‘Ze noemen het de kelder van de weduwen,’ begon Marie Colvin haar reportage in The Sunday Times van 19 februari 2012. Het verhaal over vrouwen en kinderen in de belegerde wijk Baba Amr van de stad Homs was zo huiveringwekkend, dat ik het net als andere journalisten die Colvin en haar werk volgden zo veel mogelijk doorstuurde. Daarna vroeg ik me af wat iedereen die de reportage had gelezen zich natuurlijk afvroeg: hoe denkt ze daar nog levend weg te komen? Even was er opluchting toen het bericht circuleerde dat ze op veilig terrein was gearriveerd. Maar al snel maakte typische Colvin-humor korte metten met die geruststellende informatie: ‘I think the reports of my survival may have been exaggerated.’ Vervolgens berichtte Colvin prominent voor CNN, Channel 4 en de BBC.
Met haar ruim vijfentwintig jaar ervaring als journalist in brandhaarden was de 56-jarige Amerikaanse een diehard die zich tijdens haar werk niet snel liet emotioneren. Maar er klonk duidelijk woede in haar stem toen ze in een van de tv-interviews verklaarde: ‘Het is een aperte leugen dat ze het alleen op terroristen hebben gemunt. Het Syrische leger neemt gewoon een stad vol koude, uitgehongerde burgers onder vuur.’
De fotograaf Paul Conroy, met wie ze werkte, verzuchtte tegen hun redacteur in Londen die opnieuw aandrong op vertrek: ‘Je weet hoe moeilijk Marie op andere gedachten te brengen is als ze het bit tussen de tanden heeft.’ Colvin zelf vond dat ze nog een dag nodig had. Die ene dag werd haar fataal. Op de ochtend van 22 februari kwam ze om bij een raketinslag op de drempel van het huis waar ze bivakkeerde. Het is aannemelijk dat het Syrische leger het bombardement uitvoerde om haar het zwijgen op te leggen.
Vervolgens gebeurde wat Colvin juist niet wilde: ze werd zelf het verhaal. Het lot van de burgers in Homs en de dood van een Syrische blogger, van een video-activist en van de jonge Franse fotograaf Remi Ochlik sneeuwden onder in het nieuws over de omgekomen journalistieke legende. Wereldwijd waren er herdenkingen voor Colvin die door velen als de Martha Gellhorn (de vermaarde oorlogscorrespondente uit een generatie voor haar) van deze tijd werd beschouwd. Tijdens de laatste bijeenkomst op 16 mei zat de kerk St. Martin-in-the-Fields in hartje Londen tot de nok toe vol. Vrouwelijke collega’s uit alle werelddelen hadden hun scherfvesten en nonchalante broeken verruild voor cocktailjurken en parelsnoeren. Om te symboliseren dat Colvin behalve guts ook glamour had.
Vrouwenondergoed
Colvins levenspad voerde vanuit East Norwich (New York) met een vader die gepassioneerd Kennedy-aanhanger was, via protesten tegen de oorlog in Vietnam en werk voor een universiteitskrant op Yale waar ze afstudeerde in Amerikaanse literatuur, naar een post voor het persbureau UPI in Parijs. Daar viel haar blik op het Midden-Oosten. Na haar eerste verhaal over Amerikaanse bombardementen op Libië haalde de Britse Sunday Times haar in 1986 binnen en ze werkte er tot haar dood. Buitengaats, want van redactielokalen gruwde ze. ‘Chamber of Horrors’ noemde ze die.
Ze fronste verbaasd toen ze vernam dat de meeste collega’s vertrokken waren. ‘Waarom, het begint toch pas?’
Ik had in 1999 geen idee wie de verschijning in het donkere jack met bontcapuchon was die het restaurant in Noord-Albanië binnen struinde en de ruimte vulde met haar Amerikaanse doorrookte stem. Maar de conversatie van mijn Britse tafelgenoten stokte en het was me meteen duidelijk dat er voor hen een geduchte rivaal gearriveerd moest zijn.
Ik was blij toen ze enkele maanden later opdook in Dili, op Oost-Timor. Als doorgewinterde collega leek ze me goed gezelschap in de brandende hoofdstad waar het Indonesische leger en door hen gesteunde milities wraak namen op de bevolking die het gewaagd had voor onafhankelijkheid te stemmen. Colvin had een scherfvest aan de arm, maar verder zag ze er met haar blauwe bloesje en nette koffer uit alsof ze op zakenreis was.
Ze fronste verbaasd toen ze vernam dat de meeste collega’s vertrokken waren. ‘Waarom, het begint toch pas?’ Het was geen bravoure of een houding om anderen te imponeren. Ze meende het oprecht. Ook de komende dagen zou blijken dat weggaan maar heel zelden in haar woordenboek voorkwam.
Toen Indonesische veiligheidstroepen en milities Oost-Timor in de as legden, moest ook haar hotelkamer het ontgelden. Haar kogelwerende vest overleefde de plundering, maar haar kanten bh’s en slipjes waren verdwenen. ‘Wat zijn dat voor milities die een scherfvest laten liggen, maar er wel met vrouwenondergoed vandoor gaan?’ brieste Colvin verontwaardigd. Enkele weken later verscheen een zorgelijke accountant van The Sunday Times op de redactie. Hij wapperde met Colvins onkostendeclaratie: ‘Kan ondergoed zo duur zijn?’ De redacteur verblikte of verbloosde niet. ‘Dat van Marie wel,’ luidde zijn antwoord.
Satelliettelefoon
Het zenuwcentrum van de Verenigde Naties waar Colvin en andere overgebleven journalisten enkele dagen later belandden, was veranderd in een overvol vluchtelingenkamp. Zelfs in de laadbakken van de VN-vehikels kampeerden gezinnen die onder de blauwe vlag bescherming zochten. Rond de muren van de belaagde enclave ratelden voortdurend geweersalvo’s en dikke rookpluimen domineerden de lucht. Abandon all hope ye who enter here, waarschuwden Dantes woorden in bloedrode letters op een computerscherm. De VN-staf en het twintigtal journalisten werd dringend aangeraden te evacueren.
Was het verlies van haar oog het waard, werd haar nogal eens gevraagd. Ja, luidde haar antwoord.
Terwijl om haar heen collega’s ijsbeerden over de vraag of ze moesten blijven of vertrekken, tikte Colvin onverstoorbaar aan een stuk en zei: ‘Weggaan? Forget it, dit is het grootste verhaal ter wereld.’ Ondertussen deelde ze aan kinderen gele tennisballen van een gevlucht VN-team uit en probeerde ze de kleintjes bij te brengen dat ze haar niet met met ‘Hello Mister’ maar met ‘Hello Mrs’ moesten aanspreken.
Talloze Oost-Timorezen die vreesden voor hun leven als de VN de missie op zou doeken, konden met haar satelliettelefoon naar hun families bellen. Zelfs het Vaticaan werd zo om hulp gesmeekt. Ook mijn collega Irene Slegt en ik die samen met haar achterbleven, deden verslag dankzij haar satelliettelefoon. Jaren later kon Colvin nog smakelijk lachen om het astronomische bedrag dat het Murdoch-imperium voor al die gesprekken had moeten neertellen. Mede dankzij de aanhoudende berichten vanuit de compound werden tien dagen later de ruim duizend Oost-Timorezen vanuit de compound naar Australië gebracht en er kwam een internationale troepenmacht naar het eiland. Complimenten over haar besluit om tot het bittere eind te blijven deed Colvin af met: ‘Ik vond het moreel gezien onjuist om mensen aan wie door de VN bescherming was beloofd aan hun lot over te laten.’
Journalistiek was voor haar een middel om onrecht aan te kaarten en eraan bij te dragen dat schuldigen hun straf niet zouden ontlopen. Toen José Belo, een Oost-Timorees die haar vergezelde in de wijk waar kort tevoren de Nederlandse journalist Sander Thoenes was vermoord door een militair uit het Indonesische leger, opgelucht constateerde dat ze geluk hadden gehad, wees Colvin hem terecht: ‘Nee, we hadden pech, omdat die afschuwelijke misdadigers ons ontsnapt zijn.’ Tot de dag van vandaag vormen die woorden een leidraad voor Belo, die inmiddels een prominent journalist op Oost-Timor is.
‘De piraat’
Colvin was een van de zeer weinigen die vrijwel nooit over iets anders dan over oorlogen berichtte. ‘Ik ben net terug van mijn zwaarste trip ooit,’ mailde ze enkele weken nadat ze Oost-Timor had verlaten. Ze had in Tsjetsjenië vluchtelingen geïnterviewd die vanwege de nietsontziende Russische bombardementen in grotten leefden. Op de heenweg overleefde ze ternauwernood de Russische aanvallen en op de terugweg waadde ze dagenlang door de sneeuw over vierduizend meter hoge passen. Het leverde enkele van haar indringendste reportages op. En een fameuze uitspraak. Toen een streng religieuze rebellenleider bezwaar maakte tegen haar aanwezigheid overtuigde ze hem met: ‘Er is geen vrouw in deze kamer, alleen een journalist.’
Ze genoot van competitie en was extreem gedreven, maar niet roekeloos zoals sommige andere oorlogscorrespondenten die hun adrenaline haalden uit het flirten met de dood. ‘Bravery is not being afraid to be afraid,’ zei ze regelmatig. Toch vroeg iedereen die haar kende zich af hoelang het goed zou gaan. Die vraag manoeuvreerde ze op een zijspoor met bondige uitspraken als ‘Anyway, this is what we do’ of met een anekdote, liefst eentje vol zelfspot.
In 2001 ging het mis. Tijdens een reportage over de oorlog tussen de Tamiltijgers en Sri Lankaanse militairen raakte ze zwaargewond door een granaat van het regeringsleger. Na een slopende terugreis en een urenlange operatie verloor ze het zicht in haar linkeroog. ‘Denk maar niet dat ik mijn scherfvest aan de wilgen hang,’ schreef ze vanaf haar ziekenhuisbed nadat ze een uitgebreide reportage aan The Sunday Times had geleverd. In eerste instantie liet ze weinig los over haar leed. Het ontroerde haar vooral dat Tamils uit alle werelddelen reageerden om te bedanken dat ze een vergeten conflict onder de aandacht had gebracht.
Aan de vooravond van de invasie in Irak sms’te ze onverwachts vanuit Turkije: ‘Ik ben vermomd als zak aardappelen in een vrachtwagen onderweg naar Noord-Irak. Tot gauw.’
Was het verlies van haar oog het waard, werd haar tijdens interviews en debatten over het vak nogal eens gevraagd. Ja, luidde haar antwoord. ‘Het is simpel: je kunt geen oorlog verslaan zonder risico te lopen. Oorlogsverslaggeving betekent dat je naar plaatsen moet die uiteengereten zijn door chaos, verwoesting en dood, en daarvan probeert te getuigen. Het betekent: proberen de waarheid te achterhalen in een zandstorm van propaganda op het moment dat legers, stammen of terroristen met elkaar botsen. En ja, dat betekent risico’s nemen – niet alleen voor jezelf maar vaak ook voor de mensen met wie je nauw samenwerkt.’
Ze bond een zwarte ooglap voor en droeg die als een wapenfeit. ‘De piraat’ doopten sommige collega’s haar. Voor feesten kreeg ze een glamourversie met een rand van nepdiamantjes cadeau. Maar zo simpel was het natuurlijk niet. Ondanks haar laconieke houding sloeg de posttraumatische stress hard toe. Ze stopte tijdelijk met haar werk om een behandeling te ondergaan. Ook stortte ze zich op een andere passie in haar leven: zeezeilers kregen er een geduchte concurrente bij.
Maar aan de vooravond van de invasie in Irak in maart 2003 sms’te ze onverwachts vanuit Turkije: ‘Ik ben vermomd als zak aardappelen in een vrachtwagen onderweg naar Noord-Irak. Tot gauw.’ Toen haar plan om vanuit het noorden Irak binnen te komen mislukte, trok ze via het levensgevaarlijke zuiden van Irak naar Bagdad op. Met een grijns rolde ze uit haar tent in de tuin van The Hunting Club, waar tot voor kort Saddams zoon Uday zijn decadente drinkgelagen had gehouden. Vanuit die bizarre locatie speurde ze naar de massavernietigingswapens en berichtte over de massagraven en de martelkamers waarover gevluchte Irakezen haar jarenlang hadden verteld.
Drankprobleem
Haar status als journalistieke legende groeide verder, maar vrienden en familie kenden haar complexere en meer duistere kant. Regelmatig begroetten ze elkaar met de bezorgde vraag: hoe gaat het met Marie? Onderweg was ze in tijden van nood als vanouds collegiaal gezelschap, en het eigen letsel had haar milder gemaakt, maar thuis konden er dagen of weken voorbijgaan voordat ze reageerde op een telefoontje of een e-mailbericht. ‘Ik zat in het zwarte gat,’ zou ze dan soms toegeven. Het was een eufemisme voor aanvallen van paranoia, woedende buien en depressies. Met haar nieuwe partner Richard Flaye, die ze tijdens het zeezeilen had leren kennen, bedacht ze een strategie om de donkere wolken op afstand te houden: de ene helft van het jaar raceten ze met hun zeilboot over de oceaan, de andere helft van het jaar deed zij verslag van conflicten.
Het bleef een precair evenwicht. En er was een alcoholprobleem. ‘Ik heb geen intentie te stoppen met drinken en bovendien drink ik niet in een oorlog,’ zei ze tegen dierbaren die haar smeekten te stoppen. Het was een smoes van jewelste. Een vriendin verklaarde tegen een journaliste van Vanity Fair dat Colvin met de behandeling van PTSS (Post Traumatisch Stress Syndroom) haar drankprobleem uit de weg ging.
Toen kwam de Arabische Lente. Het was het werelddeel dat ze het beste kende en dat jaren haar thuis was geweest. Ze leefde op bij het hoopvolle nieuws en stortte zich in de gebeurtenissen. Terwijl ze me begin februari 2011 in haar hotel aan de rand van het Tahrirplein op een riant ontbijt trakteerde, zat ze boordevol energie, al was haar stem heser dan gewoonlijk omdat het weerzien met een bevriende collega de vorige avond uit de hand was gelopen. Na een paar stevige bakken koffie en een lofzang op de verse aardbeien vertrok ze voor een onderzoek naar de economische macht van militairen. ‘Het is hier nog lang niet voorbij,’ was het laatste wat ze me tegen me zei.
Ik betwijfel of ze het verhaal ooit afmaakte, want al op 6 maart kwam haar reportage uit het volgende land waar zich een opstand aandiende: Libië. Als een van de weinige journalisten had ze nog een interview met Khadaffi. Sinds hun eerste ontmoeting in 1986 had hij net als andere politieke vips uit haar adressenboek een fascinatie voor Colvins flamboyante verschijning, ook al kreeg hij er in haar reportages flink van langs. Tot haar verbijstering ontkende Khadaffi tijdens die laatste ontmoeting met een bulderende lach dat zijn regime op instorten stond. Colvin verkeerde vervolgens wekenlang in de hel van Misrata. Na een korte adempauze wilde ze naar Syrië. Toen ze na diverse pogingen geen visum voor Damascus kreeg, vertrok ze vanuit Libanon naar Homs. Ongerust bleven vrienden in Beiroet achter. Ze constateerden dat Colvin weliswaar vastbesloten was om verslag te doen van wat zich er afspeelde, maar ook dat ze kwetsbaarder oogde dan gewoonlijk. Alsof ze haar tragische lot voorvoelde.
Pijnlijke vragen
Op een van de eerste herdenkingen in The Frontline Club in Londen, een pleisterplaats voor journalisten uit conflictgebieden waarvan Colvin een van de oprichters was, draaiden vooral beelden van haar onstuimige privéleven: Marie aan het roer van een zeilboot in een minuscule bikini, met een wilde bos haren in een zomerse tuin met een glas champagne, in sexy cocktailjurken en pumps in allerlei kleuren, met winkelende vriendinnen in Italië.
Ook haar gulle, inspirerende kant kwam ruim aan bod. Diverse jonge collega’s vertelden hoe ze door haar op weg waren geholpen. Soms met hilarische adviezen als: gewoon altijd zo laat mogelijk je stuk inleveren, dan kan de redactie er niets meer aan verprutsen. Ook Ella, de dochter van haar partner Richard Flaye, ging vanwege Colvin het vak in. Maar tussen alle dierbare herinneringen zoemden ook pijnlijke vragen zonder duidelijk antwoord rond. Had The Sunday Times te veel druk op haar uitgeoefend? Was Colvin wel voldoende hersteld geweest van de PTSS? En ook: wie zou de volgende zijn? In een jaar tijd waren vier journalistieke veteranen weggevallen: Anthony Shadid, Chris Hondros, Tim Hetherington en nu Marie Colvin. Het voelde als het einde van een tijdperk, bekenden verschillende oudgedienden in het vak.
Ontwrichte wereld
Uitgevers hadden Colvin jarenlang belaagd om haar leven op papier te zetten. Maar ondanks vage beloftes kwam het er in haar onrustige leven niet van een boek te produceren. Nu ligt er postuum On the Front Line, The Collected Journalism of Marie Colvin, een bijna vuistdikke bundel met veel van haar reportages van 1987 tot 2012.
Het is geen boek om in één adem uit te lezen. De indeling is grotendeels chronologisch en daardoor schiet de lezer met zevenmijlslaarzen heen en weer tussen de recente brandhaarden. Bovendien wisselen de stukken van stijl, toon en kwaliteit. Maar Colvin sleurt de lezer met pakkende zinnen de ontwrichte wereld van leiders, rebellen, soldaten en ontheemden binnen. Zoals met de opening: ‘In Tsjetsjenië reist iedereen ’s nachts,’ of zoals in een reportage over Libië: ‘De vier vermoorde mannen in de aanhanger moeten zich vlakbij de vrijheid gewaand hebben na maanden in een geïmproviseerde gevangenis op een verlaten bouwplaats.’ Ze gebruikt eenvoudige, maar veelzeggende citaten zoals dat van een soldaat uit het leger van Khadaffi: ‘Ze bewoog vrijwel niet toen ik haar verkrachtte.’
Het aangrijpendst zijn haar reportages over burgers die moeten zien te overleven in het oorlogsgeweld. Zoals haar verhaal uit Gaza in 2009 over een chirurg die zijn eigen kinderen aanvankelijk niet herkent als ze met zware verwondingen de operatiezaal waar hij al dagenlang non-stop werkt, worden binnengebracht. Duidelijk maken wat het lot van burgers in de conflicten was, dat vond ze de essentie van haar vak. Die opvatting deelde ze met Martha Gellhorn. Niet voor niets was Colvin bevriend met de grand old lady en assisteerde ze bij een documentaire over haar. Op Colvins reizen zat er in haar minimale bagage vrijwel altijd een stukgelezen kopie van Gellhorns The Face of War.
‘Onze missie is om de macht de waarheid te zeggen. Wij sturen die eerste ruwe versie van de geschiedenis naar huis. Wij kunnen zorgen dat er iets verandert.’
Iets betekenen
In analyses slaat Colvin de plank soms flink mis. Er is in de bundel geen serieus onderzoek naar het bestaan van massavernietigingswapens en kritische vragen over de invasie van Irak zijn er evenmin te vinden. Na haar interviews met de slachtoffers van het regime van Saddam was Colvin een verklaard voorstander van de oorlog. Ook op haar reportage over Guantánamo Bay valt heel wat af te dingen vanwege haar begrip voor het feit dat de rechten van gevangenen vanwege The War on Terror met voeten getreden worden.
Maar als oeuvre is On the Front Line een formidabel document. Bovendien geeft Colvin iedere collega en journalist in spe stof tot nadenken met haar visie op het vak. In de meer beschouwende stukken verwoordt ze die kijk expliciet: ‘Onze missie is om de macht de waarheid te zeggen. Wij sturen die eerste ruwe versie van de geschiedenis naar huis. Wij kunnen zorgen dat er iets verandert, en dat doen we ook, door het aan het licht brengen van de gruwelen van de oorlog en vooral de wreedheden die burgers overkomen.’
Ze verzet zich tegen het idee dat burgerjournalisten en sociale media de ouderwetse verslaggever irrelevanter maken. ‘Iemand moet erheen gaan en zien wat er gebeurt. Het gaat erom zo oprecht als je kunt te verslaan wat je ziet en dat onderdeel van het verhaal te maken. Je kunt die informatie niet krijgen zonder dat je naar plaatsen gaat waar mensen worden beschoten en waar anderen op jou schieten. Wat echt moeilijk is, is om genoeg vertrouwen in de mensheid te hebben om te geloven dat het genoeg mensen – of het nu de regering, het leger of de gewone man is – kan schelen dat jouw stuk de gedrukte pagina, de website of het televisiescherm bereikt. We hebben dat vertrouwen omdat we geloven dat we iets kunnen betekenen.’
Tijdens de laatste herdenking in Londen zei haar partner Flaye wat hij sinds haar dood al vaker had gezegd: ‘Marie had vele fine hours: Sri Lanka, Libië, Palestina, Libanon, Irak et cetera, maar haar finest hour was in de compound van Oost-Timor. Omdat ze daar zo duidelijk iets heeft kunnen betekenen.’ En daar ging het Colvin uiteindelijk om.
On the Front Line. The Collective Journalism of Marie Colvin, Harper Collins, 540 p., € 22,99. Een deel van de opbrengsten van het boek gaat naar het Marie Colvin Memorial Fund.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.