Botje & Botje
Een jaar na de opstand van het Tahrirplein nodigde VN-redacteur Harm Ede Botje zijn oom en naamgenoot uit om samen terug te keren naar Caïro, naar het huis waar Harm Botje sr. in de jaren tachtig leefde en werkte als correspondent. Het pand aan de Corniche el-Nil had toen al iets van vergane glorie, met z’n houten vloeren en kroonluchters. Botje sr. schreef er het boek In de ban van de Nijl over. Oom en neef (die aan zijn naam ‘Ede’ heeft toegevoegd om verwarring te voorkomen) gingen op bezoek bij oude en nieuwe bewoners van het pand en vroegen hun wat zij vinden van het nieuwe Egypte.
De eerste vraag was: stond het er nog wel, mijn huis aan de Nijlboulevard in Caïro? Ooit bezat het een onnavolgbare grandeur, zo was me verteld toen ik er in 1980 ging wonen. Dikke rode lopers met koperen roeden liepen dwars door de hal tot aan de straat. De bawaabs, conciërges, droegen rode kaftans met rode fezzen met daarop de koninklijke halve maan in goud geborduurd. Toen het begin jaren dertig werd opgeleverd, gold het pand zelf als stijlvol en chic. Er hing ook de verrukkelijke geur omheen van schandaal in de hoogste kringen. De eigenaar, prins Seif el-Din, had om zijn zuster prinses Shewikar te wreken een pistool afgevuurd op haar echtgenoot, prins Fuad Ahmed en dat nog wel in de hyper-exclusieve Mohammed Ali Club, waar le tout Caire het kon zien. Veroordeeld tijdens een opzienbarend proces werd prins Seif el-Din afgevoerd naar een gekkenhuis in Engeland. Prins Fuad Ahmed overleefde het pistoolschot ternauwernood, stuurde prinses Shewikar een scheidingsbrief en bracht het na de Eerste Wereldoorlog tot koning Fuad I van Egypte. Of Fuad I zelf ooit het pand betrad weet ik niet, diens zoon Farouk was er een geregelde gast. ‘Hij was moddervet,’ herinnert zich een van de oudere bewoners. ‘Hij kwam hier met z’n Rolls-Royce voorrijden, z’n nieuwe vrouw Narriman naast zich op de achterbank. Hij nam ruim tweederde van die bank in beslag, zij moest zich echt naast hem wringen.’
De appartementen in het gebouw waren gigantisch, ook het mijne. De liften met hun opengewerkte gietijzeren liftkooien waren Duits, de badkuipen Engels, het marmer kwam uit Italië. De bewoners behoorden tot de voormalige Ottomaans-Egyptische elite, even goed thuis in Istanbul-Constantinopel als in Caïro en Alexandrië, om niet te spreken van Londen en, natuurlijk, Parijs. ‘Naar Londen ging je voor je tanden, naar Parijs voor je manicure,’ was me ooit verteld. Er woonden voormalige grootgrondbezitters, generaals, fabrikanten en ook een van Egyptes beroemdste schrijvers. Alles hadden ze meegemaakt: de Britse overheersing, Nassers staatsgreep, de opeenvolgende oorlogen tegen Israël, Sadats vredesoffensief, islamistische terreurgroepen en het dertig jaar durende bewind van Mubarak dat eindigde in een moreel failliet. En dan nu de Arabische Lente, die tweehonderd meter hemelsbreed verderop dreigt te verpieteren in een ‘Arabische winter’. Hoe is het met mijn oude huis en mijn oude buren gesteld? Wat is er gebeurd met de dikke Adel die Egyptische jongens ronselde voor zijn Saoedische werkgever, prins F.? Woont de generaal er nog die grote feesten met whisky aanrichtte en wiens dochter plotseling de sluier aantrok? En hoe denken mijn voormalige medebewoners over de smadelijke aftocht van Mubarak, de eerste vrije verkiezingen sinds de jaren dertig en de militaire junta die het land nu bestuurt? Zijn ze hoopvol? Of juist niet?
Gewiekste oogjes
Erg welkom ziet mijn oude flatgebouw er vanaf de straat nu niet uit. Toen ik er kwam wonen, dertig jaar geleden, bezat het nog een vervallen chic. Die chic is weg. Het is nu vooral stoffig en verveloos. De bossen telefoondraden hangen nog steeds te bengelen langs de muren, van de zes houten rolgordijnen op de rez-de-chaussee zijn er drie kapot, de garagebewakers onder mijn oude voorkamer slapen nog steeds op een roestig bed met een half vergaan matras.
Toch, iets is er wel degelijk veranderd. De penetrante lucht van insecticide die je vanaf de hal tegemoet sloeg, is weg. Een blik uit een kapot zijraam in de hal geeft aan waarom: de stinkende poel afvalwater die de betonnen zuilen waarop het gebouw rust omspoelde, is verdwenen. Dertig jaar geleden had ik het er zelfs kraakzindelijk gevonden. Wohnungsfähig had Mohammed Alaam, mijn oude buurman, het ongetwijfeld genoemd. Hij werkte bij een groot Duits reisbureau, sprak liever Duits dan Engels en had uitgesproken ideeën over hoe men zijn personeel moest behandelen. Klonk er in de hal luid gesnauw, dan kon men er zeker van zijn dat Mohammed zijn gezag deed gelden. ‘Ya, hadrittak’ (jawel, Uwe Aanwezigheid), zei het personeel dan om, zodra Mohammed zich omdraaide ‘Ibn kelb’ (hondenzoon) te zeggen. Zijn nu zesenzeventigjarige broer Ali, oud-gevechtspiloot en ondergeschikte van luchtmaarschalk Mubarak vóór diens presidentschap, woont nog steeds in het gebouw. ‘Nee, ik mocht Mubarak niet erg. Er was geen chemie tussen ons. Collega’s van me zijn gaan werken voor hem toen hij plotseling president werd. Mubarak kon behoorlijk driftig zijn, dan schopte hij hen zó de laan uit.’ Hij lacht: ‘Nou ja, hij zorgde wel dat ze iets anders kregen, een goed betaalde sinecure of zo. Ik ben weggegaan en bij een Amerikaans toeristenbedrijf gaan werken. Dat betaalde pas goed…’ Ali is nog steeds breed, vierkant en morsig, klein van stuk en met een persianer bontmuts op. Hij heeft ook nog altijd gewiekste oogjes en een ietwat vileine glimlach. Ali heeft altijd het gezag uitgestraald van de oudste-zoon-als-pater-familias. Hij moet even in zijn geheugen graven om me thuis te brengen en noodt ons dan binnen. Ik stap de drempel over en beland dertig jaar terug in de tijd. Het is de woning van zijn ouders, die ze deelden met hun ongetrouwde kinderen. Alleen Ali zelf trouwde en verkreeg daardoor op slinkse wijze de aanpalende flat.
Dwergpoedel
‘U kent dat schandalige verhaal natuurlijk,’ zal een bovenbuurman me de volgende dag gniffelend vragen. Ja, ik ken het, maar wat voor intriges er in huize Alaam ook zijn gesponnen, het meubilair is er niet zichtbaar door aangetast. Het is nog precies zoals ik me herinner, de glazen wandkast en de bijzettafeltjes met prullaria, het afkalvende verguldsel op de crapauds en de canapé en als ik om een hoekje een van de zijkamers inkijk, hangt zelfs het staatsieportret van Alaam Père in zijn ornaat van Egyptische Opperrechter er precies zo bij als ik het zag toen ik afscheid kwam nemen van de Alaams. Het hangt zelfs weer scheef, zoals het altijd deed, ondanks de tikjes die ik het af en toe gaf. En hoe gaat het met broer Mohammed en waar is broer Adel? Ach, Mohammed is inmiddels dood en ook de andere broer Adel is overleden. Het doet Ali zo te horen niet veel. Mohammed kreeg ‘gewoon’ kanker, Adel heeft zich letterlijk doodgerookt. Hij gaat wat verzitten op de oude canapé en steekt zelf een sigaret op. ‘Daar zat uw moeder vroeger,’ wijs ik, ‘en daar haar hondje Frou-frou.’ De schurftige witte dwergpoedel Frou-frou was in het gebouw ooit legendarisch en ze was afgericht om leveranciers in de hemdjurk te bijten. Eens per dag daalde ze de trap naar de straat af, poepte op de stoep en werd weer naar binnen gedragen, nadat de bediende van de Alaams zich er van had verzekerd dat er geen poep in Frou-frou’s aarsbeharing was achtergebleven. Zo nodig werd die afgeveegd met wat pleepapier. Vanaf mijn eigen balkon aan de voorkant kon ik dat tafereel dagelijks waarnemen. Zoals ik ook vanaf dat balkon waarnam dat het publiek op straat de cavalcade van de toen kersverse president luchtmaarschalk Mubarak toeklapte. ‘Ja, ja,’ meent Ali Alaam. ‘Die eerste twee jaren waren oké. Hij was een echte militair, Mubarak, punctueel en secuur. Maar hij liet zich veel te snel ompraten, hij liet zich veel te makkelijk verleiden tot het slechte. Hij begon goed, maar hij eindigde als een kruising tussen de kanker en de pest. De schuld van mevrouw Suzanne Mubarak natuurlijk. Die wilde haar zoon Gamal op de troon. Dat ging natuurlijk niet. Het leger pikte dat niet.’ Maar dat Ali Alaam blij is met Mubaraks vertrek wil nog niet zeggen dat hij blij is met de demonstranten op Tahrir. ‘Het is daar een chaos. Het is er gevaarlijk. Ik ben er niet naartoe gegaan. We konden alles toch op de tv zien? We zagen wel demonstranten op weg naar het plein langs het huis komen. Ze moesten vooral hier niet stoppen, vonden we. Ik vertrouw die demonstraties op Tahrir trouwens niet erg. Zijn ze aangesticht? Zaten er agents-provocateurs bij? Mijns inziens wel en nogal wat vrienden van me denken er ook zo over.’
Vooral de kopten, de tien miljoen christenen in Egypte, worden door de oud-gevechtspiloot gewantrouwd. ‘De eerste demonstraties waren nog niet begonnen of er kwamen zestien kopten uit Amerika overgevlogen om de boel op te hitsen. Hun paus Shenouda III is een geweldige intrigant. Hij wil geen geestelijk leider zijn, hij wil gewoon politieke macht. Daarom zette wijlen president Sadat hem in de bak. Let op wat ik zeg: er is hier een vijfde colonne bezig, de Amerikanen, de Israëliërs, ze zitten hier allemaal rond te roeren. We zullen nog treuren om die zogenaamde revolutie.’ Zelf heeft hij op twee vrouwelijke kandidaten gestemd, hij weet niet meer wie. ‘Meer vrouwen in de politiek, da’s pas revolutie.’ Hij grijnst en wil niet op de foto.
Nouveaux riches
Die mening wordt gedeeld door mevrouw Fatima Zahra Khalifa Ali Mahmoud, die op de vierde verdieping woont. Ze is oud, onmetelijk chic, en uitgerust met die natuurlijke arrogantie waar leden van de Ottomaans-Egyptische adel patent op hebben en ik ontmoet haar in de hal beneden. Ze is met haar souffraga, vrouwelijke huisbediende, op weg naar buiten, haar grote handtas stevig verborgen onder haar paarse ski-jack. Ze heeft een lunchafspraak met een vriendin, op de Geziraclub. Dat was een paar maanden geleden gewoon onmogelijk vanwege dat gedoe op dat Tahrirplein. Nu rijdt het verkeer weer. Da’s dus een verbetering. Nee, ik heb gelijk, de Geziraclub is niet meer wat het was, maar men moet roeien met de riemen die men heeft en natuurlijk kan men al die nieuwe nouveaux riches leden gewoon negeren. Dat is wat madame Fatima doet. Wat haar niet bevalt, negeert zij. Dat is, zo straalt zij uit, de ware houding voor een geboren aristocrate. Haar Frans is beter dan haar Engels, zegt ze, maar als de anderen in mijn gezelschap geen Frans spreken, dan wil ze ons best in het Engels ontvangen. Ze belt haar vriendin dat ze later komt en gaat ons voor de lift in.
Haar grote woonkamer is geen salon, het is een boudoir. Familie en voorname vrienden rijgen zich op de tafeltjes aaneen, gevat in zilveren lijstjes. Het grote portret bij de ingang is van een negentiende-eeuwse voorvader van madames echtgenoot, die gouverneur was in Ottomaans Syrië. Wijlen de gouverneur draagt een krijgshaftige snor en een goud gegalonneerd uniform. Hij was afkomstig uit de Kaukasus, waar de Ottomanen veel van hun hoge legerofficieren, die als jonge lijfeigenen begonnen, vandaan haalden. Haar eigen familie is oude Egyptische landadel; twaalfhonderd hectare bezaten ze in de noordwestelijke provincie Beheira. Druivenland, allemaal afgepakt tijdens de grote landhervormingen van de jaren vijftig en zestig. Haar neef was Nahas Pasha, de grote leider van de nationalistische Wafd-partij en verschillende malen Egyptes premier in de roerige jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw. Ze ontdooit zichtbaar als ze ontdekt dat mijn jonge vertaalster het huis deelt met de dochter van een van haar beste vriendinnen. Kijk nu toch eens aan. Dat werpt een heel nieuw licht op ons bezoek. Men is bijna entre nous.
Madame Fatima is buitengewoon sceptisch over de Egyptische Revolutie, versie 2011. Ze heeft het allemaal al een paar keer gezien en meegemaakt, de volksopstanden, de straatdemonstraties, het in elkaar slaan van betogers. Haar vriendin is enige dagen daarvoor op klaarlichte dag pal voor het gebouw op straat gegooid en van haar handtas beroofd. Zoiets zou onder Mubarak nooit zijn gebeurd. Dat weet ze zeker. Toegegeven, Mubarak had zichzelf misschien overleefd en het was wellicht tijd voor iets anders, maar de rotzooi die er nu is, is helemaal niks en de manier waarop men zich van Mubarak heeft ontdaan verdient absoluut geen schoonheidsprijs. Zo gaat men niet om met presidenten van de Arabische Republiek Egypte. Waar is het gevoel voor decorum gebleven? Mubarak heeft ook heel goede dingen gedaan, dat vergeet men veel te snel. Ze weet ook zeker dat Mubarak nooit op demonstranten zou hebben laten schieten. Mubarak is een echte man, vindt ze, die met opgericht hoofd zijn rechtszaak ondergaat. Heeft hij het hem aangeboden politiek asiel in Abu Dhabi niet geweigerd? Nou dan. Fatima Zahra mag een Mubarak-aanhangster zijn, maar ze is wél gaan stemmen bij deze eerste vrije verkiezingen sinds de jaren dertig. Op wie ze ging stemmen? Noblesse oblige, op het liberale Blok natuurlijk. De Moslimbroeders en vooral de salafisten, die boezemen Fatima Zahra angst in. ‘Zij zijn heel gevaarlijk. Islamisten gebruiken het geloof om hun werkelijke bedoelingen te verhullen.’ Niemand gaat Fatima Zahra vertellen of ze wel of niet een sluier of een hoofddoek moet dragen. Ze verschikt iets aan die hoofddoek, gaat rechtop staan en kijkt uitdagend om zich heen. ‘Ik draag een hoofddoek omdat ik dat zélf wil,’ zegt ze. ‘Niemand mag me dwingen wat ik moet doen, eten, denken. Dat is een zaak tussen mij en mijn God. Dat is míjn vrijheid.’ Ze laat een oude foto zien waarop ze te zien is met weelderig golvend haar en wijst op haar trouwfoto waarop ze een beeldschone Egyptische Rita Hayworth is, de Hollywood pin-up van eind jaren veertig. Ze is inmiddels één keer op de grote pelgrimage naar Mekka geweest en vijftien keer op de kleine. En wie durft te beweren dat er iets mis is met haar geloof, die kan de wind van voren krijgen.
Kopten zullen overleven
Ook de frêle Maria Wassili Assa’ad (89) komt uit de Egyptische upper class, de christelijke wel te verstaan. Ze is petite, zouden de Fransen zeggen, en reikt tot net boven mijn broekriem. Naast haar voel ik me als een olifant in een porseleinkast. Haar overleden man woonde van meet af aan in het gebouw, zij is er na haar huwelijk in 1958 ingetrokken. Hij had land in Opper-Egypte, een katoenverwerkingsfabriek en een ijsfabriek. Het land werd onteigend, de katoenfabriek ook, de ijsfabriek werd gesloten na de Oktoberoorlog van 1973. Ze heeft antropologie en sociologie gestudeerd en ziet geweldige dingen gebeuren in Egypte. ‘Er waren onder de eerste revolutionairen op Tahrir eerlijke mensen die echt het beste wilden voor Egypte en bereid waren daar een prijs voor te betalen. Ik ben zelf veel te oud om naar Tahrir te gaan, maar jonge mensen komen hier bij mij langs om te vertellen wat er gebeurt. Bang voor het leger? We hebben zestig jaar onder een militair bewind geleefd, dus dat ken ik. Ik hoop wel op een echte democratie. Maar of dat nog tijdens mijn leven gebeurt…’Maria woont op de vijfde verdieping in een van zonlicht doorfilterde flat. Haar appartement verraadt een op Europese leest geschoeide smaak. In de hal hangen kopieën van negentiende-eeuwse gravures van David Roberts, gemaakt tijdens zijn reis door Egypte en het Midden-Oosten. De oude viool waarop ze speelde, staat nog steeds in de woonkamer. Ze heeft veel gereisd, veel gelezen, ze zat een tijdlang als enige kopt én als enige vrouw in het bestuur van de Wereldraad van Kerken in Genève en was een persoonlijk vriendin van de Nederlandse voorzitter Willem Visser ’t Hooft. Terug in Egypte zette Maria zich jarenlang vol overgave in voor een van Egyptes meest veronachtzaamde gemeenschappen, de christelijke zabbalien, de vuilophalers van Caïro. ‘Armoede zal er in Egypte altijd zijn. Maar de enorme verschillen tussen rijken en armen zullen minder groot moeten worden. De rijken moeten eindelijk eens beseffen dat genoeg genoeg is.’
‘Maar de vorige regering zei altijd dat de armen eindelijk begonnen te consumeren,’ zeg ik, ‘dat ze zich dvd’s, telefoons en televisies konden veroorloven. Was dat niet zo?’ Maria, fel: ‘Alsof het daarom draait. Die dvd’s, telefoons en televisies staan in vieze krottenbuurten die geregeld overstromen, waar geen adequate gezondheidszorg is. Kinderen gaan er nog steeds onnodig dood. We hebben zelf jarenlang kleinschalig geprobeerd het lot van de armen te verbeteren. Ik hoop dat een nieuwe regering dat eindelijk groots aanpakt.’ Is Maria niet bang voor de positie van Egyptes kopten nu de islamisten de macht dreigen te krijgen? ‘Egyptes kopten hebben veel slechtere tijden gekend. Zolang we sterke kloostergemeenschappen hebben zullen we overleven.’ In het koptische geloof hebben de kloosters altijd een centrale rol gespeeld, het hele monnikenbestaan is een Egyptische uitvinding. De huidige paus Shenouda III heeft het ook geweldig gestimuleerd; Egyptes koptische kloosters puilen uit van de jeugd. Lijden is volgens Maria Assa’ad juist een van de essenties van het kopt-zijn. ‘Er zullen altijd martelaren zijn, je kunt niet dicht bij het koptische geloof staan als je de betekenis van lijden niet kent. Daarnaast, ik heb best vertrouwen in de Moslimbroederschap. Ze maken al tachtig jaar lang deel uit van het Egyptische landschap. Ze hebben in die tijd veel geleerd. Ze zijn sociaal erg geëngageerd. Het zou best eens beter kunnen uitpakken dan men denkt. Ze hebben zelfs een kopt op een van hun kieslijsten gezet.’
Zou dan ooit het onmogelijke in Egypte waar kunnen worden, een koptische vrouw als voorzitster van de Egyptische Moslimbroederschap? Maria Assa’ad giechelt en daar houden we het bij. Ze wil niet op de foto.
Sissi
Ustaaz (doctor) Alexandre Barnotti, twee verdiepingen lager aan de achterkant van het gebouw, wil dat best. Hij heeft zijn appartement ingericht als bedevaartsoord. De ene helft is gewijd aan de Heilige Maagd Maria, de andere aan Sissi. Ik herken de Sissi-foto’s meteen. Ustaaz Alexandre klapt in zijn kleine handjes van verrukking. Iemand die Sissi herkent? Dat komt je niet vaak tegen in het Caïro van de Arabische Lente. Of is het inmiddels de ‘Arabische herfst’? Hij legt vertrouwelijk zijn hand op mijn arm en geeft me een kneepje.
De familie Barnotti komt oorspronkelijk uit Aleppo, Syrië, en is rond 1870 naar Egypte verhuisd, ‘van het ene deel van het Ottomaanse Rijk naar een ander deel’, zoals de doctor uitlegt. Ze zijn maronieten, dat wil zeggen Syrisch-Libanese rooms-katholieken en daar zijn er in Egypte niet veel meer van. Hij heeft nog één zus die in Canada woont en blij is dat ze daar zit, in Montréal, en niet op de Corniche el-Nil in Caïro, zoals hij. Doctor Alexandre is van een afstand naar Tahrir gaan kijken, hij heeft wel gestemd vanwege de opkomstplicht, maar is niet geïnteresseerd in politiek. Waar zijn interesse wel ligt, is duidelijk. Wist ik bijvoorbeeld dat Sissi…Doctor Alexandre is beëdigd vertaler Duits, heeft lang op ambassades gewerkt en wil graag weten hoe het met koningin Beatrix gaat. ‘Erg goed, toen ik haar de laatste keer zag,’ stel ik hem gerust. Dat dat tijdens de Troonrede op de tv was, hoeft hij niet te weten. Het interesseert hem trouwens niet echt, Sissi komt weer in beeld. Wist ik dat Sissi’s paleis op Corfu… En wat leuk dat we haar ook in Holland kennen! Ik moet plotseling denken aan mijn Eindhovense Lorentz Lyceum-tijd, 1957, en al die meiden in de klas die hun schoolagenda’s volplakten met Romy Schneider-Sissi’s. ‘Ja,’ zeg ik. ‘We kennen Sissi in Holland heel goed. Ze is zelfs af en toe op de tv.’ Dan moet ustaaz Alexandre weer weg, nog een laatste foto van hem met een foto van Sissi en hij dribbelt voor ons uit de brede marmeren trap af naar de hal.In de hoek van die hal bivakkeren de bawaabs, de conciërges. Bawaabs dragen al jaren geen rode wollen tarboesjen meer, ik heb ze ook nooit zo gekend. De drie bawaabs die het gebouw rijk is, ken ik trouwens geen van allen. Mijn ‘generatie’ bawaabs is al lang met pensioen, of overleden. Van de nieuwe lichting komt de hoofd-bawaab Mohammed Sawed uit Sharqiyya, de oostelijke deltaprovincie. Hij stamt uit een familie van fellahs, boeren. Ze hebben graan, rijst, mais, wat koeien, maar het is geen vetpot. ‘Je kunt tegenwoordig niet genoeg verdienen als boer om te overleven. Dat was vroeger anders. Mijn twee broers doen nu het land, ik heb deze baan hier in de stad.’ Hij heeft twee kinderen, een jongen en een meisje, dat vindt hij genoeg. Twee keer per week gaat hij terug naar zijn dorp. En nee, hij is nooit gaan kijken op Tahrir. Zijn taak was hier, het bewaken van het huis tegen indringers. Goed opletten als er demonstranten voorbijkwamen. Hij is wel eens van veraf gaan kijken en het traangas kon je tot hier ruiken. ‘Het was een nare lucht, we probeerden ons er zo goed mogelijk tegen te beschermen.’ Hij gaat op de salafisten stemmen. Waarom? ‘Ik stem voor iemand die eerlijk is en oprecht. Anderen vinden dat ik beter de Moslimbroeders kan nemen, maar die zijn er in mijn dorp niet. Ik zie wel…’
Bang voor de toekomst
Nagla Magdy is rond, goedlachs, draagt een keurige hijab en woont in het appartement naast dat van Ali Alaam. Haar man was evenals Ali straaljagerpiloot en geeft nu les aan de luchtmachtacademie. Hij hangt levensgroot boven de bank in de salon, een knappe vent in uniform, met snor en brede glimlach. Nagla Magdy haalt thee en zelfgebakken cake uit de keuken en gaat er gezellig voor zitten. Ze waarschuwt haar schoonmoeder dat er onverwachte gasten zijn, maar schoonmama moet zich eerst nog aankleden en dat kan wel even duren.
‘Ik ben gaan stemmen hier in een school vlak achter. Ik ben in de avond gegaan, toen was er geen grote rij meer,’ lacht ze vriendelijk. ‘De Vrijheid en Gerechtigheidspartij, daar heb ik op gestemd. Waarom? Dat weet ik niet precies, mijn man heeft me alle partijen uitgelegd en zei me dat de Moslimbroeders de beste keuze waren.’ Er komt nieuwe thee, Nagla Magdy gaat even kijken of haar schoonmoeder al zover is en vult de cake bij. ‘Mijn man is erg politiek geïnteresseerd. Mijn schoonmoeder ook. Ik niet. We wilden aanvankelijk voor het liberale Egyptische Blok stemmen. We dachten dat de Moslimbroeders radicalen waren. Maar toen we ze op de televisie zagen, bleken ze gematigd te zijn, goede mensen die het beste met Egypte voorhebben. Niemand in Egypte heeft enig politiek bewustzijn. Het is voor ons allemaal de eerste keer dat we onze politici leren kennen, dat we keuzes moeten maken. Het is de eerste keer dat ik heb gestemd. Ik vond het geweldig, maar ik ben ook bang voor de toekomst.’
Waarom? Net als Fatima Zahra is Nagla Magdy bang voor inperking van de vrijheid van de vrouw als strikte moslims aan de macht komen. ‘Daar maak ik me écht zorgen over. Ik wil geen dwang, ook niet over hoofddoeken. Dat moeten vrouwen zelf uitmaken.’ Maar ze heeft geen problemen met een betere sociale controle op straat en aanscherping van de islamitische zedelijkheidsregels. ‘Al die veel te strakke kleren en die koppels die hier op de bankjes tegenover zitten te zoenen op de Corniche, dat vind ik niks. Daar wil ik niet mee worden geconfronteerd. Het is ook míjn straat. Dat zou gecontroleerd moeten worden.’ Nagla Magdy’s zus is getrouwd met de eigenaar van het Hyatt Hotel in Sharm el-Sheikh aan de zuidpunt van de Sinaï. Sinds de uitbraak van de Arabische Lente staat dat hotel praktisch leeg. Trouwens, alle toeristenhotels in Egypte staan praktisch leeg. Die toeristen moeten zo snel mogelijk terug. Dus vooral geen nieuwe wetgeving die het toerisme afschrikt. De Moslimbroederschap vindt dat ook, zegt ze. Ik knik. Ik ben op straat inderdaad bijna de enige buitenlander. De grote toeristensoek van Caïro, de Khan el-Khalili, is leeg. De honderdduizenden Egyptenaren die zich bezighouden met het maken van Toetanchamon-bordjes en geborduurde hemdjurken zitten zonder klanten, in het Egyptisch Museum naast het Tahrirplein staan alleen verveelde suppoosten.
En daar is de schoonmoeder, mevrouw Zeina Ibrahim Mohammed. Ze is de weduwe van een politiegeneraal die leidinggaf aan een van de grote bureaus in het centrum van Caïro. Ze vindt al die kritiek op de politie daarom maar niks. En de schietpartijen tijdens de demonstraties in de Mohamed Mahmoudstraat van een paar weken geleden, daar gelooft ze niks van. ‘Nee, de demonstranten vielen juist de politie aan! Het waren relschoppers, jong tuig. Die doden? De demonstranten hebben elkaar onderling afgemaakt. Dat waren geen politieagenten. Demonstranten wilden het ministerie aanvallen. Die aanval is afgeslagen. Toen heeft het leger die beschermende muur gebouwd.’
Zij en haar schoondochter vinden het beiden prima dat het leger er is. Het leger beschermt volk en land tegen onrust. Het is jammer dat het hoofd van de junta, veldmaarschalk Tantawi, deel uitmaakte van het ancien régime. Maar verder is het een prima man, zeggen ze. Hij moet wel zorgen dat er een aantal nieuwe gezichten komt. Rust en nieuwe mensen, dan komt het best goed met Egypte.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.