‘Vraag dan wat!’ roept een Birmese collega als ik tegenover Jimmy sta. Maar de journalistieke distantie laat me hopeloos in de steek. Ik wil niets vragen. Ik wil alleen maar ‘Welkom terug’ tegen Jimmy zeggen.
Hij grijnst. Zijn vrouw Nilar Thein, die een paar uur eerder de gevangenis verliet, steekt haar duim naar me omhoog. Op haar schoot barst kleuterdochter Sunshine in snikken uit onder het geklik van al de camera’s die de thuiskomst van haar ouders en tientallen andere prominente dissidenten vastleggen.
Voorheen durfden slechts de allerdappersten de vrijgelaten politieke gevangenen in het openbaar welkom te heten, maar deze keer wacht hun een onthaal als overwinnaars. Op de gewoonlijk zo strenge luchthaven in het noorden van Rangoon zwermen op de ochtend van 13 januari honderden activisten in T-shirts met teksten die vrijheid voor de politieke gevangenen eisen. Opgewonden ontrollen ze meterslange banieren met ‘Hartelijk welkom’ uit. Ik hoor hoe sommigen zich zelfs wagen aan het zingen van ‘Strijd voor de Vrede’, het verboden lied van een zanger in ballingschap. Anderen bellen voortdurend op mobieltjes en roepen aan elkaar de namen van andere vrijgelaten gevangenen door. Vanaf de plastic stoeltjes in de aankomsthal zien ouderen met bossen bloemen op schoot het pandemonium ingetogen, maar stralend aan. De hal ruikt naar de slingers van jasmijn die de afhalers hun dierbaren om de nek werpen. Die lieflijke geur op een locatie waar ik de afgelopen jaren als ongewenste pottenkijker regelmatig door de medewerkers van de immigratiedienst aan de tand ben gevoeld, vergroot mijn gevoel van onwerkelijkheid.
Mozart
Birma balanceert tussen hoop en vrees als ik half december in Rangoon arriveer. President Thein Sein heeft, sinds in maart 2011 een regering van voornamelijk ex-militairen aantrad, een aantal opmerkelijke stappen gezet, zoals meer vrijheid voor de media, de stopzetting van een door China aangelegde dam en een respectvolle ontmoeting met oppositieleidster Aung San Suu Kyi. Als bewijs van die verbeterde betrekkingen staart het gezicht van Suu Kyi me overal tussen de verweerde gevels aan. Posters, kalenders, sleutelhangers, opschrijfboekjes, koffiebekers – ik zie zelfs oorbellen met haar beeltenis. Jarenlang hadden de meeste van haar aanhangers haar portret in het geheim gekoesterd. Nu is ze van verboden icoon een ware pin-up geworden. In het kantoor van Suu Kyi’s partij stommelt de ene na de andere internationale delegatie de smalle trap op en af sinds Hillary Clinton haar een paar weken eerder een historische omhelzing gaf. In afwachting van de opheffing van westerse sancties neuzen er meer zakenlieden rond dan ooit. Vrijwel alle hotels zitten volgeboekt. Het wachten is op een amnestie voor de politieke gevangenen, de volgende belangrijke indicatie dat de president zijn beloften van hervorming waarmaakt.
‘Geloof me, de politieke gevangenen komen vrij,’ zegt Suu Kyi als ik haar in haar gammele kantoor opzoek, en hoewel ze geen details geeft, klinkt het stelliger dan ik het ooit van haar gehoord heb. Maar als op de voorspelde datum van 4 januari, de dag van de onafhankelijkheid, slechts een dertigtal dissidenten vrijkomt, gonst het van de speculaties dat de tegenstanders van hervormingen het proces blokkeren. In haar stampvolle, bloedhete kantoor, waar met traditionele muziek en een sonate van Mozart de onafhankelijkheid van 1948 wordt gevierd, weigert Suu Kyi commentaar. Haar bezorgde gezicht spreekt boekdelen en later op de dag waarschuwt ze dat het leger nog veel macht heeft. In het noorden van het land verhevigen gevechten tussen het regeringsleger en de troepen van de etnische minderheid de Kachin. ‘We willen vechten,’ zeggen jonge Kachin die ik in Rangoon interview. Ze geloven niets van de beloften van de nieuwe regering.
Hopen doet pijn
Heeft de president het leger wel onder controle? Welk sinister schaakspel is er gaande tussen de voor- en tegenstanders van verandering? In mijn pogingen tot duiding en analyse zwabber ik net zo hevig tussen argwaan en optimisme heen en weer als veel Birmezen die ik spreek. Het land doet zijn reputatie van onvoorspelbaarheid weer eens alle eer aan. In de dagen die volgen, blijven de poorten van de gevangenissen gesloten. Mijn visum verloopt, maar iets zegt me dat ik nog niet weg kan uit Rangoon. Nog maar nauwelijks heb ik mijn terugvlucht naar huis uitgesteld of ik krijg in de namiddag van 12 januari een sms-bericht van een Birmese schrijfster die met de opgesloten Jimmy en Nilar Thein bevriend is: ‘Regering kondigt amnestie aan. 13 januari.’
Een belronde langs families van de dissidenten levert sceptische reacties op. ‘We geloven het pas als we hun gezichten met onze eigen ogen zien,’ zeggen ze. Een van hen legt uit: ‘Ik durf niet meer te hopen. Hopen doet pijn en die pijn heb ik al te vaak gevoeld.’ Maar terwijl de avond verglijdt naar de nacht, slaat bij het thuisfront toch de opwinding toe. Sommigen poetsen en boenen er op los in hun huis, of ze offeren wierook en kaarsen bij hun boeddha. Anderen rijden in het pikkedonker vast naar de afgelegen gevangenissen. Er zijn er ook die van alles en nog wat doen, maar daar later geen idee meer van hebben als ik hun vraag hoe ze het wachten hebben volgehouden.
Niet alleen leiders van de 88 Generation Students, ook etnische prominenten, monniken, journalisten en zelfs leden van de inlichtingendienst die vanwege een onderlinge machtsstrijd waren vastgezet, zijn vrij. Hoewel waarschijnlijk honderden politieke gevangenen nog achter de tralies zitten en onder de draconische wetten nieuwe arrestaties elk moment mogelijk zijn, is het de grootste amnestie sinds jaren.
Buiten Birma staan de vrijgelaten ex-studenten in de schaduw van Suu Kyi, maar voor veel Birmezen hebben ze een legendarische status. De miljoenenprotesten die zij in 1988 in gang zetten, deden het bewind wekenlang wankelen. In de korte periode van hun vrijlating in 2004 voerden ze als 88 Generation Students – een volwassener versie van de studentenrebellie – campagne voor een beter Birma.
Ik had talloze malen bericht over het lot van Jimmy, Nilar Thein en hun collega’s en me afgevraagd wanneer er een eind zou komen aan de orwelliaanse 65 jaar waartoe ze deze keer veroordeeld waren. Maar als ik op 13 januari het verhaal doormail waarvan ik zo vaak gewenst had dat ik het zou schrijven, kan ik nog steeds niet bevatten dat ik ze heb teruggezien.

Niet opgeven
Toen ik ruim twintig jaar geleden in de ban raakte van Birma, zaten Jimmy en zijn collega’s al voor het eerst gevangen. Op zoek naar een onontdekt verhaal was ik neergestreken in het junglehoofdkwartier van de etnische minderheid de Karen die al decennia in oorlog waren met de Tatmadaw (het regeringsleger). Het vergeten conflict in de afgelegen jungle van Oost-Birma bleek een fascinerende wereld. Ook stadsbewoners hadden zich bij het rebellenleger aangesloten en onder hen bevonden zich vrienden van de gevangen studentenleiders die in 1988 het land op zijn kop hadden gezet. Weken bracht ik door in hun bamboewereld aan de frontlinie. Ze vertelden over de martelingen die hun vrienden ondergingen en hoe hun geest in de eenzame cel soms aan het dwalen sloeg. Maar regelmatig lieten ze ook gesmokkelde briefjes zien die strijdbaar klonken: ‘Niet opgeven’. In een klein kantoor in het aangrenzende Thailand hielden ze de herinnering aan hun opgesloten leiders levend met campagnes, T-shirts en pamfletten. Ik las er een gedicht van Jimmy dat ‘De Deur’ heette. Een gekwelde tekst over een celdeur die het lot van de gevangene en dat van zijn bewakers met elkaar verbond. Tijdens mijn reizen naar Centraal-Birma leerde ik de dissidenten kennen die weigerden te vluchten en die onder het juk van de junta de politieke strijd in het geheim voortzetten.
Na jaren wanbeleid zullen de nieuwe leiders een failliete inboedel erven
Al die verhalen over moed en offers kropen diep onder mijn huid, en hoe weinig interesse media ook hadden, Birma liet me niet meer los. Maar het werd me na verloop van tijd ook duidelijk dat het de meeste dissidenten ontbrak aan strategie en analyse. Ik ontdekte hoe de overzichtelijke wereld van al diegenen die het morele gelijk aan hun zijde hadden, maar een stukje van Birma was. Onder de greep van de junta lag een zwaar verdeeld land met talloze groepen die er hun eigen agenda’s op na hielden. Ook onder een democratische regering zouden Birma ongetwijfeld nieuwe conflicten te wachten staan. Na jaren van wanbeleid en roofbouw zouden de nieuwe leiders van het vroeger zo rijke en hoogopgeleide land een nagenoeg failliete inboedel erven. De taak die de dissidenten misschien ooit wachtte, leek me onmogelijk.
Huilende baby
Toen ik de leiders van de 88 Generation Students na hun tijdelijke vrijlating eind 2004 voor het eerst in levenden lijve ontmoette, was het na alle verhalen van hun vrienden en familie alsof ik hen al jaren kende. Ze zaten vol plannen. Terwijl de partij van Suu Kyi tijdens het huisarrest van haar leidster onder bejaard en weinig visionair leiderschap wegkwijnde, wonnen de 88 Generation Students aan invloed. ‘We eisen niet zoals voorheen een machtsoverdracht. Onze acties gaan over verzoening, dialoog en betere levensomstandigheden,’ zei Jimmy. Zijn vrienden praatten onafgebroken door elkaar en het aantal bierflesjes om hen heen groeide. Jimmy gedroeg zich bedachtzamer en hij dronk niet. ‘Ik ben aan het werk,’ zei hij half spottend, half serieus. Hij sprak goed Engels met een licht Amerikaans accent. Nilar Thein, zijn vrouw die naast hem zat, luisterde vooral. Je kon haar, met haar frisse gezicht en loshangende haren boven een witte blouse en een thamei (sarong), makkelijk voor een jonge studente aanzien, maar ze had al een lange staat van dienst als activist. In 1988, op haar zestiende, was ze voor het eerst de straat opgegaan om te demonstreren. Toen ze in 1996 nieuwe protesten organiseerde, kwam haar dat op acht jaar cel te staan. De anderen grapten dat Nilar Thein een beginner was vergeleken bij Jimmy en zijn collega’s, die er al zestien jaar, grotendeels in eenzame opsluiting, op hadden zitten. Ondanks de ernst van de gesprekken genoten de twee zichtbaar van de gastvrijheid en het sfeervolle appartement van onze gastheer. Door de ramen was het Inya-meer te zien. Het water kleurde fotogeniek in allerlei pasteltinten totdat het donker abrupt de omgeving opslokte. Uit de huizen begonnen hier en daar kleine lichtjes als sterren te flonkeren.
Jimmy en Nilar Thein waren niet ouder dan begin veertig, maar ze hadden meer meegemaakt dan ik me over een mensenleven kon voorstellen. Na al die jaren achter de tralies hadden ze ondanks hun gedrevenheid ook iets wereldvreemds. Dat vonden ze zelf ook. Ze spijkerden hun kennis over politiek en internationale kwesties bij met cursussen, bijvoorbeeld bij westerse ambassades. Jimmy informeerde naar transitieprocessen elders in de wereld en vroeg om boeken als Tomorrow Is Another Country, het verhaal van Allister Sparks over de politieke veranderingen in Zuid-Afrika. Zijn vragen vormden een pijnlijk contrast met de grootse verwachtingen die veel Birmezen van hen hadden. Dat was ook wel een last, gaf Jimmy toe.
Het gesprek werd persoonlijker. Ze hadden een kinderwens, maar ze vroegen zich af of een baby wel verantwoord was in het ongewisse bestaan dat ze leidden. ‘Want wat er ook gebeurt, we geven ons werk niet op,’ zeiden ze.

Hun initiatieven namen toe. Ze gingen over straat in T-shirts met de tekst ‘Free Aung San Suu Kyi’. Ze organiseerden een campagne van gebeden voor een beter Birma. Hun brievenactie, die mensen opriep hun moeilijkheden op te schrijven, resulteerde in tienduizenden reacties. Het was een noodkreet van ongekende omvang in het geknevelde land. Op foto’s die ze stuurden, stonden sommige leiders met een gebalde vuist vooraan, maar Jimmy bleef vaak op de achtergrond. Hij keek bezorgd in de verte alsof hij daar al iets verontrustends zag dat de anderen nog niet hadden opgemerkt. Ze werden regelmatig opgepakt voor verhoor, maar zodra ze vrijkwamen gingen hun acties door.
Te midden van dat alles werd Sunshine geboren. Ze was een paar maanden oud toen haar ouders Jimmy en Nilar Thein op 19 augustus 2007 met hun collega’s van de ene bushalte naar de andere liepen. Zo protesteerden ze tegen de drastische verhoging van de brandstofprijzen die de junta plotseling had aangekondigd. Ze speelden met vuur. De prijsexplosie raakte aan ieders bestaan, in heel Birma gistte de onvrede en daarmee ook een potentiële nieuwe opstand. Twee dagen later voerde de junta Jimmy en de meeste andere leiders af naar gevangenissen ver buiten het onrustige Rangoon. Nilar Thein leidde nog één keer een protestmars, toen dook ze met Sunshine onder.
Monniken namen het verzet massaal over. De wereld laafde zich aan de beelden van de heldhaftige zonen van Boeddha die blootsvoets de geweerlopen trotseerden, maar ik werd er somber van. Ook in het verleden zette het leger immers geweld in tegen monniken en er was geen indicatie dat de militairen deze keer wel de kant van de demonstranten zou kiezen. Het was wachten op het onvermijdelijke. Een paar dagen later werden duizenden monniken en burgers gearresteerd, en minstens tientallen vermoord door veiligheidstroepen en milities. Voor de zoveelste keer in de geschiedenis was Birma een nieuwe generatie martelaren rijker. Rangoon was een belegerde stad toen ik kort daarna arriveerde. Ik dacht aan Nilar Thein en haar baby terwijl de geluiden van razzia’s door de nacht klonken. Het aanbod haar te ontmoeten, sloeg ik af uit angst haar in gevaar te brengen. Niet veel later moest ze Sunshine aan familie afstaan omdat de huilende baby te veel aandacht trok. ‘Op een dag zal Sunshine begrijpen waarom ik haar achterliet,’ zei ze tegen een Birmese collega. Een jaar trok ze in Rangoon van schuilplaats naar schuilplaats en toen werd ook zij opgepakt. Net als haar man Jimmy en zijn collega’s kreeg ze vijfenzestig jaar. ‘Vijfenzestig jaar maar?’ spotte een van hen toen in een schijnproces het vonnis werd geveld.
De goede kant op
De wereld van de dissidenten was me vertrouwd, maar tot de militairen had ik al die jaren geen toegang. Op een enkele propagandabijeenkomst na hield de junta de deuren gesloten voor de media. Om aan de weet te komen wat ze dachten, las ik de gortdroge staatskrant met waarschuwende teksten over het gevaar van het uiteenvallen van de staat en lovende slogans over het leger als hoeder van de natie. Het Tatmadaw-museum met zijn eindeloze rijen tanks, vliegtuigen, jeeps, kanonnen en geweren gaf ook een kijkje in de legerkeuken. Op enorme afbeeldingen overzagen generaals de aanleg van wegen, bruggen, dammen en schoolgebouwen. Zo liet de Tatmadaw zien dat het zichzelf niet alleen als een professionele gevechtsmachine zag, maar ook als de stichter van een moderne natie. Een paar bezoeken aan de megalomane nieuwe hoofdstad Naypyidaw maakten duidelijk dat de juntaleider Than Shwe zichzelf bovendien als de voortzetter van een koninklijke dynastie beschouwde.
Mijn omzichtigheid begint overbodig te lijken, een beetje lachwekkend zelfs
Terwijl de juntaleden de pers meden, speurde hun geheime dienst naar ongewenste pottenkijkers. Ik leerde alle trucs hanteren die voor veel Birmezen dagelijkse routine waren. Ik gebruikte verhullende zonnebrillen, codewoorden en valse namen. Ik kende de hotels waar je dankzij verschillende uitgangen weg kon glippen en wist via welke routes je de achtervolgers op motoren het beste kon afschudden. Ik werd expert in het aanvragen van visa op afgelegen ambassades met telkens weer andere paspoorten. En ook al werd het klimaat langzaamaan iets vrijer, ik bleef op mijn hoede – bang dat ik de toegang tot het land waar ik met zoveel inspanning mijn weg gevonden had en waaraan ik gehecht was geraakt, zou kwijtraken.
Maar deze keer begint mijn omzichtigheid overbodig te lijken, een beetje lachwekkend zelfs. Sinds de recente amnestie praten met de dag meer mensen vrijuit over politiek. Alsof er een collectieve straf is opgeheven. Zelfs de meest sceptische van mijn vrienden gaan hoop koesteren dat het de goede kant opgaat.
Opportunisten
‘Is dit nu allemaal echt?’ vraag ik voor de zoveelste keer aan redacteur Win Tun terwijl we in Chinatown een biertje drinken. Hij lacht. ‘Ik denk ook nog regelmatig dat ik droom.’
Decennialang werd de journalistieke veteraan Win Tun door de autoriteiten als vijand van de staat bejegend en net als veel journalisten zat hij een aantal jaren gevangen. Als om zichzelf te overtuigen, vertelt hij opnieuw hoe hij enkele weken geleden de minister van Spoorwegen in de nieuwe hoofdstad Naypyidaw sprak. Toen ze samen van hun thee nipten, zei de minister, die als een voorstander van hervormingen bekendstaat: ‘Luister, een vrijere pers is beter voor jullie en voor ons.’

Win Tun is met zijn encyclopedische kennis en visie al jaren mijn mentor en vraagbaak. Een paar uur met hem leerde me doorgaans meer dan alle Birma-berichten bij elkaar. En als ik weer eens alleen maar donkere wolken zag, deed zijn langetermijnblik altijd wel ergens hoop gloren. Het is prettig hier te zitten en te horen hoe zijn vertrouwde hese stem de nieuwe ontwikkelingen inschat. ‘Het is speculeren of de fragiele vrijheid blijvend is en hoe ver de hervormingen zullen gaan. We zijn er nog lang niet,’ zegt hij. ‘Maar terug naar hoe het was, nee, dat kan niet meer.’
In de rest van Rangoon is het leven al uit de straten weggeëbd, maar om ons heen bruist het nog. Voorbijgangers persen zich langs stapels T-shirts en spijkerbroeken die op de stoep liggen uitgestald. Bezoekers wandelen de Chinese tempel in en uit. Een jongen roostert ons eten op een kleine barbecue: spiezen met okra, champignons, garnalen, kip en varkensribbetjes.
Nippend van zijn biertje speculeert Win Tun net als zovelen over de verklaring voor de veranderingen. Is de president een hervormer die een eigen koers begint te varen, of geeft de voormalige juntaleider Than Shwe zijn fiat in ruil voor een rustig pensioen en het opbouwen van karma voor een volgend leven? ‘We horen dat hij het zo wil en dat hij zich niet elke dag meer met de gang van zaken inlaat,’ zegt Win Tun. Hij onderstreept dat de veranderingen minder uit de lucht komen vallen dan het op afstand lijkt. Al jaren geleden kondigde het bewind een routekaart naar een ‘disciplined democracy’ aan waarvan de verkiezingen van 2010, het installeren van een civiele regering en het geregisseerde vertrek van Than Shwe de laatste etappes vormden. Terwijl het merendeel van de Birmese diaspora vast zat in een zwart-witkijk op hun vaderland, bewoog de samenleving. Ngo’s, lokale media, activisten en kritische academici wrikten de vingers van de stalen vuist haast onmerkbaar een beetje uit elkaar. Toen de macht na de verkiezingen van 2010 meer verdeeld raakte, nam hun speelruimte verder toe. Maar er ligt nog altijd een ondemocratische grondwet die het leger en de president grote bevoegdheden geeft en ook de oude krachten roeren zich nog. Zoals Kyaw Hsan, de minister van Informatie, die de recente amnestie vrijwel geheel uit de staatsmedia weghield. Er is een nieuwe mediawet in de maak en journalisten en parlementariërs tasten grotendeels in het duister over de inhoud. Ook de raad van censuur stelt nog regelmatig grenzen, al staat de toekomst van de poortwachters ter discussie in de komende zitting van het parlement. Win Tun vertelt dat zijn favoriete artikel over opportunisten die politieke successen claimen of die naar het winnende schip willen overspringen het onlangs nog moest ontgelden. ‘Pyoke!’ (‘Verwijderen!’) stond er bij de kop: ‘Snuffelen rond de macht’. De alinea over de economische tycoons die na jaren van nauwe banden met het regime de sympathie van Suu Kyi trachten te winnen, mocht evenmin gedrukt. Op een toon die leedvermaak verraadt, zegt hij: ‘Hun bezoeken aan the lady zijn misschien wel het beste bewijs dat het tij aan het keren is.’
De afgelopen decennia vergaarden de mega-ondernemers een fortuin dankzij hun goede banden met de militaire top en hun families. Sommigen gebruikten hun bedrijven om inkomsten uit de opiumhandel wit te wassen. Ze leven met hun gezinnen in een afgesloten wereld met bewaakte compounds en verplaatsen zich in fourwheeldrives met geblindeerde ramen. Als ik tijdens de zoveelste power cut wel eens langsreed, baadden hun villa’s in het licht terwijl de rest van Rangoon bij kaarslicht zat. In nachtclubs zag ik hoe hun kinderen zich van de wereld dronken met cocktails die dagen aan salaris kostten.
‘Probeer eens een afspraak met ze maken,’ suggereert Win Tun. Ik aarzel nog om me te melden bij mensen die ik jarenlang moest zien te mijden, maar hij lacht mijn twijfel weg.
Een slechte reputatie
De zakelijke toptien van Birma geeft niet thuis, maar Ko Ko Htwe is wel bereid me te ontmoeten. Hij is voorzitter en mede-eigenaar van Taw Win Family, een megaconcern met onder andere bouwbedrijven en meubelmakerijen. Op een meterslange, toffeekleurige bank in een kantoor met zoevende liften en geüniformeerde bewakers vertelt hij waarom hij begin januari zijn filmzaal aan Suu Kyi en haar collega’s ter beschikking stelde. Voor het eerst in de recente geschiedenis werden op het Art of Freedom filmfestival vier dagen lang films en documentaires vertoond zonder dat ze aan de autoriteiten waren voorgelegd. ‘Ik ben een voorstander van vrije expressie en ik houd van kunst,’ zegt Ko Ko Htwe. Om zijn woorden te onderstrepen, wijst hij naar een zwarte piano in de hoek. Boven zijn bureau met flatscreen hangt een groot portret van Suu Kyi’s vader Bogyoke (grote generaal) Aung San. ‘Dat heb ik sinds de nieuwe regering. Voor die tijd zou het me een slechte reputatie geven.’

Ko Ko Htwe heeft een gemoedelijk rond gezicht. Hij is traditioneel gekleed in een donkere zijden longyi (sarong) en wit kraagloos overhemd. Aan zijn pink prijkt een ring met een enorme robijn. Hij spreekt vrij goed Engels, maar voor de zekerheid heeft hij zijn juridisch adviseur er bij gevraagd als tolk. Over zijn nauwe banden met de militairen en de rijkdom die hij vergaarde, vertelt hij in de derde persoon, alsof het niet over hemzelf gaat. ‘Alleen wie relaties met de top heeft, kan in Birma goede zaken doen. Dat is maar voor een enkeling weggelegd.’ Overmorgen moet hij naar de nieuwe hoofdstad Naypyidaw omdat de regeringsleiders zijn advies over de bouw van een bioscoop voor driedimensionale films nodig hebben. Hij reageert politiek correct op de nieuwe tijden: ‘Het is belangrijk dat er in ons land eerlijke competitie komt.’ Ook verder doet hij zijn best. Hij laat koffie brengen en een bord met schijfjes appel. Hij laat zich positief uit over Suu Kyi, maar ook over president Thein Sein die hij persoonlijk kent. ‘Hij is een man die in staat is tot luisteren. Hij en zijn medestanders willen veranderen, maar ze missen de expertise om het op de juiste manier te doen.’ Het interview lijkt op een examen waarbij hij een zeer gemotiveerde leerling is. Alsof hij bang is dat zijn teksten niet doordringen, herhaalt hij ze regelmatig. Ook hij moet aan de situatie wennen. Na afloop vraagt hij enigszins bedremmeld: ‘Wat denk je: waren mijn antwoorden in orde?’
Gewaagde teksten
In een restaurant hapt Jimmy van zijn pangsit alsof het knapperige gerecht in de gevangenis zijn dagelijkse kost was. Zijn gezicht staat kalm. Alleen zijn enigszins rooddoorlopen ogen verraden dat hij sinds zijn vrijlating zijn bed nauwelijks heeft gezien. Hij lacht om de opmerking dat hij er zo goed uitziet: ‘Dat komt omdat ik een schoon geweten heb.’ Ondertussen beantwoordt hij zijn mobiele telefoon die voortdurend rinkelt. Gevluchte dissidenten uit New York, Tokio, Londen en Birmese journalisten uit Washington en Bangkok – de hele wereld hangt aan de lijn. Af en toe belt hij zelf naar vrienden: ‘Hallo. Raad eens wie hier spreekt?’
‘Bij mijn afscheid zeiden de bewakers: “Ga door met je politieke werk”‘
Ik sla hem met verbazing gade. Hoe maakt hij ogenschijnlijk zonder moeite de overstap vanuit de cel naar de normale wereld? Mijn hoofd zit vol gruwelverhalen, maar Jimmy wil geen woorden vuil maken aan de details van zijn behandeling, en zegt laconiek: ‘Vroeger was ik de slaaf van de gevangenis, maar deze keer hadden de bewakers ontzag voor me.’ Sinds de nieuwe regering aantrad, vroegen de autoriteiten hem zelfs regelmatig om raad over hoe ze met hun magere budgetten de gevangenis moesten runnen. ‘Toen ze wilden weten of ze ons tv moesten laten kijken, zei ik: “Natuurlijk. Daar hebben we recht op.” Vanaf toen mocht het.’ Hoezeer het tij aan het keren was, bleek ook toen hij vertrok uit de gevangenis. ‘Bij mijn afscheid zeiden de bewakers: “Zorg dat je doorgaat met je politieke werk.”‘
Vanuit de zaal boven klinken de presentaties van schrijvers met wie het echtpaar bevriend is. Het zijn gewaagde teksten: over verantwoord leiderschap, democratie en vrijheid. Aan een tafeltje verderop is Nilar Thein in gesprek met haar collega’s. ‘Natuurlijk ga ik door met mijn politieke werk. Ik wil dat onze dochter opgroeit in een land dat vrij is van angst en conflicten,’ heeft ze eerder tegen me gezegd.
Jimmy heeft de donkerbruine sweater waarin hij aankwam verruild voor een kraakhelder wit overhemd en een donkere longyi, het inofficiële uniform van de 88 Generation Students. De eerste grote persconferentie van de beweging staat voor over een paar dagen gepland. Hij neemt vast een voorschot op de boodschap. ‘We kunnen de president en zijn regering niet helemaal vertrouwen, maar we willen ze laten weten dat ze op de goede weg zijn. We pleiten voor vrede, verzoening en een landelijke dialoog, zoals we dat al twintig jaar doen.’
Ik stel de vraag die sinds die fatale ochtend van augustus 2007 in mijn hoofd zit: ‘Jullie moeten geweten hebben dat die demonstratie naar de gevangenis zou leiden, terwijl jullie juist daarbuiten zo hard nodig waren. Waarom hebben jullie het gedaan?’
Jimmy glimlacht. ‘Die vraag had ik al verwacht.’ Even denkt hij na, dan zegt hij: ‘We wilden geen revolutie, maar een beperkte destabilisatie om aan te tonen dat Birma onder de koers van toen geen stabiel land zou worden.’ Terwijl ik die woorden tot me laat doordringen, concludeert hij op nuchtere toon: ‘We dachten dat we drie jaar zouden krijgen. Het werden er bijna vier. We hadden het dus niet zo slecht berekend.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.