Interview John Körmeling
John Körmeling kan een tevreden grijns maar moeilijk onderdrukken. De kunstenaar staat in de Shanghainese lentezon en wijst omhoog. Daar, hoog aan de gevel van het door hem ontworpen Nederlandse paviljoen op de Shanghai Expo, hangt een blauw bord met een rode gekantelde acht die verwijst naar de vorm van het gebouw. Daaronder staat in grote letters de naam: ‘HAPPY STREET’.
Körmeling – blauwe overall, rode kop, witte helm – zegt: ‘Die lichtbak hangt er nog maar net. Kijk, de randen moeten nog bijgeverfd worden.’
Lang bleef onzeker of dit bord ‘zijn’ paviljoen zou sieren. De EVD, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken, had hem in december verordonneerd het beeldmerk te wijzigen in een oranje tulp met de begeleidende tekst ‘Holland’. Razend was Körmeling. Hij had het even helemaal geschoten met zijn opdrachtgever.
‘Ik heb moeten leren gewoon rustig te blijven,’ zegt hij. ‘Dat helpt. Ik heb ze verteld dat het logo onderdeel is van mijn ontwerp dat ik gewoon volgens afspraak uitvoer.’ Hij laat zich een lachje ontglippen. ‘Bovendien, die Hollandse tulp is een commercieel logo om het Nederlandse bedrijfsleven te promoten. Dat soort billboards mogen volgens de Exporegels helemaal niet. Sorry, heb ik gezegd, ik kan daar ook niets aan veranderen.’
Tweehonderd nepschapen
Op 1 mei opent de Shanghai Expo 2010 haar deuren. Met 192 deelnemende landen en naar verwachting zeventig miljoen bezoekers is het de grootste wereldtentoonstelling in de 159-jarige geschiedenis van het evenement. Op het Expo-terrein aan beide oevers van de Huangpu-rivier is Happy Street straks ongetwijfeld een van de opvallendste gebouwen.
Het ontwerp laat zich het beste omschrijven als een rode straat die zich als een achtbaan op palen omhoog slingert. Daaraan liggen – of liever gezegd: hangen – achtentwintig huizen en gebouwen die een overzicht geven van de Nederlandse architectuur van de afgelopen eeuwen: de Cineac-bioscoop, de Van Nelle-fabriek, woningen van Rietveld, Van Doesburg en Van Eesteren, maar ook een Zaans huisje en een grachtenpand. Daartussen: een trapveldje, een benzinestation en een kopie van een biologische boerderij uit Vrouwenpolder – een ideetje van de vrouw van Körmeling. ‘Ze zei: leuk ontwerp, maar ik mis een boerderij. En zij heeft altijd gelijk.’
Bovenin eindigt de straat bij een kroon (of is het een lotusbloem?) die dienst zal doen als vipruimte. Körmeling kopieerde hem van de top van het Westin Hotel in Shanghai. Verschillende Chinese architecten gingen hem daarin voor: de kroon siert wolkenkrabbers door het hele land.
Vormen de gebouwen tezamen een tamelijk eclectisch geheel, de kleurstelling is strak doch ‘happy’: alle huizen zijn wit met zilveren daken en deuren. Daartussendoor draait de rode straat met oranje parasols zich omhoog tot aan de kanariegele kroon. Onder het paviljoen komt een groen kunstgrasveld met ‘happy sheep’ ontworpen door het Rotterdamse bureau ZUS: tweehonderd nepschapen waar bezoekers even op kunnen uitrusten terwijl ze genieten van een versnapering uit de nagebouwde baggerschuit, waar in neonletters op staat: ‘Koffie Worst IJs Friet Sap Cake’ – want Körmeling houdt van helderheid.
Drive-in reuzenrad
John Körmeling kreeg de opdracht het Nederlandse paviljoen te ontwerpen na een unanieme voordracht van de jury onder leiding van de toenmalige Rijksbouwmeester Mels Crouwel. Bij de opdrachtgever, het ministerie van Economische Zaken, leidde de keuze aanvankelijk tot gefronste wenkbrauwen.
De architect: ‘Daar werken mensen die een ander idee hebben over hoe een modern gebouw eruit moet zien.’
Vergoelijkend: ‘Ik moet zeggen dat het ook aan mijn inzending lag. De concurrenten hadden allemaal computeranimaties gemaakt en gelikte modellen opgestuurd. Ik had thuis zelf zitten solderen en van draad, aluminiumfolie en piepschuim een model gemaakt. Ik kan me voorstellen dat mensen dachten: wat krijgen we nu? Is dit iets van de kleuterschool of zo? Ik vond de keuze van de jury erg dapper.’ Hij laat een bulderende lach horen. ‘Gewoon fantastisch, eigenlijk!’
Veel van Körmelings ontwerpen werden nooit gerealiseerd. Ze leken te radicaal, te maf of misschien zelfs te simpel. Al spreekt de kunstenaar zelf liever van ’te goed’. Hij tekende een Zoo Avenue voor Toronto, een straat met woningen in de vorm van olifanten en giraffes. Hij stelde voor om het Amsterdamse Museumplein te veranderen in het breedste en kortste stuk snelweg van Nederland. En hij ontwierp een oprolbaar parkeertapijt als oplossing voor het parkeerprobleem.
Ooit maakte hij een metershoge neonreclame met de tekst ‘De negende van OMA’ voor een bejaardentehuis in Vlaardingen, ontworpen door het architectenbureau OMA van Rem Koolhaas. Dat leidde tot een rechtszaak die tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten. Körmeling voelt zich nog altijd onbegrepen: ‘Weet je wat het probleem was? De tekst “oma” zou kwetsend zijn voor oudere bewoners zonder kleinkinderen.’
Körmeling wordt omschreven als ‘een van Nederlands meest eigengereide kunstenaars’ (Trouw) met een voorliefde voor ‘simpele, desnoods banale ideeën’ (de Volkskrant) wiens werk ‘licht absurdistisch’ is en ‘altijd extreem anders, letterlijk tot op dat moment onvoorzien’ (juryrapport Wilhelmina-Ring).
Zijn gerealiseerde projecten geven blijk van een flinke dosis absurde humor die past bij dada-liefhebber Körmeling: een drive-in reuzenrad voor auto’s, of een bord met de tekst ‘gratis’ en een pijl naar rechts. Op een rotonde in Tilburg bouwde hij een draaiende doorzonwoning die met het verkeer ‘meerijdt’. Dat leidde tot kritiek van onder meer raadslid Hans Smolders, voormalig chauffeur van Pim Fortuyn: ‘We gaan een huis op een rotonde zetten, terwijl onze jeugd niet eens huizen kan kopen!’
Körmeling vermoedt dat Chinezen anders op zijn werk zullen reageren. ‘Een officiële delegatie uit de Tilburgse zusterstad Changzhou zag mijn draaiende huis. Ze wilden er meteen ook een hebben! In China kan niets over de top. In Nederland is het vaak andersom. Daar vinden mensen iets pas goed als anderen dat ook vinden. Heel veilig. In China zie ik meer gretigheid, ze zijn steeds op zoek naar iets nieuws.’
De voortekenen stemmen gunstig. Twee Chinese steden hebben al laten weten Happy Street na de wereldtentoonstelling te willen kopen. Körmeling: ‘De ene wil er een hotel van maken. De andere een pretpark voor kinderen. We zullen zien. In principe heb ik afgesproken het gebouw na de tentoonstelling gewoon af te breken.’
Stedenlinten
Terwijl hij tegen de balustrade leunt op een van de overhangende pleintjes die aan Happy Street hangen, vertelt Körmeling hoe zijn ontwerp is ontsproten aan het Expo-motto ‘Better City, Better Life’. Zijn ideale stad, zegt hij, begint bij een straat die alles heeft.
‘Je moet alles mixen, dan blijft het in beweging. Aan Happy Street liggen woningen, fabrieken, een boerderij, een garage, een benzinestation, een bioscoop en winkels. Hier in Shanghai bestaan nog van dat soort straten, bewoners gebruiken ze als verlenging van hun huis. Ze zitten gewoon op de stoep te lassen. Fantastisch! Stel je voor dat ik dat thuis in Eindhoven zou doen. Ik zou zo mijn huis in worden geslagen!’
Körmeling heeft een gloeiende hekel aan stadsplanners die de stad opdelen in woonwijken, bedrijventerreinen en winkelcentra. ‘Dat is een fundamentele fout. Buurten zijn daardoor ofwel overdag ofwel ’s avonds volledig uitgestorven.’
Een dodelijke saaiheid, noemt hij het. Met straten die steeds verder worden geprivatiseerd. ‘Als je zomaar met je auto gaat rondrijden in een willekeurige buurt, zouden de bewoners het liefst zeggen: wat doe jij hier, je hoort hier niet. Dat hele idee van eigen buurten en wijken vind ik verschrikkelijk. Al die grenzen! En dan heb je ook nog je eigen stad en tenslotte je eigen land. Het is een achterhaald concept, iedereen die maar zit te vechten voor zijn identiteit.’
Körmeling houdt zich al jarenlang met het thema bezig. Hij ziet meer in lineaire steden: snelwegen met daarnaast lintbebouwing. Zoals in een Amerikaans Wild West town. ‘Een straat in het midden en de bank, de saloon en de huizen ernaast. Alleen dan met snelwegen. Ja, wordt er dan gezegd, maar een brede snelweg kan niet midden in de stad. Waarom eigenlijk niet? Honderd kilometer per uur, waarom is dat te snel? Dat is alleen maar perceptie.’
De kunstenaar ontwierp eerder al de socialized highway: een snelweg van twee keer acht rijbanen voor alle verkeersdeelnemers: de snelste in het midden en de langzaamste aan de zijkant, met daarnaast bebouwing. Afslagen zijn overbodig. Je kunt toch gewoon overal aan de kant stoppen? Happy Street is zo’n lineaire stad in het klein, met een straat in het midden en de gebouwen daarnaast.
Körmeling gelooft dat een deel van zijn ideeën vanzelf werkelijkheid zal worden. ‘Steden worden zo groot dat ze gaan samenklonteren. Je krijgt vanzelf stedenlinten, uiteindelijk misschien wel van Shanghai tot in Nederland. Dan woont iedereen in één grote stad. Probeer dan nog maar eens grenzen te trekken.’
Dat het platteland buiten de steden zal leeglopen, lijkt hem trouwens onvermijdelijk. Toen Almelo hem vroeg wat te doen aan de slinkende bevolking, adviseerde Körmeling om de gemeente te veranderen in een spookstad. ‘Echt! Daar moet je niet allemaal energie in stoppen om het in leven te houden.’
Te saai voor moeders
Happy Street is het gezamenlijke bouwwerk van Körmeling en constructeur Rijk Blok. ‘Ik werk altijd met Rijk samen. Hij is iemand die durft. Toen ik met het eerste ontwerp kwam, zei hij: ik zal eens kijken wat we de mogelijkheden zijn. Veel andere constructeurs zouden meteen zeggen: nee John, wat je nu hebt bedacht, dat kan echt niet.’
Het Eindhovense tweetal, door sommigen grappend ‘Johnny en Rijk’ gedoopt, ontwierp niet alleen de vorm en de zwaartekracht tartende constructie van Happy Street, maar sloot ook eigenhandig de contracten met de Shanghainese Tongji-universiteit en schreef een tender uit om een Chinese aannemer te vinden. De twee vlogen de afgelopen twee jaar meermalen per maand naar Shanghai om zelf toezicht te houden op de vorderingen. ‘Vooraf hadden we niet gedacht dat we zo vaak zouden komen, maar het bleek toch nodig,’ zegt Körmeling.
Hoe verknocht de architect is aan zijn gebouw, blijkt wel als halverwege het gesprek een van de Chinese bouwvakkers op hem afstapt en hem een enorme hamer overhandigt. Körmeling steekt hem in de zak van zijn werkbroek. ‘Straks zelf nog even een klusje doen. Dat gaat toch sneller. Anders moet ik ze eerst gaan uitleggen wat ik precies bedoel.’
Ook de expositie in het paviljoen werd grotendeels door Körmeling zelf bedacht. Hij wil bezoekers van Happy Street de meest hoogstaande uitvindingen en beste kunstwerken van Nederland tonen. Een jurk van Viktor en Rolf naast een apparaat van ASML dat de kleinste chiplithografie ter wereld maakt. Een achttien ton wegende boorkop van baggeraar Boskalis naast de windauto van Oscar de Kiefte. En een waterzuiveringsinstallatie van Norit naast de zwevende steen van Wim T. Schippers. De lijst is lang: de verbeterde Nederlandse klomp, het toilet zonder riolering, een telescoop die door de wolken heenkijkt.
Zozeer trok Körmeling het project Happy Street naar zich toe, dat hij tegen de grenzen aanliep. Eind december gaf hij een interview aan de GPD-bladen waarin hij zei dat de Nederlandse inbreng op de Wereldtentoonstelling dreigde te verwateren ‘van innovatie op het scherp van de snede’ tot enkel ‘Nijntje en draaiorgels’. De Nederlandse overheid zou een streep hebben gezet door een aantal van zijn voorstellen ‘omdat het te saai zou zijn voor moeders met kinderen.’
Die houding van de overheid, zegt Körmeling, heeft ertoe geleid dat een aantal partijen is afgehaakt die hij er graag bij had gehad: de universiteit Wageningen, Kema en Orgaworld, een producent van biovergisters. ‘Zij kunnen van organisch afval stroom en landbouwkorrels maken. Dat leek me geweldig: dan doe je er gebruikte bejaardenluiers in en dan gaan de lampen branden. Zij hadden een toezegging gekregen, maar die is ingetrokken. Ja, ik vind dat ze zijn genaaid.’
Maar eerlijk is eerlijk, zegt Körmeling ook: ‘We hebben behoorlijk de vrije hand gehad. We hebben bijna alles mogen doen wat we wilden. Dat was fantastisch.’ Hij heeft er inmiddels geen meer zin in om nog ‘stennis te schoppen’. De architect: ‘Als het paviljoen officieel wordt geopend, geef ik gewoon iedereen een hand.’
En dan?
‘Dan ga ik hier staan als een soort Lambik die zegt: vertel me nog eens hoe mooi of het is.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.