Chinees Bankieren / De volle kluizen van Peking

Het bankkantoor van de Industrial and Commercial Bank of China (ICBC) aan de Zhao Jia Bang Lu in Shanghai is altijd druk. Een bewaker bij de ingang informeert naar de reden van bezoek, overhandigt een nummertje en wijst vervolgens vriendelijk naar een van de twintig onverwoestbare metalen stoelen die in bioscoopformatie staan opgesteld voor de loketten.

Bankieren in China gaat gepaard met veel papierwerk. Achter het beveiligingsglas zitten de baliemedewerkers aan een rommelig bureau. Het merendeel van hun werktijd besteden ze aan het invullen of bestempelen van formulieren. Afschriften daarvan steken ze in een wandmeubel met wel dertig verschillende vakjes. Het geheel maakt een licht chaotische indruk.

Een eenvoudige handeling als het omzetten van girale euro’s naar Chinese renminbi (RMB) verloopt via twee loketten, drie formulieren en zeker vijf parafen en stempels. Het hele proces neemt ongeveer een halfuur in beslag.

Het overgrote deel van de klanten bij de ICBC komt geld opnemen of geld storten – de Chinese economie draait nog altijd voor het grootste deel op contant geld. Vervelende bijkomstigheid daarbij is dat het grootste bankbiljet in China slechts honderd RMB bedraagt; minder dan tien euro. Winkels en restaurants beschikken steevast over professionele geldtelmachines om de stroom biljetten aan te kunnen. Winkeliers moeten om de haverklap met dikke stapels naar hun bank om de inkomsten op een rekening te storten.

Hopeloos verouderd en inefficiënt. Zo beoordeelden de meeste westerse economen het Chinese bankwezen in de afgelopen decennia. Maar de Chinese banken mogen dan log en ouderwets zijn, in omvang laten ze hun Amerikaanse en Europese branchegenoten inmiddels grotendeels achter zich. Door assertief optreden hopen ze nu langzamerhand ook hun andere achterstanden in te lopen. Gemeten in beurswaarde is de ICBC de grootste bank ter wereld met een slordige 275 miljard dollar. Ter vergelijking: ABN Amro werd vorig jaar voor zeventig miljard euro opgekocht. De China Construction Bank en de Bank of China strijden onderling om plek vier en vijf op de ranglijst. Ze profiteren van de gekelderde beurswaarde van bijvoorbeeld de Amerikaanse Citigroup, die in de afgelopen maanden tuimelde van plaats één naar zeven.

Belabberd

‘Ik grap altijd met collega’s dat het niet komt doordat wij zo goed presteren, maar onze overzeese concurrenten zo slecht,’ zei ICBC-topman Jiang Jiangqin al in november. ‘Ons doel is helemaal niet de grootste bank ter wereld te zijn. We willen de best presterende worden.’

Wat dat betreft hebben Chinese banken nog een lange weg te gaan. Een van de redenen dat ze tot nu toe relatief ongeschonden door de kredietcrisis komen, is dat ze zich nog altijd voornamelijk toeleggen op zo’n beetje het meest basale bankproduct: geld van rekeninghouders uitlenen en rente vangen. Dat bespaarde ze de ellende van de kredietcrisis, maar levert ook niet veel op. Want in dat uitlenen presteerden Chinese banken tot voor kort niet bijster goed. Beter gezegd: ze deden het ronduit belabberd.

Maaike Steinebach, directeur van Fortis in Shanghai, spreekt over zogenoemde evergreens, leningen die nooit worden afbetaald. Ze vertelt over een zakenklant die bij Fortis in China aanklopte voor een lening. ‘Hij bleek nog een krediet te hebben uitstaan bij een Chinese bank. Toen we vroegen hoe dat zat, vertelde hij dat het ging om een heel oude lening. Niemand was ooit bij hem gekomen om dat geld terug te vragen. Hij had het maar zo gelaten, zei hij.’ Ze pauzeert. Dan: ‘Het gaat al een stuk beter in China, maar zoiets kun je je bij een westerse bank natuurlijk niet voorstellen.’

Onafgebouwde wolkenkrabbers

Tot voor kort waren alle Chinese banken volledig eigendom van de staat. Ze gedroegen zich meer als gelddrukmachine voor de Communistische Partij dan als instellingen met winstoogmerk. Projectontwikkelaars met de juiste contacten konden probleemloos grote sommen geld lenen voor het bouwen van fonkelnieuwe kantorenflats en appartementencomplexen, zonder aan te tonen dat daar vraag naar was. In een stad als Shanghai zijn de fysieke gevolgen van deze zogenoemde bad loans overal zichtbaar: onafgebouwde wolkenkrabbers en absurde hoeveelheden leegstaande appartementen – schattingen lopen uiteen van dertig tot vijftig procent van alle woningen. Hoewel Chinese banken wisten dat de leningen voor dergelijke projecten nooit zouden worden terugbetaald, lieten ze die jarenlang op hun balans staan.

In 1999 besloot de overheid tot een grote schoonmaak. Beijing maakte een bedrag ter waarde van zeventien procent van het bruto nationaal product van China over naar de banksector, dat zo de bad loans uit de boeken kon schrappen. Toen de banken daarna gewoon de oude praktijk hervatten, koos de overheid vanaf 2003 voor een andere aanpak. Een aantal grote banken kreeg nogmaals miljarden om de boeken op te schonen en werd vervolgens gedeeltelijk naar de beurs gebracht. Zo zouden buitenlandse investeerders met kennis van bankieren geld kunnen investeren in de Chinese banksector. Als aandeelhouders zouden ze bovendien toezien op de efficiëntie van de bank.

Die strategie pakte goed uit. Verschillende westerse banken hebben inmiddels een belang genomen in een Chinese soortgenoot. Ze kijken daarbij vooral verlekkerd naar de enorme Chinese consumentenmarkt, potentieel goed voor meer dan één miljard steeds rijker wordende klanten. Goldman Sachs becijferde dat in 2015 het aantal Chinezen met een jaarinkomen van hoger dan drieduizend dollar met een factor tien zal zijn gegroeid. Die doelgroep valt wellicht te interesseren voor een reeks producten die in China nog geen gemeengoed zijn – denk aan creditcards, verzekeringen en spaar- en beleggingshypotheken.

De Chinese banken hebben op hun beurt een ander belang: zij willen zo snel mogelijk de hand leggen op de uitgebreide kennis en expertise uit het Westen. Ze leren snel, vertelt Steinebach: ‘Inmiddels proberen Chinese banken het beste personeel bij elkaar weg te kopen en lopen de lonen in het topsegment steeds meer in de pas met de salarissen die westerse banken betalen. Ze worden allemaal veel professioneler.’

Oorlogskas

Sinds kort laten de Chinezen niet alleen buitenlands kapitaal toe in de eigen banken, maar zoeken ze ook het overnamepad. Het geld dat daarvoor nodig is, komt van de Chinese overheid. Die beschikt over een omvangrijke (en nog altijd groeiende) ‘oorlogskas’ vol buitenlandse tegoeden, inmiddels met een waarde van zo’n vijftienhonderd miljard euro. Hoe de overheid aan dat geld komt, valt het beste uit te leggen met een voorbeeld. Stel: een klant van de Kijkshop aan de Doelmanstraat in Alphen aan den Rijn koopt een Philips scheerapparaat. Hij rekent af in euro’s. Een klein deel van dat geld zal uiteindelijk terechtkomen bij de scheerapparatenfabriek van Philips in Zhuhai, Zuid-China. Om het personeel aldaar te kunnen uitbetalen, moet de fabriek de euro’s bij een lokaal bankkantoor omwisselen in Chinese renminbi. Die lokale bank, op zijn beurt, moet volgens strenge financiële regels het grootste deel van de verkregen euro’s inleveren bij China’s centrale bank in ruil voor renminbi. In de kluis van de centrale bank in Beijing stapelt zich zo een steeds grotere som buitenlandse valuta op.

Tot niet zo lang geleden kocht de Chinese overheid van dat geld vooral Amerikaanse staatsobligaties. Gezien de dalende dollarkoers is dat een steeds minder aantrekkelijke belegging. En dus is de Chinese overheid op zoek naar betere bestedingen. Ze investeert het geld rechtstreeks in de eigen banksector of via de China Investment Corporation, een zogenoemd sovereign wealth fund, een staatsfonds. Beide gebruiken het geld om aandelen te kopen in buitenlandse banken.

En dat wil aardig vlotten. In juli vorig jaar nam de China Development Bank een belang van drie procent in de Barclays Bank. De Chinese bank beloofde de Britten zelfs enkele miljarden extra te investeren mocht Barclays de overnamestrijd rondom ABN Amro winnen. In oktober verraste ICBC met de aankondiging dat ze twintig procent van de aandelen van de Zuid-Afrikaanse Standard Bank, de grootste financiële instelling van Afrika, ging kopen. De Chinese verzekeraar Ping An is met 4,99 procent van de aandelen inmiddels de grootste aandeelhouder van de Fortis Bank. Bovendien kocht Ping An begin april voor 2,15 miljard euro nog eens de helft van vermogensbeheerder Fortis Investments, dat voortaan door het leven zal gaan als Fortis Ping An Investments.

Amerikaanse zakenbank

In december kregen de Chinezen ook voet aan de grond in het bankwezen op Wall Street. In ruil voor bijna tien procent van de aandelen maakte de China Investment Corporation een bedrag van vijf miljard dollar over naar de in problemen geraakte Amerikaanse zakenbank Morgan Stanley. Deze investering levert vooralsnog weinig op, maar China heeft de centen om te wachten op het einde van de kredietcrisis, al duurt die nog jaren.

De nieuwsblog Bitsofnews.com schetste zijn Amerikaanse lezers een angstaanjagend toekomstbeeld. ‘In 2010 beheert het Chinese Sovereign Wealth Fund (…) genoeg om alle beursgenoteerde Amerikaanse bedrijven op te kopen (…) en nog wisselgeld over te houden.’

Dat scenario lijkt op zijn zachtst gezegd overdreven, zeker nu de investeringen van de Chinese staatsfondsen nog weinig rendement opleveren. Maar één ding is zeker: ouderwets en bureaucratisch of niet, met geld in overvloed zullen de Chinese banken zich steeds meer in het Westen in gaan kopen. Ook in Nederland.

De Nederlandse consument zal er weinig van merken, maar de Chinese rekeninghouders waarschijnlijk des te meer: beter internetbankieren, minder contant geld, nieuwe bankproducten. Met als gevolg hopelijk: kortere wachttijden en minder bureaucratische rompslomp. Voor de klanten van de ICBC aan de Zhao Jia Bang Lu in Shanghai lijkt dat geen overbodige luxe.