13-07-2002
door Ab van Ieperen
Dochter van een actrice en een chansonnier, geboren in Saint-Tropez – en inderdaad, Emmanuelle Béart werd filmster. Recent speelde ze met Ardant, Deneuve en Huppert in François Ozons ‘8 Femmes’, en in ‘La répétition’ van Catherine Corsini.
Emmanuelle Béart kijkt even stomverbaasd als ik haar heb verteld dat ze onder regisseurs geldt als een goed actrice, maar wel heel lastig.
Dan begint ze te schateren: ‘Beter dat dan: “Plezierig in de omgang, jammer dat ze niet kan spelen.” Ik neem aan dat ze bedoelen dat ik lastig ben te motiveren. Alles begint vanuit de weigering, ik denk dat ik driekwart van de rollen die ik heb gedaan eerst heb afgewezen. Het gaat om de ontmoeting: er zijn beroemde regisseurs geweest met wie er helemaal niks gebeurde als ik met ze aan tafel zat. Ik heb matige scripts ontvangen van filmers die ik niet kende, maar waarvan ik na één gesprek wist dat ik ze per se wilde doen. Nadat ik Sitcom had gezien, heb ik François Ozons antwoordapparaat ingesproken dat ik graag onder zijn regie zou spelen. Daar heb ik niets op gehoord, hij heeft toen films gemaakt met rollen die ik alleen al qua leeftijd onmogelijk kon doen. Ik was op het Festival van Acapulco en zag in het hotelzwembad een jongen drijven in een knalroze slip. Omdat ik van nabij wilde zien wie zo’n mal broekje durfde te dragen, ben ik naar hem toe gezwommen. Dat bleek dus Ozon. Twee dagen na terugkeer uit Acapulco lag het scenario van 8 Femmes in mijn bus.’
Met een actrice (Geneviève Galéa) als moeder en een chansonnier (Guy Béart) als vader leek u voorbestemd voor een artistieke loopbaan.
‘Als kind kon ik nooit spelen met poppen, blokkendozen of ander speelgoed. Als ik speelde, speelde ik dat ik een ander was. Mijn vader heeft pas veel later toegegeven: eigenlijk heb ik altijd geweten dat je actrice zou worden, maar heel lang heb ik gehoopt dat ik me vergiste. Hij was een deeltijdvader die veel op tournee ging. Soms kwamen de collega’s bij ons op bezoek: Léo Ferré, Georges Brassens, gewoon aardige ooms met wie ik bessen ging plukken. Nee, ze zaten niet zingend in onze kamer, ze waren blij dat ze dat een keer níét hoefden. Ik heb mijn vader pas als artiest ontdekt toen ik volwassen was. Als hij thuis was in Cogolin (dorp in de Midi – AvI) was hij er honderd procent voor de kinderen, altijd bezig levenslessen te geven. Zo wilde hij dat ik elke dag een uur lang op mijn kamer bleef, niet als straf, maar omdat ik moest leren alleen te zijn. Soms denk ik: met mijn afkomst, een Grieks-Italiaanse moeder die opgroeide in Turkije en een Spaans-Russische vader, is het toch logisch dat ik wat merkwaardig ben uitgevallen? Het is vooral de obsessie altijd weer opnieuw te willen starten, alles wat ik meemaakte in mijn leven, mijn werk of in de liefde vergeten als ik begin aan een volgende fase. Elke dag weer beginnen als maagd, want de eerste ervaring is altijd de mooiste.’
Gebruik maken van wat je hebt geleerd kan toch verrijkend zijn?
‘Wat je leert, maakt je niet minder onzeker. Integendeel! Wat ik heb geleerd… hoop ik… is beter met mezelf omgaan, en daardoor met anderen. Acteren is een kwetsbaar vak waarin je je voortdurend van alle kanten bedreigd voelt. Vroeger schoot ik onmiddellijk in de verdediging, schold de regisseur uit voor pauvre con en verliet met slaande deuren de set. Dat lucht even op, maar is nooit een oplossing en daarna voel je je belachelijk.’
Hoe beviel Catherine Corsini als regisseur?
‘Ik hóúd van La répétition en ben blij dat ik hem heb gedaan, maar de film is gemaakt bij gratie van het misverstand. Catherine zei: dit wordt de eerste film waarin je niet het object bent, maar het subject. O, vroeg ik, welke films met mij heb je gezien? Geen enkele! Dat is niet nodig, vond ze, als ik jou op de cover van een tijdschrift zie, weet ik genoeg. Dat gewone mensen als ze mijn foto in Paris Match zien, denken: glamourpoes, dat kan ik navoelen. Dat een regisseur niet de moeite of interesse opbrengt om uit te vinden wat ik presteer, gaat mijn verstand te boven. Vroeger was ik furieus geworden. Nu hoorde ik haar aanwijzigingen aan hóé ik moest acteren – die zelfs een genie onmogelijk kon uitvoeren – en probeerde door de wollige prietpraat heen te ontdekken wát ik moest spelen. Maar zij denkt ongetwijfeld dat ik haar instructies precies heb gevolgd, dus we zijn allebei tevreden.’
Acteren gebeurt ondanks en niet dankzij de regie?
‘Nee! Het is heel hard nodig dat je af en toe een regisseur treft die acteurs begrijpt, de aandacht of het geduld opbrengt om je dingen te leren. Zoals Claude Sautet, André Téchiné, Luc Bondy in het theater, Jacques Rivette op zijn manier en François Ozon op weer een andere manier. Op wat van hen je opsteekt, kun je teren in vijf films van mindere regisseurs.
Uitbundige vrolijkheid en diepe tragiek gaan mij nogal makkelijk af. Ik bewonder extreme actrices: wanneer ik Romy Schneider zie, Gena Rowlands of Isabelle Adjani, vind ik dat ík lang niet ver genoeg ga. Tussen de uitersten is nog een groot gebied waar ik leiding en richting nodig heb. Téchiné is van nature al niet iemand die zijn stem verheft, op de set fluistert hij zijn aanwijzingen je letterlijk in. Eerst schrik je, omdat het zo intiem lijkt, op het obscene af, maar daarmee zet hij een toon waarin je ongemerkt zelf meegaat. Sautet is nu twee jaar dood, ik kan nog niet goed over hem praten, dat is te privé, de pijn blijft te groot. Sautet zie ik als artistieke vader. Ik kon hem altijd bellen en raad vragen, niet alleen over rollen in zijn films, maar ook wat ik in films van anderen deed, privéproblemen en futiliteiten.’
Een paar jaar geleden kwam u ‘in opspraak’ omdat u actie voerde voor de illegale vluchtelingen.
‘Zodra je actie voert is het: zo’n actrice, waar bemoeit zij zich mee? Ik moet erkennen dat ik het ook wat stuitend vind dat Unicef-ambassadeur op “filmsterrepresentatie” is gaan lijken. Dat betekent niet dat ik het maar moet laten. Het probleem van de jeugdprostitutie is immens: kinderen van tien of jonger die bewust worden verkracht om ze in te werken als hoer, en dat gebeurt niet door decadente westerlingen, maar door autochtonen. Er is te weinig deugdelijke controle op adoptie die maar al te vaak direct naar sekshuizen voert.
Ik had een contract met Dior als “hun gezicht” in de advertenties, dat is meteen geannuleerd toen ik demonstraties had geleid ten gunste van les sans-papiers. Ik was blij dat ik er vanaf was, ik had altijd het gevoel dat ik de mensen beduvelde. Zelf gebruik ik nooit make-up. Ik ben er gewoon te lui voor. Als ik slecht heb geslapen en er afgetrokken uitzie met wallen, pak ik niet camouflagestift en rouge. Als ik me beroerd voel, mag iedereen dat weten, dat is wel zo simpel. Van de energie die je verspilt aan doen of er niks is, ga je je niet beter voelen. Ik vind het ook prettig om ouder te worden. Als ik vroeger in de spiegel keek, dacht ik: daar is die domme bolle kop weer. Nu zie ik iemand die ik herken. Op je twintigste heb je het uiterlijk dat je van je ouders kreeg, op je veertigste het uiterlijk van het leven dat je hebt gekozen.’
Kies je je leven?
Zeer ernstig: ‘Ik vraag het me af. Door te acteren kan ik mijn fantasieën een plaats geven, waarover ik vroeger geen controle had. Het is gekanaliseerd, dat betekent niet dat ik me er niet alsnog in kan verliezen. Als ik bezig ben, leef ik vierentwintig uur per dag met mijn rol, word… een beetje raar, dat wil ik de kinderen en de man met wie ik leef niet continu aandoen. En mezelf niet. Ik heb weinig flirts of liaisons gehad, een paar langdurige verhoudingen die ik “grote liefdes” noemde. Tot ik mijn kinderen kreeg, toen ben ik gaan twijfelen. Waarom kan ik níét de onvoorwaardelijke liefde die ik in elke vezel van lijf ervaar voor hen, net zo voelen voor hun vaders? Het laatste stuk dat ik speelde was Il ne faut pas jouer avec le feu van Strindberg, die stelt dat liefde tussen man en vrouw een idee-fixe is. Als je wat tobberig bent aangelegd zoals ik, is je in Strindberg verdiepen reden om aan álles te twijfelen.
Toch weet ik dat duurzame liefde bestaat, ik heb het gezien. Ik was zeventien en reed door Parijs met mijn vader die zei: ik moet langs bij een vriend die op sterven ligt, Louis Aragon. Eigenwijze etter die ik was, vroeg ik: Aragon, die is toch al lang dood? Zijn poëzie was verplichte schoolstof die ik uit het hoofd moest leren. Zo kwam ik in een appartement waar ik niets te zoeken had, bij een zieke man die ik niet kende en niet wilde kennen en die alleen maar vaders hand vasthield. Uit gêne en verveling ging ik door het huis snuffelen: overal waar ik keek, ontdekte ik zorgvuldig gerubriceerd in archieven of op prikborden briefjes aan en van zijn vrouw Elsa. En iedere brief was een liefdesbrief. Die man van vijfentachtig was het levende, eigenlijk stervende bewijs dat je levenslang kon houden van één mens. Neem Jean Cocteau en Jean Marais: Marais die na Cocteaus dood zich vijfendertig jaar lang uitsluitend heeft gewijd aan diens nagedachtenis. Ik denk dan: waarom kan ík dat niet? Is het door mijn werk dat ik nombriliste ben geworden, al wil ik dat niet zijn? Alle aandacht die je krijgt op een filmset of in het theater, omdat iedereen er belang bij heeft dat jij je best doet? De adoratie van het publiek die ik nooit echt begrijp en waarvan ik vaak ondankbaar denk: ik wou dat ze me met rusten lieten? Maar wie zou ik zijn als dat wegviel? Waarom vragen ze me altijd voor de rol van de vrouw die wordt bemind en niet als de vrouw die liefheeft?’
‘Vindt u het goed dat ik daar geen antwoord op geef?’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.