Tijdens haar werk als correspondent in Syrië leerde Minka Nijhuis de Koerdische journalist Ferhad kennen. Tweeëneenhalf jaar geleden kwam hij naar Nederland, waar hij nu met ontzetting kijkt naar de beelden van de Turkse aanval op Afrin, de Koerdische enclave in Syrië. ‘Dat land van mijn familie komt nooit meer terug.’

‘Ik ken daar elke berg, elke weg, elke boom en elke steen,’ zegt Ferhad geëmotioneerd. Al dagenlang ontvangt hij beelden hoe van Afrin, de Koerdische enclave in het noordwesten van Syrië, wordt aangevallen door Turkse militairen en troepen van het Vrije Syrische Leger. Even buiten Afrin ligt het dorp waar zijn voorouders zo’n vierhonderd jaar geleden een landhuis bouwden.

Een groot deel van zijn familie beheert er nog altijd de uitgestrekte olijfgaarden. Maar ruim een week geleden lieten zo’n twintig van zijn neven hun werk op het land in de steek om in de frontlinie te vechten. De rest van de familie is net als duizenden andere burgers gevlucht. Naar de stad Afrin of naar grotten in de omgeving. Het verlaten landhuis heeft al inkomend vuur geïncasseerd, maar volgens de laatste berichten is de opmars tot staan gekomen.

Met een diepe frons op zijn voorhoofd tuurt Ferhad (1982) naar nieuwe beelden op zijn smartphone. Rebellen van het Vrije Syrische Leger die als stoottroepen fungeren bij het offensief, schreeuwen: ‘Ongelovigen. Varkens. We zullen jullie vermoorden.’ Hun ogen puilen uit hun kassen van de adrenaline.

Het was genoeg

Tweeëneenhalf geleden arriveerde Ferhad op het Amsterdamse Centraal Station met een rugzakje waarin twee T-shirts, twee onderbroeken, een korte broek, een paar jeans en een tandenborstel. Hij zucht: ‘Het was genoeg. Geloof me, echt genoeg.’

Het was hem allemaal te veel geworden: het verdriet over de destructie van zijn woonplaats Aleppo, de woede over het opportunisme en religieuze fanatisme van talloze krijgsheren, de ontluisterende manier waarop het verzet tegen het bewind van Assad was ontaard in een oorlog van rebellengroepen die ook elkaar te lijf gingen, en de stress van het onzekere leven als journalist in Turkije.

Terwijl bijna niemand zich meer in Aleppo waagde, hield Ferhad daar het hoofd koel.

En dat het hem te veel werd, wil wat zeggen. Want sinds ik Ferhad in 2013 leerde kennen, had hij in Syrië en Turkije onder de hachelijkste omstandigheden gewerkt zonder een kik te geven. Terwijl bijna niemand zich meer in Aleppo waagde, hield hij daar het hoofd koel – ook toen dichtbij bommen en explosies dreunden.

Klein hartje

Ferhad en zijn vrienden hadden vooraan gestaan toen de demonstraties in Aleppo in 2011 begonnen. Nadat rebellen in 2012 vanaf het platteland de oorlog naar de stad brachten en steeds meer burgers ontheemd raakten, begonnen ze hulpprojecten. Kamikazeteam werden ze gedoopt, omdat ze in de gevaarlijkste wijken van Aleppo hulp verleenden.

Na verloop van tijd begon Ferhad steeds meer voor buitenlandse media te werken. Op het eerste gezicht was hij een stoere verschijning, in zijn leren jack en spijkerbroek, onafgebroken Gauloises paffend. Maar al snel bleek daarin een klein hartje te schuilen.

Mijn vader dacht een vrouw te redden, maar hij trok slechts twee benen uit de brokstukken van een gebouw.

Zo kalm als hij in de frontlinie bleef, zo aangeslagen kon hij raken als ontheemde burgers hun verhalen deden. Zoals de twaalfjarige Ramien, die haar armen spreidde om de grootte van de beruchte vaatbom aan te geven. ‘Ze vielen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat,’ vulde haar moeder aan. ‘We zijn net proefdieren op wie ze alles uitproberen.’

Of Mona van zestien, die vertelde hoe er geen beginnen aan was de lichaamsdelen die ze overal zag nog te bergen. ‘Mijn vader dacht een vrouw te redden, maar hij trok slechts twee benen uit de brokstukken van een gebouw.’

Soms kwam ter sprake dat hij Koerdisch was. Op onze reizen langs de Syrische grens werd het een vast ritueel om de bergen van Afrin te groeten die in de verte de horizon domineerden. Op zijn mobiele telefoon zaten de foto’s van het thuisland dat door de militaire situatie onbereikbaar was geworden. Het beeld van de Alaskaanse Huskies die rond de okergele muren van het landhuis snuffelden, was een van zijn favorieten.

Een nieuw bestaan

Eenmaal in Nederland had hij maar één doel voor ogen: een nieuw bestaan met Juana en zijn dochtertje Jien, dat toen een jaar oud was, en dat hij niet aan de hachelijke reis naar Europa had willen blootstellen. Hij maakte omzwervingen langs de noodopvang en de AZC’s, waardoor hij Nederland beter leerde kennen dan de gemiddelde scholier.

Ruim een jaar later kwamen Juana en Jien over naar de flat die hij had gevonden. Al snel was het niet meer voor te stellen dat het knusse appartement enkele weken eerder nog een haveloze woning was. In de keuken dampten gerechten uit het vaderland. De roze geverfde kamer van Jien lag bezaaid met kleurige knuffels. De verwaarloosde achtertuin was netjes omgeploegd en omheind. Een kleine olijfboom herinnerde nog aan de landerijen van Afrin, maar het moest vooral een speelplaats worden voor Jien en haar kameraadjes.

Jien kreeg het naar haar zin op de peuterschool en ook de smaak van het Sinterklaasfeest had ze onmiddellijk te pakken. Afgelopen zomer werd Jan geboren. Het is het Koerdische woord voor Ziel, maar Ferhad en Juana vonden het een mooi idee dat de naam ook een Nederlandse oorsprong heeft.

Bebloede kinderen

Als het lot van achterblijvers en schuldgevoel over zijn vertrek hem weer eens naar de keel vlogen, zei Ferhad tegen zichzelf: ‘lk kan niets meer doen. Ik ben nu eenmaal vertrokken.’ En als hij zich toch weer te veel liet meeslepen door de tragische ontwikkelingen in Syrië, herinnerde Juana hem met nuchtere woorden aan hun levensdoel: ‘We moeten het hier gaan redden.’

Wie huilt met mij mee nu Koerdisch gebied aangevallen wordt?

Maar ondanks die voornemens heeft de oorlog het kleine huishouden van Ferhad in zijn greep gekregen. Zelfs de zachtmoedige Juana, die zich de afgelopen jaren verre hield van alle berichten over politieke intriges en geweld, slaapt naast haar smartphone om op de hoogte te blijven. Op Facebook post ze foto’s van bebloede kinderen en voeten die uit het puin steken;  #saveafrin staat er onder haar profielfoto, waarop ze Jien met haar Shirley Temple pijpenkrullen op de arm draagt. De peuter is van slag nu haar ouders voortdurend door telefoontjes en internetberichten in beslag genomen worden. Juana schrijft: ‘Toen de oorlog begon, huilde ik om alle plaatsen van Syrië. Nu huil ik weer. Maar wie huilt met mij mee nu Koerdisch gebied aangevallen wordt?’

De Koerdische troepen vormden de afgelopen jaren de belangrijkste militaire bondgenoot in de strijd van westerse troepen tegen IS. Het steekt dat er op bezorgde woorden na niet meer internationale steun komt nu Turkije de enclave in West-Syrië is binnengevallen. Turkije heeft verklaard met het offensief de Turkse PKK te willen bestrijden.

De Syrische milities YPG die ook in de enclave van Afrin gelegerd zijn, worden door de regering van president Erdogan beschouwd als terroristen en een verlengstuk van de PKK. Maar door de luchtaanvallen worden ook civiele doelen geraakt. Daardoor zouden al enkele tientallen burgers zijn omgekomen. De nieuwe stroom ontheemden zet rustige enclave, die in 2012 een semiautonome status kreeg en de afgelopen jaren ook al het toevluchtsoord was voor tienduizenden burgers uit de oorlogen in het aangrenzende Aleppo en Idlib, verder onder druk.

Foto: Max Nijhuis

Gemengde gevoelens

Op een kille zaterdagmiddag schaart Ferhad zich met zo’n duizend anderen achter het spandoek met: ‘Stop de Turkse invasie in Afrin.’

‘Zo doe ik tenminste iets,’ zegt hij. Af en toe zet hij zijn handen aan de mond om mee te roepen. ‘Erdogan, moordenaar.’ Vanaf de donkerblauwe Mercedes pick-up op de kop van de stoet schallen boze leuzen: ‘Waarom zijn de Koerden verraden?’ en ‘Waarom laat Nederland niets horen?’

Een venijnige wind doet de Koerdische vlaggen wapperen terwijl de demonstranten over de Amsterdamse grachten naar het Museumplein trekken. Ook het besnorde gezicht van Öcalan, de leider van de PKK die in Turkije gevangen zit, wappert mee. Ferhad heeft er gemengde gevoelens over. Als het aan hem lag, was het een protest zonder partijpolitieke kleur gebleven. Maar tegelijkertijd snapt hij ook dat veel demonstranten met de vlag van Öcalan verzet tegen de Turkse president Erdogan en zijn regime willen plegen.

Mijn echte thuis

Na afloop van het protest piekert hij verder bij een zoveelste sigaret. ‘Ik woonde in Aleppo, maar Afrin voelde als mijn echte thuis.’ Hij zwijgt even en vervolgt: ‘Het is nu to be or not to be. Als we deze plek kwijtraken, hebben we geen wortels meer. Dat land van mijn familie komt nooit meer terug.’

Als we deze plek kwijtraken, hebben we geen wortels meer. Dat land van mijn familie komt nooit meer terug.

In zijn hart verlangde hij net als zo veel Koerden naar een onafhankelijke staat, maar hij besefte dat een federatie veel realistischer was. En bovendien had hij genoeg niet-Koerdische vrienden om zichzelf toch ook als Syriër te blijven zien. ‘Maar door deze nieuwe oorlog voel ik me meer Koerdisch dan Syrisch.’ Bitter concludeert hij: ‘Syrië is weg.’

Illustratie: ZenkOne

In 2016 schreef Minka over haar bezoek aan Aleppo, waar ze zag hoe de mensen zich bleven verzetten en doorleefden tussen de puinhopen en het geweld.