Het koninkrijk

We zien koningin Beatrix op de rug, de belichting is mager. Ze staat midden in de fraai gedecoreerde Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch. We kijken in de gezichten van een rijtje nieuwe ministers van het kabinet-Rutte II die op 5 november 2012 ten overstaan van de koningin zichtbaar onwennig de eed of de belofte afleggen. Om de beurt doen ze een stapje naar voren. ‘Dat verklaar en beloof ik,’ zegt Lodewijk Asscher. ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig,’ klinkt het uit de mond van Frans Timmermans. ‘Het moet opnieuw,’ horen we plotseling een man zeggen op een uitgelekte geluidsband van RTL. ‘Wat? Niet hoor,’ reageert Beatrix. ‘Dan wordt het een toneelstukje.’ Maar het gebeurt toch. Want bij de publieke omroep is de reclame nog niet afgelopen.

Klunzigheid

De beëdiging van haar laatste kabinet moet een nachtmerrie zijn geweest voor Beatrix, die vorige week bekendmaakte op 30 april af te treden ten gunste van haar zoon Willem-Alexander. Als de vorstin íéts niet wilde, was het wel dat de monarchie inhoudsloze poppenkast zou worden. Daar was haar gehele drieëndertigjarige regering op gericht: een waardig en professioneel koningschap. Maar in 2012 nam de Tweede Kamer haar het laatste beetje formele politieke invloed af. Voor het eerst formeerden de volksvertegenwoordigers zelf een kabinet, zonder de vertrouwde regie van het staatshoofd. Pas bij de beëdiging kwam de koningin er aan te pas. Ze had er weinig zin in maar de Tweede Kamer drong in haar streven naar ‘openheid’ en ‘transparantie’ aan op een openbare eedaflegging. Door het geklungel van de publieke omroep en de heimelijk opgenomen woorden van Beatrix werd de ceremonie een lachertje.

De ultieme verbeelding van de teloorgang van de Nederlandse monarchie, zo lijkt het. Toch is die conclusie maar ten dele terecht. Het was de eerste keer dat een kabinetsbeëdiging op deze manier plaatsvond. Misschien niet zo vreemd dus dat zoiets niet vlekkeloos verloopt. Bovendien hoort die klunzigheid ook een beetje bij de Nederlandse monarchie, concludeerde mediaprofessor Henri Beunders al eens. Denk aan de verstoorde abdicatie van Juliana op het balkon van het paleis op de Dam, toen de geluidsinstallatie niet goed werkte. Of de onhandige omhelzing door de leden van de koninklijke familie bij de aankondiging van de verloving tussen Willem-Alexander en Máxima. We snappen dat wel. Het zou onszelf ook kunnen overkomen.

Of het gekluns veel zegt over de positie van de monarchie in Nederland is de vraag. Die is de afgelopen tweehonderd jaar bijzonder vitaal gebleken. Nog steeds is de populariteit van Beatrix en andere leden van de koninklijke familie volgens peilingen groot. Kijk naar de massale aandacht van televisiekijkend Nederland op de avond van de door jan en alleman ‘historisch’ genoemde aankondiging van het aftreden van de koningin. De directe aanleiding, zei ze, vormde de combinatie van haar vijfenzeventigste verjaardag en het tweehonderdjarige bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden dat dit jaar groots gevierd gaat worden.

Vazalstaat

Tweehonderd jaar geleden, op 30 november 1813, landde prins Willem Frederik van Oranje op het strand van Scheveningen om later te worden ingehuldigd als koning Willem I. Generaties kinderen kregen het vrolijke tafereel van schoolplaatschilder Isings op hun netvlies geprent. Staand op een kar rijdt de aanstaande eerste koning dwars door de branding het strand op, zwaaiend naar een juichende menigte. Op de achtergrond de boot die de prins uit Engeland heeft gebracht, de nationale driekleur fier in de mast.

De werkelijkheid was anders: de prins kwam als een dief in de nacht, weinigen in Nederland wisten dat hij zou landen. Britse oorlogsboten voeren mee, want troepen van Napoleon dwaalden nog in de buurt rond. In Scheveningen was het koud en donker. Pas aangekomen in Den Haag dromden mensen samen om de prins op een balkon aan het Lange Voorhout toe te juichen.

Ondanks de grote onzekerheid van die dagen is het terugkijkend niet zo vreemd dat Nederland op weg was een monarchie te worden. Vóór de Franse inval van 1795 was Nederland weliswaar een republiek geweest, maar wel een waarin de stadhouders uit het Huis van Oranje-Nassau zich steeds meer als vorst hadden gedragen. Ook zat tussen 1806 en 1810 Napoleons broer Lodewijk op de troon van het ‘Koninkrijk Holland’, een Franse vazalstaat. Zeker zo belangrijk was de internationale situatie. Het was een tijd van koningen en keizers. In de vredesonderhandelingen na de napoleontische oorlogen beschikten monarchen, zoals de keizers van Rusland en Oostenrijk en de koningen van Pruisen en Engeland, over het lot van Nederland. En het leek nuttig om ten noorden van het agressieve Frankrijk een sterke bufferstaat te hebben, met een krachtige koning aan het hoofd. Het huidige België, Nederland en Luxemburg fuseerden tot het Koninkrijk der Nederlanden. Willem Frederik riep in 1815 zichzelf uit tot koning Willem I, maar het was met internationale toestemming.

Eed van trouw

Het ontstaan van het koninkrijk mag dan geen verwondering wekken, het is wel een klein wonder dat Nederland een monarchie bleef. De vorstenhuizen van Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, Oostenrijk en Rusland verdwenen allemaal, slechts een enkele keerde terug. Een logisch verloop van de geschiedenis, zo lijkt het, koningschap is niet meer van deze tijd. Wie wil er nog koninklijke poespas in een op rationalisme gefundeerde maatschappij? Wie verwacht er erfopvolging in een moderne open democratie?

Toch ontstaat, nu Willem-Alexander op grond van zijn geboorte in april de troon gaat bestijgen, geen fundamentele discussie over de monarchie. In de Tweede Kamer is geen politieke partij meer te vinden die oproept tot haar afschaffing. In de marge grommen wat republikeinen, maar bij de inhuldiging van de nieuwe koning in de Nieuwe Kerk in Amsterdam zullen naar verwachting alle 225 leden van de Eerste en Tweede Kamer een eed van trouw afleggen. Terwijl bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898 politiek leiders als de sociaal-democraat Pieter Jelles Troelstra en Abraham Kuyper van de antirevolutionairen nog demonstratief wegbleven.

Dat de monarchie in Nederland na tweehonderd jaar nog zo breed wordt gedragen, heeft te maken met twee ontwikkelingen. In de eerste plaats hebben de Nederlandse vorsten beetje bij beetje hun politieke invloed moeten opgeven ten gunste van het parlement. In het buitenland verdwenen veel vorstenhuizen na gewelddadige twisten over de politieke macht. In Nederland verliep het verminderen van politieke macht veel gelijkmatiger. Als het erop aankwam, pasten de koningen en koninginnen zich aan de heersende voorkeuren aan. Dat gebeurde vaak met tegenzin en niet zonder pijn, maar wel zonder grootscheeps bloedvergieten.

Koning Gorilla

Koning Willem I (1813-1840) was de Nederlandse vorst met de meeste politieke macht. Hij kreeg de soevereiniteit opgedragen. Toch werd hij geen alleenheerser. Willem stemde in met een grondwet die hem constitutioneel vorst maakte, op basis dus van een overeenkomst waarin rechten en plichten waren vastgelegd. In de praktijk hield de koppige Willem daar weinig rekening mee, maar van politieke oppositie had hij in Nederland niet veel te duchten. Dat was anders in België, dat in 1830 in opstand kwam en zich afscheidde.

Zijn zoon Willem II (1840-1849) kreeg wel met serieuze binnenlandse oppositie te maken. Als wispelturige kroonprins had hij al geflirt met liberale ideeën, als koning gaf hij – onder de indruk van gewelddadige revoluties in het buitenland – de liberalen onder leiding van Rudolph Thorbecke opdracht de grondwet te herzien. Daarmee verloor hij een groot deel van zijn bestuurlijke invloed ten gunste van ministers en een voor het eerst rechtstreeks gekozen Tweede Kamer. De koning werd ‘onschendbaar’, de ministers ‘verantwoordelijk’.

Tenminste, zo was het op papier geregeld. Zijn zoon Willem III (1849-1890), ‘Koning Gorilla’, legde zich echter pas bij zijn verminderde macht neer na veel politieke conflicten met kabinet en parlement. Zijn eigenzinnige dochter Wilhelmina (1898-1948) probeerde tijdens de wereldoorlogen weer macht naar zich toe te trekken, maar moest uiteindelijk concluderen dat ze gaandeweg politieke invloed was kwijtgeraakt. Tijdens haar vijftigjarige bewind werd het algemeen kiesrecht ingevoerd en kwam onomstotelijk vast te staan dat een kabinet bij voorbaat het vertrouwen nodig heeft van de Tweede Kamer.

Tegenspel

Na de Tweede Wereldoorlog moest Wilhelmina’s dochter Juliana (1948-1980) toezien hoe haar politieke invloed verder afbrokkelde. Kamer­fracties kregen een grotere rol bij kabinetsformaties en regeringspartijen stelden steeds gedetailleerdere akkoorden op. Bovendien zorgden de Greet Hofmans-affaire en het Lockheed-schandaal ervoor dat minister-presidenten een stevigere positie kregen in hun relatie met de koningin.

Ten slotte kreeg de krachtdadige Beatrix (1980-2013) na een veelbelovend begin als koningin toenemende kritiek op haar bemoeizucht, al lijkt die kritiek in alle lovende portretten rond haar aftreden plotseling verdampt. Discussies over de invloed van de Kroon op politieke besluiten bleven in haar regeerperiode spelen en vorig jaar nam de Tweede Kamer tamelijk onverwacht de formatie van nieuwe kabinetten uit handen van het staatshoofd. Dat ging verrassend makkelijk: regeringspartijen VVD en CDA verzetten zich, maar het plan van de oppositie kreeg steun van gedoogpartner Geert Wilders die de afgelopen jaren meermalen met de koningin in botsing was gekomen.

Voor koning Willem-Alexander blijft alleen de informele politieke invloed over die hij kan uitoefenen omdat hij als staatshoofd deel uitmaakt van de regering. Zijn formele voorzitterschap van de Raad van State wordt nog wel eens genoemd, maar die is in de praktijk niet van belang. In een notitie over het koningschap haalde toenmalig premier Wim Kok in 2000 de rechten aan die de Britse publicist en staatsrechtgeleerde Bagehot ten tijde van koningin Victoria al formuleerde: ‘De koning heeft het recht om geraadpleegd te worden, het recht om aan te moedigen en het recht om te waarschuwen.’

Van die rechten maakte Beatrix in haar contacten met ministers graag gebruik, zoals Kok vorige week voor de televisie verklapte: ‘Ze heeft een zeer intensieve betrokkenheid bij alle onderwerpen waar de regering mee bezig is. Ze tekent niet alleen, ze heeft een mening. Ze geeft tegenspel, daagt je uit, dwingt je om na te denken.’ Maar het is volgens Kok aan de ministers om daar al dan niet naar te luisteren: ‘Ze heeft zoveel invloed als de politiek haar geeft.’

De ware volkswil

Naast de gestage en vreedzame afname van politieke macht van de koning is er nog een tweede ontwikkeling die ervoor heeft gezorgd dat de monarchie de tweehonderd jaar bestaat: koningen en koninginnen werden figuren waar een samenbindende kracht van uitging. Ze ontwikkelden zich tot symbolen van nationale eenheid, tot de continue factor waardoor kabinetten elkaar probleemloos konden opvolgen. De politieke elite ging daar ook steeds bewuster van gebruikmaken. Dat proces verliep voor de vorsten echter veel grilliger dan het gestaag afnemen van hun politieke macht.

‘Alle partyschap moet voor altoos van onder Ons gebannen zyn,’ zei Willem Frederik op verzoenende toon toen hij in 1813 voet op Nederlandse bodem zette. Andere taal dan de oude stadhouders voor hem, die vooral partijmannen waren geweest. Toch verdeelde de koning uiteindelijk door zijn autoritaire en koppige optreden vooral. Met het verlies van België als ultiem resultaat. Zijn zoon Willem II genoot in brede kringen populariteit als ‘Held van Waterloo’, de slag waarin Napoleon op de knieën was gedwongen. Dat ‘ridderlijke’ imago voedde het beeld van de ‘volkskoning’. De democratische oppositie probeerde hem daarmee ook voor haar karretje te spannen: Oranje als ware vertegenwoordiger van het volk, tegenover de regenten die het land naar de afgrond hielpen. Zelfs op de reactionaire en afschrikwekkende Willem III deden Neder­landers een beroep als vertegenwoordiger van de ‘ware volkswil’. In Suriname en op de Antillen verwierf de koning zelfs grote populariteit door de afschaffing van de slavernij in 1863, terwijl het onderwerp hem hoogstwaarschijnlijk worst was. De plaatselijke gouverneurs schoven Willem III handig naar voren als symbool voor nationale verzoening.

Zuilen

De opkomst van het socialisme aan het einde van de negentiende eeuw maakte goeddeels een einde aan het idee dat de koning namens het volk belangwekkende veranderingen zou kunnen bewerkstelligen. Rood en Oranje werden gezworen vijanden, waarbij Rood stond voor omwenteling en Oranje juist voor de gevestigde orde. De verdeeldheid in Nederland werd nog verder aangewakkerd door de opkomende protestantse en katholieke emancipatiebewegingen, die hun aanhang in eigen ‘zuilen’ gingen organiseren. De liberale elite in Nederland zag dit alles met lede ogen aan. Die streefde juist naar een verenigd Nederland waar iedereen zich zou kunnen ontwikkelen tot weldenkende burger.

Na de dood van Willem III in 1890 doemde een nieuwe mogelijkheid op. De impopulaire koning werd opgevolgd door het tienjarig prinsesje Wilhelmina, tegen wie toch niemand bezwaar kon maken. Onder hoede van haar moeder Emma en daartoe aangespoord door achtereenvolgende liberale regeringen, bezochten beide koninginnen alle uithoeken van Nederland. Dat leidde tot groot enthousiasme onder de bevolking, die al decennia geen Oranjes meer langs had gehad. De populariteit van het koningshuis veerde op en de liberalen zagen kans de inhuldiging van Wilhelmina op haar achttiende verjaardag in 1898 te ‘framen’ als feest van nationale verbroedering. In het hele land vierde de bevolking feest, overal vertolkten koren gelegenheidscomposities die ‘het Vaderland’ bezongen. ‘Koninginnedag’ zou de herdenking van de Slag bij Waterloo in de schaduw gaan stellen.

Middenstanders-orangisme

Bij de orthodoxe protestanten was al sprake van Oranjeliefde. Zij zagen Nederland als een door God uitverkoren volk dat door Hem onder Oranje was geplaatst. De liberalen konden echter meeliften met een nieuw soort Oranjeliefde die we in wezen nu ook nog kennen en dat door historicus Henk te Velde wel eens is omschreven als ‘middenstanders-orangisme’: de bevolking heeft recht op een verzetje op zijn tijd. Dat is goed voor het gemeenschapsgevoel en als het even meezit ook voor de eigen omzet.

De socialisten keerden zich van die Oranjeliefde af en hoopten dat het arme deel van de bevolking daarin zou volgen. Maar in 1918 bleek hun leider Troelstra de aanhankelijkheid voor het koningshuis volkomen onderschat te hebben. In de Tweede Kamer zinspeelde hij op een revolutie, waarna in het hele land massale steunbetuigingen voor Wilhelmina losbarstten.

In de ontwikkeling van het koningschap tot symbool van saamhorigheid en nationale eenheid speelden ook internationale spanningen een rol. In tijden van oorlog schaart het volk zich rond de troon. Wilhelmina kreeg in de twintigste eeuw te maken met twee wereldbranden. Ze vereenzelvigde zich met het leger en belichaamde tijdens de Eerste Wereldoorlog de Nederlandse standvastigheid. Onder haar hoede bleek het in die bange tijd ook mogelijk kwesties op te lossen die de politiek decennialang hadden verscheurd: de schoolstrijd werd beslecht en algemeen kiesrecht ingevoerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Wilhelmina zich tot ultiem symbool van verzet en Nederlanderschap. Vanuit haar ballingschap in Londen bleef ze het vaderland onvermoeibaar aanvuren. Bij de koningin zelf voedde het de gedachte dat ze meer nog dan het stroperige parlement de ‘nationale identiteit’ belichaamde.

Haar dochter Juliana verwierf na de oorlog op haar beurt populariteit omdat ze zo gewoon wilde zijn. Een gevoelige snaar bij Nederlanders, die Willem I en Emma voor haar ook hadden bespeeld. Juliana straalde saamhorigheid uit, een koningin met een sociaal hart, een vrouw waar veel Nederlanders van konden houden.

Haar dochter Beatrix wilde zo geen koningin zijn. In haar waardeerden de Nederlanders juist weer haar ijver en professionaliteit. Haar afstandelijkheid nam Nederland op de koop toe.

Het Huis van Oranje-Nassau

Dat de monarchie in Nederland na de oorlog een enorm draagvlak had verworven, blijkt wel uit het feit dat ze tot drie keer toe werd gered door een sociaal-democratische minister-president. Leden van een club dus die enkele decennia eerder nog hartstochtelijk voor haar afschaffing had gepleit. Willem Drees bezwoer met zijn optreden een constitutionele crisis die had kunnen voortvloeien uit de affaire rond Greet Hofmans, Joop den Uyl deed hetzelfde in de Lockheed-affaire en Wim Kok loodste het koningshuis langs de klippen die opdoemden rond de verloving van kroonprins Willem-Alexander met Máxima Zorreguieta. Zelfs leiders die diep in hun hart republikein zijn, verleenden de monarchie op cruciale momenten steun. Wim Kok zei het vorige week zo: ‘Persoonlijk zou ik het niet bedacht hebben, maar ik zie hoe het functioneert.’

Ongetwijfeld heeft die tegenstrijdige steun ook te maken met het feit dat Nederland geen band heeft met de monarchie als zodanig, maar met het Huis van Oranje-Nassau. Die familie speelt sinds Willem van Oranje in de zestiende eeuw een cruciale rol in de Nederlandse geschiedenis. Een historische verbintenis dus. Maar die werkt vooral wanneer mensen hem beleven en voelen. En juist daar doemt na tweehonderd jaar een bedreiging op voor de monarchie. Het nationale voetbalelftal speelt nog steeds in oranje shirtjes en veel Nederlanders krijgen een brok in de keel bij het ‘Wilhelmus’, maar weinigen weten nog waarom.

In 2003 deed massapsycholoog Jaap van Ginneken onderzoek naar het Oranjegevoel van Nederlanders. Uit interviews met mensen uit alle lagen van de bevolking concludeerde hij dat anders dan bij eerdere generaties de historische wortels van het koningshuis nauwelijks meer zo worden gevoeld. ‘De mythen van de geschiedenis worden steeds verder ontkracht.’ Wel blijft het koningshuis voor veel mensen appelleren aan een moeilijk benoembaar gevoel van saamhorigheid, aldus Van Ginneken. Gevoelens die vol zitten met tegenstrijdigheden.

Nieuwe modegril

De grote vraag is hoelang de koning symbool blijft van eenheid en saamhorigheid als dat niet op een of andere manier gestut wordt door een stevig en coherent verhaal. Niet dat Nederlanders alle jaartallen en historische feitjes uit hun hoofd moeten kennen, maar er zou wel enig begrip moeten zijn voor de rol van de Oranjes in de Nederlandse geschiedenis. Uit het onderzoek van Van Ginneken valt op te maken dat veel mensen de monarchie tegenwoordig vooral ‘leuk’ vinden. Daar is niets mis mee, maar het is wel een buitengewoon breekbare basis onder de constitutie. Het koningschap loopt zo kans bij het minste of geringste te worden omgeblazen: door nieuwe schandalen, door hoge kosten, door strapatsen van de Oranjes. Of zelfs gewoon door een nieuwe modegril, als de Oranjes niet langer ‘leuk’ zijn.

Beatrix heeft goed gezien dat het koningschap waardigheid en afstand nodig heeft om te blijven functioneren. Koningschap moet het hebben van het ‘mysterie’, van ministers en fractieleiders die als volwassen professionals toch onder de indruk zijn als ze op het paleis arriveren. Maar we leven in een tijd dat geen vorm van gezag nog heilig is. Bij de aankondiging van de abdicatie stak Geert Wilders de loftrompet over Beatrix, maar zijn uitlatingen over haar, onder meer op Twitter, waren de afgelopen jaren op zijn zacht gezegd onparlementair: haar bezoek met hoofddoek in een moskee Abu Dhabi was een ‘wanvertoning’ en vanwege de ‘multiculti-onzin’ uit een kersttoespraak moest de koningin ‘als een haas’ uit de regering.

Uitglijder

Televisie, internet en sociale media brengen alles wat ver was dichtbij en wat hoog was omlaag. Wat eens verheven was, wordt gewoontjes. Bij de publieke omroep werden vrijwel alleen positieve tweets voorgelezen, maar de reacties op de aangekondigde troonsafstand op GeenStijl klonken heel anders: ‘Gelijk maar helemaal kappen met die poppenkast’, of varianten daarop. Het mysterie van de monarchie wordt meer en meer doorgeprikt. Waar eens de beëdiging van een nieuw kabinet met geheimzinnigheid was omhuld en het volk moest wachten op de bordesfoto, wordt de eedaflegging nu knullig twee keer gefilmd en is de uitgelekte geluidsband waaruit het bedrog blijkt onmiddellijk een hit op YouTube. Weg mysterie.

Koning Willem-Alexander zal aan deze bedreigingen het hoofd moeten bieden. Met hem treedt een nieuwe generatie aan, zei Beatrix vorige week. Dat zal niemand ontkennen. Willem-Alexander zal de tijdgeest vast beter verstaan, maar dat maakt hem nog niet tot een goed staatshoofd. Oud-premier Lubbers onthulde afgelopen week dat hij rond 1994 gebeld werd door prinses Juliana. Of hij naar Soestdijk kon komen. ‘Ik maak me zorgen over mijn kleinzoon,’ had de oude koningin volgens Lubbers gezegd. ‘Die moet straks koning worden. Gaat hij dat redden? Heeft hij de goede antenne?’

Tot dusver heeft Willem-Alexander daar nog niet echt blijk van gegeven. Juntaleider Videla aanroepen als getuige in de kwestie-Zorreguieta blijft een blunder van jewelste, ook al werd het later charmant afgedaan met een grapje van Máxima. Willem-Alexander was in die dagen haast tot alles in staat om zijn huwelijk door te zetten, zo verklaarden diverse betrokkenen. Meer dan ‘een beetje dom’. Máxima heeft een verstandige invloed op hem, zo wordt gezegd. ‘Ik ben zó blij dat zij zijn vrouw is,’ zei Wim Kok afgelopen week haast iets té enthousiast. Hij kan het weten, want hij was in 2000 bij de sessies om het paar ervan te overtuigen dat vader Zorreguieta niet naar het huwelijk moest komen. Toch moet de­ toekomstige koningin mede aan de wieg hebben gestaan van het plan om een peperdure vakantievilla te bouwen in het straatarme Mozambique. De tweede uitglijder die Wil­lem-­Alexander nu wordt aangewreven.

Een gekozen president

Het verdwijnen van historisch besef, de ontmythologisering van symbolen en tradities, de erosie van gezag, het alziende oog van de nivellerende media: het is nog maar de vraag of de monarchie in zo’n wereld, onder leiding van Willem-Alexander, kan overleven. Maar wat is het alternatief? Wat zou er voor de monarchie in de plaats moeten komen? Het voor de hand liggende antwoord luidt: een republiek met een gekozen president. Dat zou een einde maken aan dat malle ouderwetse idee dat iemand op grond van zijn geboorte aanspraak kan maken op een belangrijke functie in de maatschappij.

Het zal echter lastig blijken zo’n president rechtstreeks door het volk te laten kiezen. Het gehele politieke bestel wordt ermee ondersteboven gegooid. Een president met een eigen kiezersmandaat gaat ten koste van het parlement, waar nu het zwaartepunt van de Nederlandse democratie ligt. Meer in overeenstemming met het Nederlandse stelsel lijkt een staatshoofd dat door Eerste en Tweede Kamer wordt gekozen, een oud-politicus dus met veel gezag.

Toch zal het voor zo’n president Lubbers of Kok moeilijk zijn onpartijdigheid uit te stralen, omdat hij nu eenmaal uit een politieke partij afkomstig is. Het gesteggel tussen SPD en CDU wie in Duitsland de bondspresident mag leveren is niet bepaald een wenkend perspectief. De onpartijdigheid van het staatshoofd is cruciaal in een democratisch bestel zoals Nederland het kent. En een samenbindend symbool in een gefragmenteerde samenleving en een verdeeld politiek landschap is wel heel mooi meegenomen. Duitse en Franse republieken gingen aan interne vijandschap ten onder. Het koningschap verandert niet alleen zelf mee met de tijd, betoogde oud-minister Ernst Hirsch Ballin onlangs, het maakt geweldloze veranderingen in de maatschappij ook mede mogelijk.

Misschien is het met de Nederlandse monarchie net zoals met de democratie. Ze faalt onophoudelijk, maar iets beters hebben we niet.

Van Jaco Alberts verschijnt in april het boek ‘De Nederlandse monarchie’ bij Historisch Nieuwsblad/Veen Media