Ze zijn de ruggengraat van onze economie, dus dat familiebedrijven vaak sneuvelen is slecht nieuws. Waarom slagen ze zo slecht in een wisseling van de wacht?

Het zijn dramatische cijfers. Slechts dertig procent van de familiebedrijven overleeft een eerste generatiewisseling, dertien procent blijft overeind na de tweede overdracht en na de derde overheveling van het stokje is er nog maar een schamele drie procent over. Dat blijkt uit een gisteren verschenen onderzoek van het Erasmus Centre for Family Business, accountantsorganisatie BDO en de Rabobank. En dat is slecht, heel slecht, nieuws voor onze economie.

Ongeveer de helft van de Nederlandse werkgelegenheid vloeit voort uit familiebedrijven. Met de huidige ontslaggolven bij banken, verzekeraars en andere grote ondernemingen hebben we die banen maar al te hard nodig. Tijdens de crisis bleek goed hoe de meeste familiebedrijven door hun solide beleid en lange termijnvisie het hoofd boven water wisten te houden, terwijl veel ‘normale’ organisaties kopje onder gingen. Tegelijkertijd is het juist de grote kracht van familie-imperia die ze ook kwetsbaar maakt. De directeur, meestal tevens eigenaar, heeft een dusdanig hoge betrokkenheid dat hij of zij het roer maar moeilijk uit handen kan geven.

Dat ontdekten collega Mischa Cohen en ik al in 2012 bij een rondgang langs familiebedrijven voor Vrij Nederland. Zo stelde aannemer Klaas de Leeuw de overdracht aan zijn zoon zo lang uit – ‘Ik zei: jongen, we moeten eerst door de crisis heen’ – dat de laatste uiteindelijk besloot niet langer te wachten en zelf een zaak te beginnen. Zoon Rob voelde zich gedurende zijn inwerkperiode toch al niet echt serieus genomen. ‘Pa is naar mijn mening niet zo goed in loslaten en liet mij met stoffer en blik achter iedereen aanlopen,’ vertelde hij mistroostig. Hij was niet de enige ondernemerszoon met zo’n ervaring. Geert Mikkers, nakomeling van oprichter Ton Mikkers van familiebedrijf Boekos, producent van onder meer Kips Leverworst, ondervond ook weinig vertrouwen van zijn vader. ‘Ik kreeg nooit het idee dat mijn vader me inwerkte om hem op te volgen. Hij zag me als een kind en dus bleef ik me ook zo gedragen.’ Toen Ton Mikkers onverwacht overleed, ging het bedrijf ter ziele. Ook het bouwbedrijf van Klaas de Leeuw bestaat niet meer. Kort na verschijning van het artikel in VN heeft De Leeuw die als vierde generatie aan het hoofd stond noodgedwongen de stekker eruit getrokken.

Gebrek aan vertrouwen in de opvolgende generatie is de belangrijkste oorzaak van de vele ondergangen van familiebedrijven, blijkt uit het net verschenen onderzoek. Maar ook de jongeren zelf hebben een aandeel in de mislukkingen. Als ze namelijk wél de leiding van hun ouders mogen overnemen, zijn ze vaak te risicomijdend en investeren ze te weinig in research en ontwikkeling. Door dit gebrek aan slagkracht en innovatie redden ze het als ondernemer niet.

Maar of dat conservatieve beleid hen persoonlijk te verwijten valt, kun je betwisten. Voor goed ondernemerschap heb je een flinke dosis zelfvertrouwen nodig. En die dank je nu eenmaal voor een deel aan je opvoeding.