kopiëren naar het armste continent. Ze gaan daarbij planmatig te werk. De explosieve mix van verstedelijking, industrialisatie en het aantrekken van buitenlandse investeringen die China in de vaart der volkeren deed opstoten, moet ook gelden voor Afrika. De drie gewenste trends komen samen in één alomvattend model: de speciale economische zone (SEZ), een gebied dat afgesloten is van de rest van het land en waar liberale economische regels gelden om investeerders aan te trekken en banen te creëren.
Hoewel speciale economische zones al eeuwenlang bestaan – Gibraltar sinds 1704 en Singapore sinds 1819 – was het China dat het model omvormde tot volwaardige strategie voor stedelijke ontwikkeling, met als lichtend voorbeeld Shenzhen. De stad staat symbool voor China’s metamorfose van een land van arme boeren naar de fabriek van de wereld. In de drie decennia sinds het aanwijzen van Shenzhen als speciale economische zone is het voormalige vissersdorp veranderd in een wervelende wereldstad van 15 miljoen inwoners in de Parelrivierdelta. Het succes stimuleerde beleidsmakers in heel China tot het ontwikkelen van meer dan honderd verschillende economische zones.
En nu, menen ze, wordt het tijd voor de SEZ om de oversteek naar Afrika te maken.

Onbeschrijfelijke chaos
Tijdens de rit over een 6-baanssnelweg vanuit het centrum van Lagos naar de buitenwijken passeren we een eclectische mix van gebouwen, waaronder de Church of God Mission, het Newcastle Hotel, twee Mercedes-dealers, een MegaChicken en een kinderspeelgoedwinkel. Naast de weg staan hoge reclameborden van Amstel (‘Toast to Africa’s best’) en een lokale kerkgemeenschap (‘Jesus loves you – Give Him a call on Valentine’s Day’). Onder de slogans bevinden zich informele markten waar voornamelijk bouwmaterialen worden verkocht – van hout tot loodgietersgereedschappen. Het geheel maakt een dynamische en energieke indruk die veel doet denken aan de atmosfeer van de opkomende steden in de binnenlanden van China. Enige verschil: de onbeschrijfelijke chaos in Lagos.
Na drie kwartier rijden arriveren we bij de ingang van de Lekki Free Zone: een grote poort die wordt bewaakt door twee militairen met AK-47’s. Aan de rechterkant staat een zilverkleurig gebouw waarop naast elkaar de vlaggen van Nigeria en China wapperen. Binnen bevindt zich een rij lege loketten met borden als ‘immigratie’ en ‘douane’. Aan de muur hangen klokken die de tijd weergeven in Londen, Lagos en Beijing.
‘De Lekki Free Zone is een nieuwe offshore stad,’ vertelt Wole Adegoke, de charismatische marketingmanager van de Lekki Free Zone Development Company die ons ontvangt in zijn kantoor. ‘We bevinden ons hier buiten het Nigeriaanse douanegebied. Het is een belastingvrije, heffingsvrije zone waar buitenlandse bedrijven kunnen ondernemen.’
Op termijn moet Lekki uitgroeien tot veilige, groene en ruim opgezette satellietstad, ver weg van de chaos en de gevaren van Lagos. In het 3.000 hectare tellende gebied moeten fabrieken verrijzen, olieraffinaderijen en andere industrieën, maar ook woningen voor 120.000 mensen en ziekenhuizen, scholen, parken en kerken. De zone ligt naast het toekomstige Lagos International Airport en krijgt een eigen diepzeehaven. Zodra de eerste fase is voltooid, ligt een tweede gebied van 13.500 hectare klaar om ontwikkeld te worden.
Op een dag moet Lekki het centrum vormen van een welvarende ‘made in Africa’-industrie. Van die roemrijke toekomst is nu nog weinig te zien. De helft van de Lekki Free Zone bestaat uit ongerepte natuur, de andere helft uit uitgestrekte, lege stukken bouwrijp gemaakte grond.

Nieuw kolonialisme
Je kan de Free Zone zien als een stukje China in Afrika. De China Civil Engineering Corporation (CCEC) is officieel de initiator van de Lekki Free Zone. Het Chinese staatsbedrijf heeft een 60 procent meerderheidsaandeel in de ontwikkelingsmaatschappij die het gebied voor 50 jaar heeft gepacht. De andere 40 procent van de aandelen is in handen van de stad Lagos. Het gaat dus om een Chinees ontwikkelingsplan, bedacht door de Chinese overheid, uitgevoerd door Chinese staatsbedrijven en Chinese stedenbouwkundigen – maar dan op Afrikaanse bodem. ‘Afrikaanse overheden zijn geen initiatiefnemers maar ontvangers van deze zone,’ schrijft directeur Martyn Davies van het China Africa Network van de Universiteit van Pretoria. ‘China kiest en plaatst SEZ’s over het hele continent, waar ze de nieuwe economische groeikernen van Afrika moeten vormen.’
China bouwt momenteel aan honderdachttien economische zones in vijftig verschillende landen.
De Chinezen hebben natuurlijk niet alleen altruïstische motieven met hun trek naar het buitenland. Het vormt een logische vervolgstap in China’s eigen ontwikkeling naar een hoogtechnologisch productieland dat niet alleen plastic speelgoed en mobiele telefoons produceert, maar ook hogesnelheidsspoor kan aanleggen. Grote infrastructurele projecten in het buitenland verzachten bovendien de massale overcapaciteit in de Chinese beton- en staalindustrie. De speciale economische zones zelf bieden daarnaast een veilige haven voor Chinese bedrijven die minder last willen hebben van wereldwijde protectionistische heffingen op producten ‘Made in China’.
Geen wonder dat de Chinese overheid bedrijven aanspoort verder te globaliseren. In dat kader maakte ze in 2006 plannen bekend voor economische handelszones in Zambia, Nigeria, Mauritius en Ethiopië. Deze aanpak vormt inmiddels vast onderdeel van China’s buitenlandse handelsbeleid – ook in andere regio’s. Onderdirecteur Fang Wei van het Chinese ministerie van Handel onthulde onlangs in een interview dat China momenteel aan maar liefst 118 economische zones bouwt in vijftig verschillende landen. Samen moeten ze een netwerk vormen op de ‘Nieuwe Zijderoute’ tussen China en Europa, zowel over land (van Kazachstan tot Hongarije) als over zee (via Thailand en Indonesië naar Mozambique en omhoog via Nigeria). De Lekki Free Zone is een van de schoolvoorbeelden voor de aanpak.

Amerikaanse en Europese politici kijken met argusogen naar de manier waarop China zich in Afrika opstelt. De democratische presidentskandidaat Hillary Clinton waarschuwde voor ‘een nieuwe vorm van kolonialisme’ van de Chinezen. Volgens haar kon Afrika ‘meer leren van de Verenigde Staten en andere democratieën’ dan van de Chinese overheid. Maar op de meeste Afrikanen maken haar woorden minder indruk dan de tastbare resultaten van de Chinese aanpak, uitgedrukt in moderne woontorens, voetbalstadions, snelwegen, speciale economische zones en, niet te vergeten, talloze betaalbare consumentenproducten.
Ommuurde stad
Omodele Phil Doherty, een van de business developers van de Lekki Free Zone, leidt ons rond in een rode Nissan Patrol. Bij een groot meer aangekomen, springt hij energiek uit de auto. ‘Hier,’ zegt hij. ‘Het hart van Lekki.’ Hij wijst op de lege ruimte waar gebouwen moeten komen: een beursgebouw daar, kantoren hier, en daarachter huizen. ‘Het wordt een meesterwerk.’
Aan Doherty de belangrijke taak om potentiële investeerders de eindeloze mogelijkheden van het gebied te laten zien. ‘We willen investeerders van over de hele wereld,’ zegt hij. ‘Het wordt geen Chinese stad. Niet dat daar iets mis mee zou zijn, maar waarom zouden we onszelf beperken? Het wordt echt internationaal.’
Als we onze tour per SUV door de Zone vervolgen, zien we blauwe industriële hallen waar de eerste fabrieken huizen. ‘Daar,’ zegt Doherty. ‘Dat stuk land is net verkocht aan een Oost-Europees bedrijf dat mayonaise maakt.’ Hij draait het volume van de autoradio omhoog. De muziek schalt door de stilte van de nog lege Zone. Girl I want to make you sweat… Terwijl we onze rit over geasfalteerde wegen langs palmbomen vervolgen, schreeuwt Doherty om boven de muziek uit te komen. ‘Net alsof we op een safari zijn! We rijden nog even naar de lagune! Dat gaan jullie fantastisch vinden!’
In oktober 2013 boekten de ontwikkelaars van de Zone een vlucht naar ’s werelds belangrijkste financiële centrum om hun plannen te presenteren aan het Grote Geld. Die middag hadden zich voor de gelegenheid zo’n driehonderd representanten van de London City verzameld in het Four Seasons Hotel aan Park Lane; merendeels in pak gestoken mannen op zoek naar investeringskansen voor hun rijke klanten. Aan Chen Xiaoxing, de Chinese directeur van de Lekki Free Zone Ontwikkelingsmaatschappij, de taak zijn publiek ervan te overtuigen dat Nigeria uitgelezen mogelijkheden biedt. ‘Lekki, The New Model City’, was de titel van zijn pitch.
‘In de afgelopen eeuw,’ begon Chen in vloeiend Engels, ‘heeft Afrika het tij van de industriële revolutie gemist. Maar nu dient zich een nieuwe kans aan.’ Zijn presentatie schetste Lekki als tegenpool van het onveilige, chaotische en onvoorspelbare Lagos. Met een eigen politiemacht, een overzichtelijk stratenpatroon en – zeer belangrijk – een eigen elektriciteitscentrale. Met betere woningen, top-ziekenhuizen en een digitale infrastructuur zoals nergens anders in Afrika. Daarmee wordt Lekki een soort tegenpool van Lagos, die alles heeft wat zijn oudere broer mist: een functionerend vervoerssysteem, goed werkende riolering, een overzichtelijk stratenplan en een betrouwbare overheid. Bovendien zou Lekki afrekenen met die verschrikkelijke Afrikaanse bureaucratische regels voor ondernemers, beloofde Chen.
Afrika heeft het tij van de industriële revolutie gemist. Maar nu dient zich een nieuwe kans aan.
Centraal in zijn presentatie stond het toekomstige beursgebouw van Lekki. ‘Elk jaar reizen ongeveer 200.000 Nigerianen naar China om handelswaar in te kopen. In de toekomst kunnen ze dat gewoon in Lekki doen.’ Chen benadrukte dat de Zone open zou staan voor ‘iedereen die wil profiteren van lage belastingen en producten of diensten aanbiedt die aantrekkelijk zijn voor de groeiende Nigeriaanse middenklasse.’ Hij had zelf ook ideeën. ‘Goede gezondheidszorg is ontzettend duur in Nigeria. Maar als je een ziekenhuis in de Zone begint, met Nigeriaanse dokters die hun opleiding in Europa of de VS hebben gehad, garandeer ik dat je veel geld kan verdienen.’
Als alles volgens plan verloopt, wordt de Lekki Free Zone een ommuurde, geprivatiseerde stad, gerund door een joint venture van Chinezen en Nigerianen. Je kan de stad alleen in als je er wat te zoeken hebt. Auto’s krijgen een elektronische kaart waarmee je door een van de elf poorten kan. Binnen bevinden zich bedrijven en woningen voor de middenklasse. En dat alles buiten de Nigeriaanse douanegrenzen.

Illegale olieverwerkers
Maar zal het ook werken? Over die vraag lopen de meningen uiteen. ‘Sorry voor de rommel,’ verontschuldigt Dr. Dele Balogun zich als we zijn overvolle kantoor op de universiteit van Lagos binnenlopen. Omringd door stoelen, een ijskast, een televisie en talloze planken die kraken onder het gewicht van boeken, legt de econoom uit wat het fundamentele probleem van de Nigeriaanse economie is: vrijwel alles wordt geïmporteerd. ‘Kijk naar mij. Mijn pak, mijn horloge, mijn bril, mijn trouwring en mijn schoenen – allemaal geïmporteerd. Als je dat optelt, dan heb ik er zo’n 100.000 naira voor betaald, waarvan 80 procent naar de buitenlandse producenten gaat. Dat betekent dat onze vraag naar buitenlandse valuta immens is.’
Balogun heeft sterke twijfels of de Lekki Free Zone al die buitenlandse valuta gaat opbrengen. ‘De Zone lijkt zich in eerste instantie te richten op de verkoop van spullen aan Nigerianen,’ zegt hij. ‘Dat betekent dat we een appendix van buitenlandse bedrijven binnenhalen. Daar hebben wij zelf niets aan. We moeten het systeem binnenstebuiten keren en producten gaan produceren voor de export.’
Dat geldt al helemaal voor bewerkte olie en olieproducten. Want Hoewel Nigeria een van de grootste olieproducerende landen is, is het tegelijkertijd een enorme importeur van olieproducten. ‘We moeten zelf de capaciteit ontwikkelen om olie te verwerken in plaats van buitenlandse bedrijven concessies te geven. Op dit moment vervolgt de politie lokale olieverwerkers omdat het illegaal is. In plaats daarvan zouden we ze een plek moeten geven in de Free Zone zodat ze kunnen doen wat ze doen.’
De Lekki Free Zone, zegt Balogun, valt moeilijk te vergelijken met het Shenzhen van dertig jaar geleden. ‘China was een socialistische planeconomie die zich langzaam openstelde en zich richting staatskapitalisme ontwikkelde. Maar Nigeria heeft al een hedonistische consumentenmarkt. Je kan hier alle nieuwste producten vinden.’ Hij lacht. ‘Weet je wat de eerste producten waren die ze in Shenzhen produceerden? Speelgoed! Voor kinderen! In een land met eenkindpolitiek! Dat kinderspeelgoed was echt niet bedoeld voor de Chinezen. Het was puur export. De Chinezen spaarden hun geld op terwijl ze hun economie ontwikkelden. De overheid hield de consumptie bewust laag. Dat is compleet anders dan wat we nu in Nigeria doen.’
We moeten zelf olie verwerken in plaats van buitenlandse bedrijven concessies geven.
Reinaldo Fiorito, partner bij consultancyfirma McKinsey in Lagos, is het niet met hem eens. ‘Mensen met dromen en wensen verhuizen naar de stad. Die mensen hebben banen nodig. Ze moeten uit het informele circuit omhoog worden getrokken. De vrijhandelszone kan daarbij helpen.’ Volgens Fiorito verwacht een groot deel van de elite veel van de Lekki Free Zone: bankiers, producenten, ambtenaren en consultants. Zelfs als de Zone niet meteen de gehoopte miljoenen aan buitenlandse investeringen weet binnen te halen, dan nog staat Lekki voor een nieuw en verbeterd stedenbouwkundig model op Nigeriaanse bodem. ‘De huidige situatie in Lagos is een nachtmerrie voor economische groei. We hebben constant stroomstoringen en het verkeer is de hel. Ik vind het hoog tijd voor grote doortastende oplossingen. En Lekki is precies dat.’
Zoals met veel ontwikkelingen, lijkt het te vroeg om de uiteindelijke balans op te maken. Sinds vorig jaar heeft het project in elk geval de steun van Afrika’s rijkste man, Alhaji Aliko Dangote, eigenaar van de Dangote Group. Hij heeft aangekondigd een astronomisch bedrag van 11 miljard Amerikaanse dollar te steken in de bouw van een olieraffinaderij in de Lekki Free Zone. De bouw alleen al betekent 20.000 banen. ‘Ik voorspel u dat dit de grootste vrijhandelszone van heel Afrika gaat worden,’ verklaarde Dangote bij het bekend maken van het plan. ‘En ik weet dat meer en meer mensen erachter zullen gaan staan.’
Schoenenfabriek
Om een glimp op te kunnen vangen van het gewenste eindresultaat, keren we terug naar Addis Abeba in Ethiopië. Ongeveer twee uur rijden van het gebouw van de Afrikaanse Unie bevindt zich op het arme en onderontwikkelde platteland een grote poort met Chinese karakters en een Engelse tekst: ‘Eastern Industry Zone’.
Binnen worden we ontvangen door de Chinese manager van de Hua Jian schoenenfabriek, het eerste bedrijf dat zich in deze speciale economische zone heeft gevestigd. Hij neemt ons mee op een indrukwekkende tour. In grote, nieuwe fabriekshallen zitten honderden lokale dorpsbewoners te werken. Overal aan de muren en onder het plafond hangen rode spandoeken met typische Chinese slogans die de werknemers aanmoedigen hun best te doen. ‘Te laat komen is vertraging,’ zegt de ene. En: ‘Te vroeg komen is verspilling.’ Maar ook: ‘Zij die vandaag niet hard werken, zullen morgen hard zoeken naar een baan.’
De werkers in de fabriek zijn Ethiopiërs. Het management is Chinees. De schoenen dragen het label Mark Fisher, een Amerikaans merk. Er lopen twee werknemers van een Braziliaans bedrijf rond die de kwaliteitscontrole doen. En nadat de schoenen in kartonnen dozen met het opschrift ‘Made in Ethiopia’ zijn verpakt, worden ze verscheept naar winkels in Europa.
Het lijkt het begin van een nieuwe stap in de globalisering. Maar Afrikanen moeten niet te vroeg juichen, waarschuwde Guang Zhe Chen, Wereldbank-directeur voor Zuidelijk-Afrika en zelf Chinees, vorige maand in een interview met de Financial Times. ‘Tenzij je er honderd van hebt, maakt het succes van de Hua Jian schoenenfabriek voor Ethiopië weinig verschil. En zelfs honderd van die fabrieken betekent niet meer dan, wat is het, 300.000 banen.’
Het is misschien een begin. Maar er is nog heel wat meer nodig om het Chinese economische succes te evenaren.
China in Afrika
Tazara-spoorlijn
De Tanzania-Zambia Railway (TaZaRa) is een infrastructureel monsterproject dat de Chinezen tijdens de hoogtijdagen van de Culturele Revolutie (1970-1975) bouwden. De spoorlijn van 1860 kilometer verbindt Afrika’s Oostkust met de binnenlanden van Zambia. De kosten van 500 miljoen dollar werden door de Chinezen kwijtgescholden.
Thika Super Highway
Vraag een inwoner van Nairobi waar hij trots op is, en grote kans dat hij deze nieuwe 45 kilometer lange achtbaanssnelweg noemt. Gefinancierd door de African Development Bank en de Chinese overheid en aangelegd door drie grote Chinese aannemersbedrijven.
Nationaal Voetbalstadion Tanzania
Dit 60.000 zitplaatsen tellende stadion is gebouwd door de Beijing Construction Group voor 56 miljoen dollar, waarvan 20 miljoen betaald door de Chinese overheid als ‘speciale hulp’. Als resultaat van deze ‘stadiondiplomatie’ staan in Afrika ruim dertig grote sportstadions die geheel of gedeeltelijk als cadeau van China kunnen worden beschouwd.
Kilamba Kiazi, Angola
Een van Afrika’s grootste stedenbouwkundige projecten; ontworpen, gefinancierd, ontwikkeld en gebouwd door Chinese staatsbedrijven. De 750 woontorens met duurdere appartementen stonden lange tijd leeg, wat Kilamba de schertsnaam ‘Afrika’s grootste spookstad’ opleverde. Inmiddels is de wijk vrijwel volledig bewoond.
CCTV Afrika
China investeert niet alleen in de hardware van Afrika, maar ook in de zachte kant. Staatsomroep CCTV zendt in Afrika uit, en ook staatskrant China Daily heeft een Afrikaanse weekeditie. Bij CCTV Africa werken zo’n honderd journalisten, merendeels Kenianen.
Journalist Michiel Hulshof (Tertium) en architect Daan Roggeveen (MORE) werken samen in het Go West Project dat onderzoek doet naar de Chinese invloed op Afrikaanse steden. Hun onderzoek krijgt een bijdrage uit het Stimulerings-fonds Creatieve Industrie.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.