Managers stemmen vaker dan bouwvakkers, leerde Max van Weezel tijdens zijn studie. Maar na woensdag kunnen al die analyses, prognoses en theorieën de prullenmand in.

Ik was er al bang voor. Sinds het referendum van woensdag kan ik het grootste deel van mijn studieboeken politieke en sociale wetenschappen weggooien. Al mijn leermeesters hielden me destijds voor dat er bij verkiezingen ijzeren wetten bestaan: ouderen komen vaker bij het stemlokaal opdagen dan jongeren, de white collar workers (managers en kantoorklerken) zijn meer in politiek geïnteresseerd dan de blue collar workers (bouwvakkers en metaalarbeiders), de opkomst onder academisch geschoolden valt hoger uit dan die onder abituriënten van het ROC en het VMBO.

Nou, dan moet je de Nederlanders een keer naar hun mening over het associatieverdrag met Oekraïne vragen! Dan kunnen al die analyses, prognoses en theorieën de prullenmand in.

Eind vorig jaar peilden Martin Rosema, Peter Kanne en Laurens Klein Kranenburg de stemming in het land over het Oekraïne-referendum. Verrassende uitkomst: niet de intellectuelen stonden te trappelen om aan de volksraadpleging deel te nemen, maar de lager en middelbaar opgeleiden. ‘Dat heeft te maken met het feit dat lager opgeleiden negatiever oordelen over Europese integratie,’ volgens de onderzoekers. Iets dergelijks had zich bij het referendum over de Europese grondwet in 2005 voorgedaan. Kosmopolitische aanhangers van GroenLinks en D66 stemden toen vóór, de gewone man was tegen. Vooral omdat hij dacht dat meer bevoegdheden voor Brussel ook meer Poolse bouwvakkers en Bulgaarse vrachtwagenchauffeurs tot gevolg zou hebben. ‘Het zijn de lager opgeleiden die door goedkope arbeidskrachten uit Oost-Europa hun positie op de arbeidsmarkt in gevaar zien komen,’ concluderen Rosema, Kanne en Klein Kranenburg, ’terwijl hoger opgeleiden vaker positieve effecten van de toegenomen mobiliteit op de arbeidsmarkt en andere aspecten van de Europese eenwording ervaren.’

Het zat er vanaf het begin dus niet in dat het associatieverdrag met Oekraïne met gejuich zou worden ontvangen in de straten van Almere, Purmerend en Rotterdam-Zuid. De referendumcampagne viel de voorstanders van het verdrag rauw op het dak. Ze konden er nog zo vaak op hameren dat ‘het helemaal niet de bedoeling is dat het land lid van de EU wordt’ en ‘het niet klopt dat de arbeidsmarkt wordt opengesteld voor Oekraïners’. Veel geloof werd aan die mededelingen niet gehecht. Polen en Hongarije waren tot de EU toegelaten, waarom zou dat voor Oekraïne dan niet gelden?, was de reactie. Brussel had beloofd de corruptie in Bulgarije en Roemenië te bestrijden maar daar was ook nooit iets van terecht gekomen. Nou, dan!

Het was de afgelopen weken soms water naar de zee dragen, vertelde Kees Verhoeven, campagneleider van pro-associatieverdragspartij D66 me. ‘Het sentiment was: we zijn al zo vaak door de EU belazerd. Daar viel moeilijk tegen op te praten.’ Hans van Heijningen, zijn evenknie bij de SP, signaleerde de ochtend na het referendum ongeveer hetzelfde: ‘In het land bestaat weinig vertrouwen in de regering. Er heerst euroscepsis. Mensen zijn even boos over hun lullige flexbaantjes als over het verdrag met Oekraïne. Ze stemmen tegen of denken: zoek het maar uit! Opzouten, jullie!’

Heeft het ja-kamp gefaald? Kwam het kabinet te laat in actie om Thierry Baudet en Jan Roos van repliek te dienen? Rutte-II stelde zich op als generaal die probeerde de vorige oorlog te winnen, was de kritiek die achteraf in Den Haag viel te horen. Bij het referendum over de Europese grondwet was een dure overheidscampagne gevoerd die weinig had opgeleverd: meer dan zestig procent stemde tegen. Daarom was nu voor een low budgetcampagne gekozen. In 2005 hadden bewindslieden grote woorden gebruikt. Als de grondwet werd afgewezen zou het licht uitgaan, waarschuwde D66-minister Brinkhorst van Economische Zaken. Volgens zijn CDA-collega Donner dreigde er zelfs oorlog in Europa. Het had allemaal averechts uitgepakt. Dus gaf het kabinet nu de voorkeur aan een bescheiden tone of voice.

Van de politieke partijen voerden alleen PvdA, D66 en GroenLinks energiek campagne voor het jawoord aan Kiev. Het CDA, tegenstander van referenda, hield zich schuil. De VVD liet het campagne voeren vrijwel uitsluitend aan buitenlandwoordvoerder Han ten Broeke over. Kabinetsleden beklaagden zich over de media die meer in het matrozenpakje van Jan Roos dan in de inhoud van het associatieverdrag zouden zijn geïnteresseerd. Het had ministers als Koenders, Ploumen en Asscher de grootste moeite gekost om tot veel bekeken programma’s als RTL Late Night, Pauw en DWDD door te dringen. Het kabinet gaf de mediacratie de schuld van de nederlaag.

Interessanter dan zulke Haagse beslommeringen vind ik de politicologische en sociologische dimensie van de uitslag van het referendum. Nog maar een paar jaar geleden legden Mark Bovens en Anchrit Wille veel eer in met hun boek over de diplomademocratie waarin de doctorandussen het altijd winnen van de lager opgeleiden. Het Oekraïne-referendum was de wraak van de gewone man.