Non-fictie / Economie

Stop deze depressie nu is geen zelfhulpboek, maar een oproep om een einde te maken aan de economische crisis. Het nieuwste werk van econoom, Nobel­prijswinnaar en New York Times-columnist Paul Krugman verscheen dit voorjaar in Amerika en is nu in het Nederlands vertaald (Balans, 263 p., € 18,95). Krugman staat erom bekend een volgeling te zijn van Keynes, de invloedrijke econoom die in de jaren dertig een grotere rol voor de overheid bepleitte. ‘Overheid’ is nu meer dan ooit een vies woord in Amerika, dus het zal niet verbazen dat Krugman een omstreden econoom is: door links omarmd, door rechts gehaat.

Krugmans boek is behalve een interessante analyse ook een pamflet, de toon is licht gealarmeerd. De werkloosheid is volgens Krugman sinds de Grote Depressie van de jaren dertig niet meer zo hoog geweest. De gevolgen zijn verschrikkelijk, zowel voor de mensen om wie het gaat als voor de economie als geheel. Door de niet-benutte arbeidskrachten gaat elk jaar zo’n één biljoen dollar verloren. Het probleem is dat consumenten te weinig geld uitgeven en dat het bedrijfsleven dit niet compenseert door meer te investeren. Normaal gesproken zou de centrale bank dit kunnen oplossen door de rente te verlagen en het zo aantrekkelijker te maken om te lenen, maar dat is nu niet mogelijk: de rente is al bijna 0 procent. Er is sprake van een ‘technisch probleem’, of ‘vastgelopen software’, zoals Krugman het noemt. En dit zou, in zijn ogen, eenvoudig opgelost kunnen worden door de overheid. Iemand moet immers beginnen met geld uitgeven.

In 2009 leken de Amerikaanse beleidsmakers het hiermee eens te zijn. Direct na zijn aantreden kondigde Obama een stimuleringspakket aan ter waarde van 787 miljard dollar. Deze ‘stimulus bill’ werd het onderwerp van een hevige discussie. Conservatieven verwijten Obama dat hij de staatsschuld heeft laten oplopen met een stimulering die niets goeds heeft opgeleverd. Liberalen, onder wie Krugman, erkennen dat de effecten van het pakket gering waren. Maar dit kwam juist, zo stellen zij, doordat het niet omvangrijk genoeg was. Het resultaat van de geringe omvang was niet alleen dat de economie onvoldoende werd gestimuleerd, aldus Krugman. Het politieke gevolg was nog veel negatiever: door het niet-doeltreffende pakket kregen stimuleringsmaatregelen een slechte naam. Zo heeft het kunnen gebeuren dat rechtse Amerikanen nu roepen dat een stimuleringspakket geen zin heeft. Voor Democraten is het moeilijk geworden om steun te vinden voor nieuwe stimuleringsmaatregelen.

Een zedenspel

Toch is dat waar Krugman voor pleit. In hoofdstuk twaalf komt hij met de beloofde oplossingen voor de crisis in Amerika. Bezuinigingen bij lagere overheden moeten worden teruggedraaid; er moet meer hulp worden geboden aan mensen in nood; de Fed dient een aantal ‘agressieve’ maatregelen te nemen, onder andere het laten oplopen van de inflatie; mensen met hypotheekschulden moeten de kans krijgen hun hypotheek over te sluiten tegen de huidige, lagere rente, ook als er geen overwaarde meer op hun huis zit. ‘Los het technische probleem op en de economische motor komt brullend weer tot leven,’ belooft Krugman.

Hij weet dat het moeilijk gaat worden zijn plannen uitgevoerd te krijgen. Zelfs de Demo­cratische president Obama maakte in 2010 de draai van investeren naar bezuinigen. Volgens Krugman zijn er verschillende redenen voor de weerstand tegen een actievere rol van de overheid. Een ervan is dat bezuinigingen de belangen dienen van de crediteuren, oftewel de mensen met het geld. Zij zijn niet gebaat bij inflatie en een lage rente. En deze mensen zijn oververtegenwoordigd in machtsposities. Een andere reden is dat men de neiging heeft de economische crisis tot een ‘zedenspel’ te maken, ‘een verhaal waarin een depressie een noodzakelijk gevolg is van begane zonden en niet verzacht mag worden’.

De Grote Misvatting

Ook aan de crisis in Europa wijdt Krugman een hoofdstuk. De munt had vanaf het begin weinig kans van slagen, zo betoogt hij. Waar de Verenigde Staten een federale overheid hebben die geld overhevelt van de ene naar de andere staat, bestaat er in Europa niet zo’n vanzelfsprekende solidariteit. Verder is de arbeidsmobiliteit in de eurozone veel geringer. In Amerika verhuizen werklozen makkelijk van de ene naar de andere staat, terwijl dit in Europa minder gebruikelijk is, alleen al vanwege de taalverschillen. De eurocrisis wordt volgens Krugman veroorzaakt door deze twee problemen. Het wijdverbreide verhaal dat de crisis voortkwam uit fiscaal onverantwoordelijk gedrag, wijst hij van de hand als een ‘Grote Misvatting’. De staatsschuld daalde in de zuidelijke landen voor 2007 juist relatief ten opzichte van het nationaal inkomen.

Ondanks zijn scepsis erkent Krugman dat het opbreken van de euro financieel en politiek veel schade zou opleveren. Er is geen weg terug, maar de schuldencrisis moet wel dringend worden aangepakt. Krugman stelt drie maatregelen voor. Ten eerste moet de Europese Centrale Bank klaar staan om staatsobligaties op te kopen van eurolanden die het slachtoffer dreigen te worden van de financiële markten. Verder moeten Duitsland en ‘sommige kleinere landen’ (Nederland, dus) bereid zijn meer van de Zuid-Europeanen af te nemen en een licht verhoogde inflatie op de koop toe te nemen. Zo niet, dan zal Zuid-Europa niet overeind krabbelen. En uiteindelijk moeten de probleemlanden ‘in de loop van de tijd’ (dus nu nog niet!) hun tekorten terugdringen door bezuinigingen. Maar dit moet minder plotseling en minder rigide gebeuren dan nu bijvoorbeeld in Griekenland gebeurt: dat helpt zijn economie alleen maar verder in de problemen.

In Amerika mag Krugman vooral bij de Republikeinen agressie oproepen, in Nederland bestaat er niet eens een debat over de oplossingen die hij voorstelt. Zelfs de SP wil het begrotingstekort voor 2017 onder de 3 procent brengen door middel van bezuinigingen en belastingverhoging. Bij geen enkele partij is sprake van grote stimuleringspakketten. Ook over de inflatie en de rol van de ECB gaat het niet of nauwelijks. Waarom niet?

Een reden zou kunnen zijn dat er in verkiezingscampagnes weinig ruimte was voor technische vraagstukken. Toen Roemer tijdens het ‘premierdebat’ het voorstel deed staatsobligaties van zwakke eurolanden te laten opkopen door de ECB, zoals Krugman aanraadt, wuifde Rutte dit weg. Volgens hem zal de inflatie hiermee oplopen – Krugman zegt dat dit niet zo is – en hebben de zwakke eurolanden door deze maatregel geen prikkel meer om hun economieën te hervormen.

Een andere reden voor de afwezigheid van een debat over Krugmans voorstellen is wellicht de genoemde neiging om de economie te zien als een zedenspel. In de politiek werkt het goed om te spreken over boetes en beloningen, slachtoffers en profiteurs. Spaarzame Nederlanders zijn de helden, spilzuchtige Grieken de schurken – dat verhaal slaat meer aan dan een verhandeling over rente, inflatie en obligaties.

Toch weet Krugman het droge, technische verhaal over de economische crisis op een meeslepende manier te vertellen. En dat is bijzonder: toegankelijke boeken van gerenommeerde economen zijn zeldzaam. Dit betekent niet dat Krugman met de bevrijdende oplossingen komt. Zijn hoofdstuk over de te nemen maatregelen is opvallend kort, zijn voorstellen worden nauwelijks uitgewerkt. Daarnaast is het de vraag of ze worden geaccepteerd. In Amerika preekt Krugman voor eigen parochie. Zijn volgelingen zullen in het boek herkennen wat hij al jaren zegt; zijn tegenstanders zullen hem afschilderen als een socialistische charlatan. En in Europa lijkt het boek een nog droeviger lot beschoren. Krugmans boodschap is niet populair in een bezuinigend, eurosceptisch Europa. De ‘Zeer Serieuze Mensen’, zoals hij ze noemt, zullen hem waarschijnlijk negeren. Maar voor hen is het boek ook niet geschreven, zegt Krugman: ‘Het is mijn doel om, via een welingelicht publiek, druk uit te oefenen om die koerswijziging te bewerkstelligen en een einde aan deze crisis te maken.’