Profiel Theo van Gogh

Op dinsdag 2 november 2004 ontvangt thrillerauteur Tomas Ross een brief. Aan het handschrift kan hij moeiteloos de afzender herkennen; het is onmiskenbaar een brief van Theo van Gogh. De kritiek die Ross kort daarvoor heeft geuit op de montage van Van Goghs film 06-05 – waarvoor Ross het scenario schreef – is bij de filmmaker zacht gezegd niet in goede aarde gevallen. ‘Ik dank de Here dat hij mij van jou verlost heeft,’ schrijft Van Gogh. Op datzelfde moment krijgt Ross de bevestiging dat de man die diezelfde ochtend in Amsterdam van zijn bakkersfiets is geschoten, inderdaad Theo van Gogh is. Hij heeft de aanslag door Mohammed B. niet overleefd. Gestorven op zijn zevenenveertigste, om vijf over half negen in de ochtend, op het novembernatte asfalt van de Linnaeusstraat. Geraakt door zeven kogels, de keel doorkliefd met een kromzwaard.

Van Gogh is die ochtend van zijn huis in de Pythagorasstraat op de fiets onderweg naar zijn productiemaatschappij Column in de Van Breestraat. Daar heeft hij samen met producent Gijs van de Westelaken een afspraak met de distributeur van 06-05. Hoewel Van de Westelaken de cineast de avond daarvoor nog dringend heeft gevraagd níét te komen. Want Van Gogh zou voorafgaand aan die belangrijke viewing ongetwijfeld tegen de distributeur hebben gezegd dat het toch allemaal niets geworden was met die rotfilm. ‘Hij had een enorme faalangst. Voor de zekerheid boorde hij vooraf zijn eigen productie vast de grond in. Ik weet nog dat ik die ochtend wat geërgerd naar kantoor ging. “Zul je zien dat-ie daar straks toch gewoon zit…”‘

Een beminnelijk man, noemen zijn vrienden hem. Gul, hartelijk en energiek. Voor de buitenwereld is Theo van Gogh behalve filmer en interviewer vooral een beroepsprovocateur, die als columnist jarenlang op leven en dood vetes uitvecht, beledigt en beschimpt. ‘Ik mag kwetsen wie ik wil,’ luidt zijn motto. Zijn opponenten kunnen toch óók de pen pakken? Maar áls ze dat doen, komt ze dat te staan op jarenlange haatcampagnes en onophoudelijke scheldkanonnades. Tomas Ross: ‘Als íémand anderen het recht op vrije meningsuiting niet gunde, dan was het Theo.’

Slaande ruzie met de juf

Theo van Gogh wordt in 1957 in Den Haag geboren, maar groeit op in Wassenaar. Hij is de oudste van drie kinderen, na hem komen zijn zussen Josien en Jantine. Hun vader werkt bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst, maar op school mogen ze dat niet vertellen. Voor de buitenwereld werkt Van Gogh senior bij het ministerie van Landbouw. Als hij ’s avonds wel eens in slaap sukkelt, mag zijn zoon graag in zijn oor roepen: ‘Wakker worden, de Russen komen!’

‘Méér dan levendig,’ zo typeren Van Goghs zussen het gezin. Niet in de laatste plaats door hun broer. Want: waar Theo is, ontstaat gedoe. Op de lagere school krijgt hij in de vijfde klas slaande ruzie met de juf. Josien van Gogh: ‘Ze hadden in de klas een discussie over de slavernij. De juf beweerde dat wij rijk geworden waren door de handel in specerijen. “Nee,” zei Theo, “wij zijn vooral rijk geworden door de slavenhandel.” Dat liep ontzettend hoog op.’ Theo is dan ook echt een mannetje, zeggen zijn zussen. Een vroegwijze jongen die graag heerst over zijn zusjes. ‘Mijn moeder zegt altijd dat Theo van baby af aan lastig is geweest. Bij Theo kon het nooit gewóón, bij hem moest het altijd anders.’

Acteur Thom Hoffman leert Theo van Gogh kennen in Wassenaar, als ze allebei nog op de lagere school zitten. Van Gogh en hij zijn ‘Echte kakjongetjes, van die jochies die denken dat ze overal verstand van hebben.’ Hoffman komt ook bij Van Gogh thuis, op zijn verjaardag bijvoorbeeld. Opvallend genoeg ontbreekt dan uitgerekend de jarige. ‘De vriendjes van Theo zaten allemaal aan tafel, om zijn moeder heen. Verder was er één lege stoel. Zat Theo weer kwaad op zijn kamer.’

Van Gogh bezoekt het Rijnlands Lyceum, maar moet na verloop van tijd van school. Zijn resultaten zijn slecht en hij ligt doorlopend in de clinch met het onderwijzend personeel. Zo neemt de directeur aanstoot aan zijn lange haar. Maar ja, verklaart Van Gogh, hij heeft nou eenmaal geen geld voor de kapper. Waarop de rector hem twee gulden toestopt, ter financiering van een deugdelijker coupe. ‘Mijn moeder is toen nog op school geweest,’ zegt Jantine van Gogh. ‘Ze zei: “Mijnheer, we hebben geld genoeg om zelf de kapper te betalen. Mijn zoon wil dit nou eenmaal graag.”‘

Uiteindelijk belandt hij op de mavo. Een enorme vernedering voor Van Gogh, denkt Thom Hoffman. ‘Hij heeft op eigen kracht staatsexamen moeten doen, tot en met het atheneum.’

Folderen voor de PvdA

In het gezin wordt vaak en hartstochtelijk gediscussieerd, vooral over politiek. Theo’s ouders zijn aanhangers van de PvdA, maar keren zich van die partij af wanneer deze eind jaren zestig de DDR erkent. (De hond des huizes heet overigens Dubçek.) Theo wordt wel lid van de PvdA. Hij gaat voor die partij ook regelmatig de straat op om te folderen. In verkiezingstijd hangen de ramen van de Van Goghs vol met affiches. Josien van Gogh: ‘Er is een jaar geweest waarin we vier pamfletten hadden; mijn moeder hing een VVD-affiche op, mijn vader een pamflet van DS’70 en Theo een poster van de PvdA. En daaronder nog een klein pamfletje van mijn moeder: “Is politiek alleen een mannenzaak?”‘

De Tweede Wereldoorlog is binnen het gezin eveneens een terugkerend thema; de broer van Theo’s vader is in de oorlog door de Duitsers wegens verzetswerk gefusilleerd. Theo’s moeder heeft gezien hoe haar vader door de Duitsers werd opgehaald en is als jong meisje getuige geweest van een executie. ‘Ik durf nu wel toe te geven dat mijn gevoel voor paranoia misschien te maken heeft met de paniek die zij als klein meisje moest onderdrukken,’ zegt hij in 1999 in Trouw. ‘Ik ben nooit volwassen geworden.’

Het gezin Van Gogh is welgesteld. Maar lang niet zo welgesteld als het had kúnnen zijn. De opa van Theo is de zoon van Theo van Gogh, de broer van Vincent. Aanvankelijk hangen Van Goghs meesterwerken gewoon bij de familie aan de muur; wat niet opgehangen kan worden, wordt opgeslagen in ‘het schilderijenkamertje’. Daar moet Theo van Gogh in zijn jonge jaren nog volop ‘zonnebloemen’ en ‘zelfportretten’ hebben zien staan. Maar de familie besluit begin jaren zestig om de driehonderd tekeningen en zeshonderd schilderijen te verkopen aan de Vincent van Gogh-stichting, op voorwaarde dat er een Van Gogh-museum komt. Het zal voor Theo van Gogh levenslang een bron van diepe frustratie blijven. ‘Dan lees ik: “Zonnebloemen weg voor tachtig miljoen”. Oh, mán… Het erge is nog dat ze het uit de goedheid van hun hart hebben gedaan. Het waren sociaal-democraten, zo kon iedereen ervan genieten.’

Films als nachtmerries

In het Astra Theater in Wassenaar ziet Van Gogh met grote regelmaat bioscoopfilms. Na het zien van A Clockwork Orange is Van Gogh verkocht: dát wil hij ook. ‘Ik hou van films die je ondergaat als nachtmerries,’ zegt hij in 1991 in HP/De Tijd. ‘Films als Chinatown, Repulsion en Rosemary’s Baby. Die beklemming, daar gaat het om.’ Van een erfenis koopt hij een super-8-camera, waarmee hij zijn eerste filmpjes maakt, nog zonder geluid. Wanneer zijn moeder hem op zijn zeventiende het huis uit zet – ‘ik was volgens haar zó vervelend’ – verhuist hij naar Amsterdam, waar hij zich aanmeldt bij de Nederlandse Filmacademie. Hij heeft een in zijn ogen pakkend filmpje gemaakt over twee homo’s – meester en slaaf – waarbij de slaaf zijn meester aan het eind monter de afgebroken voetjes van twee wijnglazen in de ogen steekt. De voorzitter van de selectiecommissie heeft na afloop maar één prangende vraag: ‘Wie is jouw psychiater?’

Uit teleurstelling over de afwijzing vertrekt hij naar Israël om olijven te gaan plukken. Terug in Amsterdam werkt Van Gogh noodgedwongen tijdelijk in de bouw; om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar vooral om geld te verdienen voor een echte filmproductie. In 1982 debuteert hij met Luger, een film over een psychopaat – gespeeld door Thom Hoffman – die een meisje gijzelt. De film wint een prijs op het filmfestival in Utrecht, maar zorgt ook onmiddellijk voor heftig debat. Wanneer de VPRO twee scènes op televisie vertoont – een met poesjes in een draaiende wasmachine, en een waarin een vrouw een pistool in haar vagina gestopt krijgt – ontstaat een ware rel. De film is volgens sommige collega-filmmakers niets minder dan een fascistoïde pamflet. Van Gogh haalt er zijn schouders over op. ‘Er spreekt een weerbarstige treurigheid uit zulke beelden,’ zegt hij in 1982 in de Volkskrant. ‘Ik wilde dolgraag iets maken over de verloedering die ik om me heen zie en ook over de decadentie die ik kende uit Wassenaar en Den Haag.’

Dik door weddenschap

Begin jaren tachtig transformeert Van Gogh in een paar maanden tijd van een betrekkelijk slanke jongen in een ronduit dikke man. Het gevolg van een weddenschap met een vriend; hij kan een kist wodka verdienen als hij binnen zes maanden veertig kilo aankomt. ‘Een half jaar lang zo veel mogelijk patat, roomijs en bier naar binnen werken, dat was een fantastische ervaring,’ zegt de dan honderdtwintig kilo wegende filmmaker in 1984 in NRC Handelsblad. In diezelfde periode begint Van Gogh columns te schrijven, waarmee hij al snel vijanden maakt, zowel in de filmwereld als daarbuiten. De eigenaars van The Movies heten bij Van Gogh ‘Glibber en Gladder (“Voor al uw zwarte geld”)’ en Veronica-baas Rob Out is ‘gespecialiseerd in vrouwtjes over het balkon werpen’. Out trekt prompt drie ton terug die hij in een nieuwe film van Van Gogh zou investeren. De verontwaardiging neemt nationale proporties aan wanneer de columnist in het blad Moviola van leer trekt tegen Leon de Winter. De auteur misbruikt volgens Van Gogh zijn Joodse afkomst en de Holocaust om zijn boeken onder de aandacht te brengen.

‘Jij die de stank van crematoria gebruikt om je smakeloze product Bastille van een luchtje te voorzien.

-“Wat ruikt het hier naar caramel?”

-“Vandaag verbranden ze alleen de suikerzieke Joden.”

De geladen sfeer in mijn ouderlijk huis rond ’t 4 mei-festival ‘voor hen die vielen’ staat me nog levendig voor de geest. Verdriet tonen is niet obsceen, maar de herinnering aan mijn huilende vader vervult me nog altijd met schaamte, al weet ik niet waarom. Gaf dat mij ’t recht “Luger” op tv aan te prijzen met mijn zogenaamde identiteit? Welzeker niet!’

De rechtszaken die De Winter hierop tegen Van Gogh aanspant, zullen zich bijna tien jaar voortslepen. Uiteindelijk spreekt de rechter Van Gogh vrij van antisemitisme. Hij houdt er zowel het predikaat De Eeuwige Antisemiet als De Antisemiet op Zondag aan over, met dank aan Hugo Brandt Corstius, met wie Van Gogh eveneens een jarenlange pennenstrijd uitvecht. Daarbij wordt geen middel geschuwd. Hij schrijft zelfs een doorleefde necrologie van de Vrij Nederland-columnist, die in de krant ook nog eens wordt afgedrukt, omzoomd door een inktzwarte rouwrand. Zijn zus Jantine koopt in die jaren vaak met angst en beven Haagse Post, om te zien in welk wespennest haar broer zich nu weer heeft gestoken. ‘Hij vond het zó leuk als mensen boos werden.Hij zette doodleuk het telefoonnummer van Piet Grijs onder zijn column. Konden alle asielzoekers waar Grijs het voor opnam hem persoonlijk bellen.’

‘Theo kon een monster zijn,’ zegt beeldend kunstenaar Jeroen Henneman, jarenlang met Van Gogh bevriend. ‘Echt een verschrikkelijk monster dat mensen verbaal en schriftelijk kon verminken.’ Henneman verwijst naar de manier waarop Van Gogh hardnekkig Monique van de Ven en Edwin de Vries blijft achtervolgen, nadat Van de Ven in een interview met Sonja Barend over de dood van hun zoontje Nino heeft verteld. ‘Koketterie,’ oordeelt Van Gogh meedogenloos. ‘Het blijft een hele troost dat Nino niet voor niets stierf en dat mamma nog jarenlang op tournee kan met zijn nagedachtenis.’ Een column die Van Gogh niet alleen laat afdrukken, maar ook nog eens persoonlijk bij Van de Ven en De Vries in de brievenbus komt doen. Aan die rit per taxi van Amsterdam naar ’t Gooi – Van Gogh heeft geen rijbewijs – is hij niet alleen tijd maar ook flink wat geld kwijt. ‘Dat werd dan een persoonlijke obsessie voor hem,’ verklaart Henneman. Of neem die column over de levertransplantatie van Hans van Mierlo. ‘Die lever was volgens Theo vernietigd door al dat slempen. Terwijl het door complicaties rond een bloedtransfusie gekomen is. Totale onzin dus. Mijn theorie is dat Theo achter die typemachine ging zitten en die idiotie er dan opeens uitspatte. Een soort syndroom van Gilles de la Tourette. Daarmee ontnam hij elke argumentatie aan zijn stukjes. Het was pure flauwekul wat daar stond. Maar wel verminkende flauwekul.’

Slonzig als pose

De ontembare drang tot kwetsen zal gedurende de twintig jaar dat Van Gogh columns schrijft een constante blijken. Terwijl hij in de televisie-interviews die hij maakt voor AT5 – onder de titel Een prettig gesprek – juist een allervriendelijkst gastheer is die zijn gasten met empathie tegemoet treedt. Een curieuze discrepantie met die nietsontziende columnist, beaamt Gijs van de Westelaken. ‘Dat kwam in de buurt van schizofrenie. Dat vriendelijke in zijn karakter mocht de buitenwereld van Theo absoluut niet zien. “Theo van Gogh” was deels een pose. Alleen zijn kleding al. Die gescheurde broek deed hij speciaal voor televisie aan.’ Van Gogh ontleent een duivels genoegen aan het creëren van zijn slonzige imago; de vaalste T-shirts in zijn kledingkast zijn gereserveerd voor zijn televisieoptredens. Waar andere televisiepresentatoren zich laten schminken om zichzelf aantrekkelijker te maken, laat Van Gogh zijn wallen juist extra donker aanzetten. Op televisie paft hij in een uur een pakje weg, terwijl hij op bezoek bij vrienden regelmatig maar één sigaret rookt. ‘Épater les bourgeois, dat was zijn hoofdtaak in het leven,’ zegt Maarten van Rossem. ‘Hij vond het heerlijk om mensen in de gordijnen te jagen. Dat kwam omdat hij uit zo’n keurige, hoogburgerlijke familie kwam. In zijn wereldbeeld zat paranoia. Ik zei vaak genoeg: die politieke opvattingen van jou zijn totaal gestoord. Er ís geen samenzwering van de elite tegen jan en alleman. Dat bestáát helemaal niet, daar zijn ze veel te stom voor. Maar hij vond het interessanter als er wél een samenzwering was.’

In het persoonlijke contact is Theo van Gogh buitengewoon beminnelijk, hartelijk en genereus, benadrukken zijn vrienden. ‘Als je met een gezelschap met hem ging eten, dienden de flessen dure wijn al ontkurkt op tafel te staan,’ zegt Gijs van de Westelaken. ‘Op zijn rekening uiteraard. En ze dienden ook op te gaan, minimaal een fles per persoon.’ Dat betekende niet dat Van Gogh rijk was, zegt Van de Westelaken. ‘Het geld was altijd meer dan op. Hij had alleen een heel goede regeling bij de bank. Hij zorgde er zorgvuldig voor dat de twee dames van de Rabobank elke maand in de bloemetjes werden gezet. Letterlijk.’

Niemand is guller dan Theo van Gogh, merkt ook Maarten van Rossem. De vriendschap tussen hem en Van Gogh is warm en hartelijk en wordt geschraagd door uitbundige eet- en drinkpartijen. ‘Theo pakte altijd fors uit. Als we in Utrecht gingen eten, stond er al een uur een taxi te wachten die hem weer terug zou brengen naar Amsterdam. En dan kwam de ene topwijn na de andere op tafel. Op zeker moment dronk hij zelf niet meer. Dan verwachtte hij dat jij erbij dronk wat hij vroeger gedronken zou hebben. Lege flessen mochten ook niet verwijderd worden. Hij vond het mooi als ze op tafel bleven staan, als een tableau van decadentie en alcoholische verwording.’

Liefdevol

Cabaretier Eric van Sauers speelt in 1998 voor het eerst een programma in De Kleine Komedie. Hij is van tevoren nogal gespannen vanwege de vraag of dat theater wel vol zal komen. Dat vertelt hij ook aan Van Gogh, die Van Sauers nog kent uit de tijd dat hij op zaterdag bijverdiende in een coffeecorner. Kort daarna wordt Van Sauers gebeld door de kassa van het theater. Er heeft zich daar een dikke man gemeld die vijftig kaarten wil kopen. Omdat het theater een maximum van twintig kaarten hanteert, is het antwoord ‘nee’. Nadat die dikke een enorme scène geschopt heeft, gaat hij toch met vijftig kaarten naar huis. ‘Zo probeerde hij je te steunen,’ zegt Van Sauers, met een brede glimlach. Al belt Van Gogh wel de nacht voor de eerste voorstelling op. ‘”Eric, ik heb vijftig kaarten weggegeven aan mijn vrienden. Denk erom, Jan Mulder zit straks in de zaal en Theodor Holman. Doe je wel een beetje je best?” Dat maakte de spanning er niet echt minder op. Maar ze zaten er de volgende dag ook niet, hoor. Dat vond ik eigenlijk een enorme opluchting.’ Van Sauers speelt in datzelfde jaar in Van Goghs film De Pijnbank. Drie weken filmen ze in Rotterdam. ‘We zaten daar met zijn allen in een prima hotel. Maar Theo vond dat hotel niks. “Kom op, we gaan naar het Hilton.” Dat legde hij dan voor de hele ploeg bij uit eigen zak.’

Van Gogh is volgens zijn vrienden onbetwist op zijn prettigst als hij films maakt. ‘De sfeer op een filmset was bij Theo altijd buitengewoon,’ herinnert producent Gijs van de Westelaken zich. ‘Met vrienden en bekenden maandenlang samen iets maken, dat vond hij veruit het leukste dat er was.’ Iedereen op de set weet zich ten volle verzekerd van zijn aandacht, ook de dames van de catering. Scenarioschrijver Justus van Oel: ‘Ik weet nog dat hij draaide voor De Pijnbank. Er was door de catering pasta gekookt. Theo legde midden in een scène de opname stil. Anders zou de pasta pap worden en dat kon hij die vrouwen niet aandoen. Dat was heel liefdevol van hem. In die filmwereld voelde hij zich veilig. Het ging Theo om het bouwen van dat gezin waarvan hij de absolute vader was. Dáár was het goed. Maar ja, hoeveel draaidagen heeft een mens in zijn leven?’

De meeste films van Van Gogh komen voort uit opwellingen. Hij stormt regelmatig thuis bij actrice Renée Fokker en cameraman Tom Erisman binnen, jubelend als een jarig jongetje: ‘We gaan een film maken!’ ‘Dat werd vervolgens in een paar weken geregeld,’ vertelt Erisman. ‘Waar de voorbereidingen bij een andere regisseur soms meer dan een jaar duren, had Theo de zaken pijlsnel voor elkaar. De film zelf werd ook in hooguit tien dagen gedraaid.’ Zo beslaat het hele productieproces van Blind Date amper zes weken, van scenario tot en met de eindmontage. Dat is tevens zijn grote manco, merkt scenarioschrijver Tomas Ross. ‘Hij had zo’n ontzettende haast. Als ik hem mijn plan vertelde, riep hij bijna al: “Draaien, draaien.” Scripts kon hij ook niet goed lezen. Hij belde midden in de nacht op: “Lisa? Wie is Lisa?” Dat was dus de hoofdpersoon.’

Die haast is vaak ook tijdens het draaien voelbaar, zegt Renée Fokker. ‘Hij kon gewoon niet wáchten. Dan riep-ie al: “Actie.” Terwijl je dacht: Theo, wacht nog even, de camera staat nog niet goed en de lampen zijn nog niet klaar.’ Filmmaken was zijn grootste plezier, beaamt Tom Erisman. ‘Hij had het gevoel dat hij dan pas bestond. Daarbuiten liep hij maar rond met zijn plastic tasje.’

Wie de films van Theo van Gogh analyseert, wordt vooral getroffen door het inktzwarte mensbeeld dat eruit oprijst. Tomas Ross: ‘Het gaat altijd over de mislukkende liefde; tussen man en vrouw, tussen kind en moeder, tussen vader en zoon. Hij belde mij wel eens woedend op: “Waarom heb ik steeds maar zesduizend bezoekers?” Ja Theo, je zou eens een happy end moeten overwegen, riep ik dan. Iedereen moest altijd naar de verdommenis.’

Beter dan Ischa Meijer

Tekstschrijver Justus van Oel komt rond 1990 met Van Gogh in contact. Van Oel maakt in die dagen deel uit van de cabaretgroep Zak & As. Van Gogh heeft gehoord dat Van Oel in de voorstelling zo’n mooi fel lied zingt over de islam. ‘Voor hem ben ik sindsdien altijd de man gebleven van dat boze islamlied.’

Tien jaar nadien vraagt Van Gogh Van Oel om een script te schrijven voor een televisieserie, waarin een Haags meisje een onmogelijke relatie krijgt met een Marokkaanse jongen. En graag net zo fel van toon als dat liedje over de islam. ‘Maar ja, mijn inzicht was sindsdien wel wat verder ontwikkeld dan ten tijde van die voorstelling.’ Van Oel schrijft daadwerkelijk een scenario, en Najib & Julia wordt vervolgens door Van Gogh verfilmd. Over de laatste aflevering krijgen filmer en scenarist hoogoplopende ruzie.

‘Ik wilde in de laatste scène een verzoening. Daar was Theo razend over. Hij zei: “Dat verdom ik, dat doe ik niet.” Het mocht bij hem gewoon niet goed komen.’

Die opvatting – ‘het was niet goed, het is niet goed en het komt ook nooit meer goed’ – heeft Van Goghs filmoeuvre ernstig getekend, zegt Van Oel. ‘In het begin vond ik het bijzonder dat hij zo zijn eigen gang ging. Een dagje naar het strand vond ik een fantastische film. Maar later zat er geen ontwikkeling meer in. Voor Theo was de kunst die hij maakte vooral een manier om vorm te geven aan zijn eigen woede en gekwetstheid. Je ziet bij Theo voortdurend figuren die anderen ruimhartig laten delen in hun eigen pijn.’

‘Zo kéék Theo nou eenmaal naar mensen,’ zegt Gijs van de Westelaken. ‘Hij was gefascineerd door geluk, snapte absoluut niet hoe dat werkte. Daar kon hij ook in zijn interviews heel gedetailleerd naar vragen: hoe leid jij nou je dagelijks leven, met vrouw en kinderen? Hoe gáát dat dan, boodschappen doen? De simpele dingen van het leven snapte hij niet. Kort voor de moord waren we samen op een filmfestival in Kopenhagen. Toen we ’s morgens het hotel uit liepen, zag ik dat Theo’s spijkerbroek gescheurd was. Hij had niets anders bij zich, alleen een plastic tasje met zijn telefoon en zijn tandenborstel. “Wat moet ik nou doen?” vroeg hij paniekerig. Nou gewoon, zei ik, een broek kopen. “Dat kán niet.” Tuurlijk wel, zei ik, we gaan gewoon naar een winkel. “Ja, maar dan moet ik een broek pássen!” Theo droeg nooit onderbroeken, dus dat stond hem waarschijnlijk tegen. Ik zei: dan kopen we toch eerst een onderbroek? Zo’n simpele oplossing, daar kon hij zelf niet op komen. Uiteindelijk hebben we een beige ribbroek voor hem gevonden. En blij dat-ie ermee was…’

Justus van Oel: ‘Over de doodnormale dingen des levens kon hij zich als een kind verbazen. Daarom was de interviewer Van Gogh absoluut briljant. Beter dan Ischa Meijer. Theo kon zichzelf in zijn interviews volkomen vergeten en als een kip naar het onweer kijken. Dan zag je een totaal andere man dan bij zijn films. Theo heeft in zijn films voortdurend zichzelf geschapen. Dat kind dat alleen gelaten wordt in Een dagje naar het strand, dat was Theo. In Luger zit die scène met poesjes in de wasmachine. Nou, een psychiater zou daar wel raad mee weten. Je eigen zachtheid om zeep helpen, alles vernietigen wat lief is. Zijn eigen leed heeft zijn werk zeer overschaduwd. Terwijl je daar als het goed is juist los van moet komen. De beste films over de hel worden gemaakt door hen die er niet meer wonen. Hij woonde er nog steeds. Op zoek naar de vernietiging; af en toe een shotje, een snuifje, heel veel drank. En later die oorlog met de multiculturele medeburger. Er zat veel zelfdestructie in Theo.’

Zwervend bestaan

‘Ik heb er heel vaak over nagedacht waarom ik zo’n onwaarschijnlijke agressie in mij heb,’ zegt Van Gogh in 1991 in HP/De Tijd. ‘Mijn moeder heeft wel eens geroepen: “Je was ontzettend depressief.” Vroeger vond ik het leven inderdaad onmogelijk, daar komt het uit voort. Ik zag er geen gat in. Ik zag mezelf echt niet nog veertig jaar vrolijk rondstappen. Ik dacht altijd dat ik voor mijn dertigste dood zou zijn.’

Er verandert veel als in augustus 1991 zijn zoon Lieuwe wordt geboren. Vanaf dat moment neemt Van Gogh zich voor om er nog zo lang mogelijk te zijn voor zijn zoon, ‘minimaal tot Lieuwe achttien is’. Tot dan toe heeft hij een zwervend bestaan geleid, van dame naar dame hobbelend, zijn belangrijkste bezittingen met zich meeslepend in een plastic zak. Maar vanwege Lieuwe besluit hij om een huis in de Pythagorasstraat te betrekken, in de buurt van zijn zoon en diens moeder. Op die etage met felgroen geverfde muren heerst wanorde. Hij heeft een werkster, maar die kan onmogelijk in haar eentje orde scheppen in de chaos. Vriendin Santje Pander, die hij nog kent uit Wassenaar, komt een avond per week langs en ruimt dan en passant nog wat op. Bovendien knipt ze op gezette tijden zijn teennagels.

Voor Pander is hij ‘een rots in de branding’. ‘Er was eigenlijk niemand die ik zo vertrouwde als Theo. Die man was zo trouw, zo genereus. Als je ook zag hoe hij zijn best deed voor zijn zoon. Voor Lieuwe deed hij alles. Op de dagen dat Lieuwe bij hem was, ging Lieuwe voor. Dan stond Theo vrolijk om zes uur op om met hem naar waterpolo te gaan, of naar een pretpark. Zijn andere leven, met drank en vrouwen, hield hij totaal van Lieuwe gescheiden.’

Weerwolf

Van Gogh leidt een hectisch leven. Hij slaapt hooguit vier uur per nacht. De rest van de nachtelijke uren gaan op aan het schrijven van columns en brieven aan mensen met wie hij een appeltje te schillen heeft. Juist op die maanverlichte momenten ontwaakt de weerwolf in hem en wijkt de vriendelijkheid van de interviewer voor blinde haat.

Dat ondervinden Van Goghs cameraman Tom Erisman en actrice Renée Fokker aan den lijve. De cineast heeft er sowieso al grote bezwaren tegen dat zijn vaste cameraman en zijn favoriete hoofdrolspeelster samen een relatie krijgen. Uit nijd staat hij Renée Fokker een jaar lang niet te woord. ‘Als hij opbelde, zei hij koeltjes: “U spreekt met de jongeheer Van Gogh, is de heer Erisman thuis?’. Daar kunnen Fokker en Erisman best nog om lachen. Maar het contact tussen Erisman en Van Gogh verslechtert steeds meer. De verfilming van De Pijnbank (uit 1998) verloopt stroef, omdat Erisman laat blijken dat hij twijfelt aan de kracht van het scenario. Tijdens Baby Blue (uit 2001) barst de bom definitief. ‘Veel scènes liet Theo aan mij over. Hij bemoeide zich vooral met close-ups van zijn acteurs. Maar ja, met close-ups alleen bouw je geen film. Geen punt, ik zorgde dat die andere shots er toch kwamen. Dat deden we al jaren zo. Op zeker moment kwam de pers op de set en begon Theo opzichtig de regisseur te spelen. Alsof hij volledig in charge was. Dat stak mij.’

De film wordt gedraaid op Curaçao. Aan het eind van de draaiperiode – vlak voordat de crew terug zal keren naar Nederland – waarschuwt de douane de filmproducent; er zijn op Schiphol filmblikken van Baby Blue aangetroffen, niet gevuld met celluloid maar met cocaïne. ‘Dat materiaal was blijkbaar weg. Er zou dus opnieuw gedraaid moeten worden. De productiemaatschappij verzocht mij dringend om niets tegen Theo te zeggen. Ik heb mijn mond gehouden. Dat heeft Theo mij later kwalijk genomen.’

Vanaf dat moment komen Van Goghs scheldbrieven. Eerst krijgt Erisman te horen wat een slecht mens en waardeloze cameraman hij is, daarna ontvangt ook Fokker venijnige post. Die brieven bewaren ze sindsdien in de map Grappige Documenten. Wanneer Renée Fokker daar nu in grasduint, moet ze vooral lachen: ‘Kijk, hier schrijft hij bijvoorbeeld: “Ik kan je niet zeggen hoe dankbaar ik nog iedere dag ben om nooit meer iets van Tom of jou te hoeven aanhoren.”‘ Ook Erismans dochter, werkzaam bij Van Gogh op de set, ontvangt een brief. Zij is door het conflict met haar vader niet langer welkom. Één brief aan Fokker is dermate schofferend dat ze besluit hem diep weg te stoppen. Ze wil er maar liever niet meer aan denken. Totdat ze kort daarna op het Utrechts filmfestival overal om zich heen ogen voelt prikken. ‘Ik dacht: wat kijken mensen raar naar mij. Totdat er een casting director op mij afkwam: “Vervelend hè, van die brief.” Ik zei: hé, hoe weet jij dat? Bleek Theo die niet alleen aan mij gestuurd te hebben, maar aan ongeveer iedereen die mijn carrière zou kunnen schaden: casting directors, regisseurs en producenten. Ik kon het bijna niet geloven.’

Producent Gijs van de Westelaken: ‘Theo begreep heel vaak niet dat hij te ver ging. We hebben voor Veronica een serie gemaakt: Theo onder dak. Daarin zat een aflevering waarin hij gruwelijke dingen insprak op de voicemail van Caroline Tensen: “Ik zal een brandende poppenwagen je kut in laten rijden.” Waarop ik zei: Theo, dit gaat wel érg ver. Hij reageerde verbaasd: “Maar dat is Réve!” Hij begreep niet dat iemand dat schokkend vond.’

Minister van Cultuur

Thom Hoffman krijgt halverwege de jaren tachtig ruzie met Van Gogh over geld dat hij hem geleend heeft. Vanaf dat moment noemt de filmer Hoffman steevast ‘SS’er’. Hoffman ontvangt een scherpe brief van Van Gogh waarin die hem officieel de vriendschap opzegt. Het geld krijgt hij retour; in een emmer vol dubbeltjes en kwartjes waaroverheen de cineast uitvoerig heeft geürineerd. ‘Het was net in de periode dat hij even niet dronk. Ik schreef hem: “Theo, drink toch maar weer een borreltje, want dan ben je een stuk beter te harden.” In de vijfde brief die hij mij schreef, stond: “Pas maar op, anders krijg je een fietsketting over je gezicht.” In die tijd was ik echt bang voor hem. Omdat Theo zo gruwelijk gestorven is, mag je dat allemaal niet meer zeggen. Hij is nu opeens een baken van beschaving en vrije meningsuiting. Maar wat Theo deed, had niets met de Verlichting te maken. Als Theo Voltaire was, dan ben ik Rembrandt. Wat heeft Theo ons nou eigenlijk opgeleverd? Tel al die films bij elkaar op en trek de polemieken ervan af. Wat blijft er dan over? Een paranoïde egotrip. Hermans en Reve beledigden ook, maar wél vanuit een coherent wereldbeeld. Theo dacht vooral vanuit haatzucht, destructiedrang en paranoia.’

De columns van Van Gogh gaan vanaf eind jaren negentig steeds vaker over de islam. Van Gogh signaleert ‘een vijfde colonne van geitenneukers’, die erop uit is de westerse waarden volledig te ondergraven. Hij ondervindt zelf agressie op het schoolplein van zijn zoon, zegt Josien van Gogh. ‘Hij had natuurlijk weer eens een vervelend stukje geschreven, over vrouwenbesnijdenis. Toen hij Lieuwe kwam ophalen, merkte hij dat een aantal moslima’s naar hem sisten.’

Haar broer was beslist niet tegen de islam, benadrukt ze. ‘Hij keerde zich alleen tegen het fundamentalisme.’ Juist dat bindt hem met Pim Fortuyn, met wie Van Gogh hecht bevriend raakt. De waardering is geheel wederzijds: volgens Van Gogh vraagt de politicus hem zelfs om minister van Cultuur te worden in het eerste kabinet-Fortuyn. Maar Fortuyn wordt vast vermoord, schrijft Van Gogh in maart 2002. Twee maanden nadien valt Fortuyn inderdaad onder moordenaarshand. Van Gogh noteert: ‘Wat zal er gisteravond opgelucht adem zijn gehaald door de heren en wat zal de champagne goed hebben gesmaakt. Het zoet van de overwinning – ook al omdat de gek van de aanslag Goddank geen Marokkaan was – redt vele carrières.’

Zijn standpunten over de islam verharden de jaren daarna nog verder. ‘Ik zie hoe de islam gaat winnen,’ zegt hij in Opzij. ‘Het is een soort nachtmerrie. ’t Is Hitler-Duitsland 1938, je kijkt ernaar en kunt er niks aan doen.’

Bespuugd op straat

In 2003 maakt Van Gogh de film Cool!, met in de hoofdrol Marokkaanse jongens van de Glen Mills-school. Van Gogh is de jongens persoonlijk gaan casten, vertelt Theodor Holman. ‘Ze kenden Theo niet. We hebben ze in het kort verteld wat zijn standpunten over de islam waren. Theo zei: “Ik zie jullie geloof totaal niet zitten, maar van mij mag je best tien keer per dag bidden op de set.” Niemand, niémand die agressief tegen hem deed. Ze bewonderden hem juist erg, want hij gaf hun door hun rol uitzicht op een toekomst.’

Tomas Ross: ‘Hij was in elk geval nooit bang voor zijn eigen hachje. Ik heb met hem door de stad gelopen terwijl hij bespuugd werd door Marokkaanse jongens. Zei hij gewoon: “Pythagorasstraat 133. Kom maar langs.” Dan dacht ik: mán, je hebt een kind thuis…’

Toch bespeurt Gijs van de Westelaken soms enige paniek bij Van Gogh. De filmer belt zijn producent vlak nadat hij in debat is geweest met Abou Yahyah, in aanwezigheid van honderden Marokkaanse jongeren. ‘Hij riep een paar keer: “Ik ga gewoon op de fiets naar huis.” Terwijl ik dat helemaal niet gevraagd had. Daarop zei ik: “Theo, pak dan een taxi.” Maar hij is toch op de fiets naar huis gegaan.’

Eind augustus 2004 is Ayaan Hirsi Ali te gast in Zomergasten. Ter gelegenheid van dat programma wil ze een korte film maken over de positie van vrouwen binnen de islam, samen met Theo van Gogh. Presentator Joost Zwagerman is niet erg geporteerd van dat initiatief. ‘Ik vond het geen goed idee dat een gast eigen werk uitzond. Dat druist in tegen de formule. Ik denk achteraf dat Theo niet helemaal besefte wat hij deed. Hij mocht Ayaan graag, wilde haar helpen. Hij herkende zich in haar van oorsprong links-liberale standpunten. Over de implicaties heeft hij misschien te weinig nagedacht.’

De uitzending van Submission gaat door. De volgende dag moet Van Gogh filmen in Den Haag. Hij is gespannen, merkt zijn zus Josien. ‘Theo kneep hem toch wel. Hij was behoorlijk opgelucht dat het na de uitzending rustig bleef.’

‘Genade, genade!’

‘Soms peins ik hoe ’t is om dood te gaan,’ schrijft Van Gogh twee jaar voor de moord in zijn column. ‘Ik vermoed dat ’t wel meevalt, met de paniek bedoel ik, al ben ik typisch iemand die in het zicht van de Eeuwige haven heel laf nog even katholiek wil worden en zich wil verzoenen met zijn bitterste vijandin. Hoe vaak brengt de dood het mooiste in een mens boven?

Het enige wat ik hoop is dat ik niet in tranen uit zal barsten als de fatale seconde nadert, althans dat deze stervende niet jankend om erbarmen zal vragen.’

Eigenlijk is Van Goghs gruwelijke finale een einde geworden uit een Theo van Gogh-film, zegt Theodor Holman. ‘Dit scenario was helemaal Theo. In zijn inktzwarte mensbeeld moest het altijd tot moord of zelfmoord – en liefst allebei – leiden. Een “dubbeldooier” noemde hij dat. Wat mij het meest dwarszit, zijn die laatste seconden. Theo heeft “genade, genade!” geroepen. Als je dan toch doorgaat, pleeg je geen religieuze moord, maar een politieke moord.’

Joost Zwagerman heeft na de aanslag nog heel lang lopen piekeren. ‘Als ik eerlijk ben, had ik achteraf spijt van het uitzenden van Submission. Die film is speciaal voor Zomergasten gemaakt. Ik dacht: wat nou als dat niet was gebeurd? Had Theo dan nog geleefd? Het beeld is voor beledigden nou eenmaal veel sterker dan het woord. Na de verklaringen van Mohammed B. verdween het weer een beetje. Maar ik heb de Linnaeusstraat vrij lang gemeden. De eerste tijd nadien wilde ik zelfs de brug over de Amstel liever niet over.’

‘Over de doden niets dan goeds. Dat is een stelregel waar Theo van Gogh zich nooit aan gehouden heeft en ik denk dat ik hem zou beledigen als ik nu aardige praatjes over hem hield,’ schrijft Remco Campert, daags na de moord. ‘Jaren geleden waren de Joden zijn slachtoffer. Ik vind dat iemand die toen schreef “wat ruikt het hier naar caramel… vandaag verbranden ze alleen suikerzieke joden” niet als een held van de vrije meningsuiting de geschiedenis in moet gaan.’ Een uitmuntende column, vindt Jeroen Henneman nog altijd.

‘Theo werd na zijn dood opgehemeld, precies vanwege het aspect dat mij niet aan hem beviel. Het vrije woord kun je via de wet vastleggen. Maar er is ook nog zoiets als fatsoen, kennis van zaken en begrip voor wat woorden kunnen uitrichten. Dat had Theo allemaal niet.’

Hoe Van Gogh dan wel de geschiedenis in moet gaan? Henneman: ‘Hij gaat vooral mijn eigen geschiedenis in. Als een heel aandoenlijk iemand.’

Van Goghs werk

1957geboren in Den Haag

1977doet auditie voor de Filmacademie en wordt afgewezen

1982speelfilmdebuut Luger. Maakt daarna vele andere films, waaronder Een dagje naar het strand (1984), Terug naar Oegstgeest (1987), Blind date (1996) en Interview (2003) schrijft vanaf 1984 columns voor o.a. Propria Cures, Het Parool, Panorama, Nieuwe Revu en HP/De Tijd

1989-1997maakt interviewreeks Een prettig gesprek

Maakt tussen 1991 en 2001 andere tv-programma’s, waaronder De hunkering (1997) en Theo onder dak (2001). Regisseert voor AT5 o.a. De woestijn leeft

2004première van film Cool

2004Van Gogh wordt vermoord, later dat jaar gaat 06-05 in première

2007Amerikaanse remake van Interview

2008Amerikaanse remake van Blind date

Op zondag 25 oktober zendt de KRO in ‘Profiel’ een portret uit van Theo van Gogh