Portret Edwin de Vries

Je debuteert als romancier. Met wie voel je je verwant?’ In de TV3 -aflevering van woensdag 14 september 2005 lost Matthijs van Nieuwkerk zijn vertrouwde ‘kampioensvragen’. Gesprekspartner Edwin de Vries, sans gêne: ‘Rainer Maria Rilke. Zijn Aantekeningen van Malte Laurids Brigge is het voorbeeld geweest voor mijn roman, het dagboek van Maurits.’

Met het noemen van die negentiende-eeuwse dichter-schrijver laat De Vries ons weten dat hij niet de zoveelste BN’er is die een boekje heeft geschreven. Die gekke Karel uit In de Vlaamsche Pot is niet van de straat! Zijn lat ligt hoger dan wij denken.

In het verhaal van Maurits Meyer, een scenarioschrijver die wordt geteisterd door de herinnering aan de dood van zijn kind, is met gemak de autobiografie van de schrijver te herkennen. Edwin de Vries en Monique van de Ven, met wie hij sinds 1987 een paar is, verloren in 1993 hun bijna twee jaar oude zoontje Nino aan nekkramp. In Hélena leest het drama van een sprookjesachtig succespaar als het scenario voor een Gooise rampenfilm. De roman werd door de literaire kritiek gekraakt. NRC’s Elsbeth Etty smeekte: ‘Laat die mensen met rust, denk je alleen maar, gun ze toch hun privacy, hun verdriet, hun leven.’ Elma Drayer ergerde zich in Trouw aan ‘de onbeholpen stijl van het overigens soepel getimmerde verhaal dat maar geen literatuur wil worden’. Max Pam haalde in HP/De Tijd W.F. Hermans aan: ‘De werkelijkheid is geen excuus.’ Tevergeefs had de recensent gezocht naar iets van de complexiteit van Rilke.

Waarom moest de succesvolle film-, televisie- en theaterman zo nodig een roman over zijn leven schrijven? Vanwaar die zucht zichzelf op steeds andere terreinen te manifesteren?

Edwin de Vries werd in 1950 in Amsterdam geboren als derde kind van de destijds mateloos beroemde acteur-regisseur-toneelleider Rob de Vries en logopediste Paula Faassen. Broer Rob en zusje Joke waren er al, later kwamen Nelleke en nakomeling Bart.

Zus Joke, twee jaar ouder, vertelt: ‘Als kind was ik vaak bezorgd om Edwin. Hij had zware astma en was altijd zo ziek, zo benauwd. Mijn moeder zat nachten bij hem te waken. In Arnhem, waar we naar toe verhuisden toen mijn vader leider werd van het gezelschap Theater, ging hij naar de speciale kleuterzorg in Sonsbeek. Edwin had ook vreselijk last van eczeem, had altijd jeuk en was helemaal ingepakt in verband. We woonden bijna in de schouwburg. Daar leerden we onze klassieken zonder ze te zien. We overhoorden onze vader ook. Hij was heel gedreven, wilde iedereen mee laten genieten.’

Als negenjarige moest Edwin vanwege zijn astma naar Davos. In het sanatorium en het Kinderheim leerde hij Duits, skiën en alleen zijn.

‘Edwin had niet eens zo’n heimwee,’ herinnert Joke de Vries zich. ‘Hij was, net als wij, vooral bang dat onze ouders uit elkaar gingen. Mijn moeder was een driftkikker, dat heeft Edwin van haar. Ik was altijd op de hand van mijn vader. Hij was innemend. Iedereen kwam bij hem met problemen. Hij was ook zo beroemd, van het toneel, de televisie, de film. En het verzet natuurlijk.’

De joodse Rob de Vries was een durfal. Met zijn Amerikaanse slee tegen het verkeer in, wethouders bewerken om even iets te regelen, man van de wereld. Ver voor de Tweede Wereldoorlog al verzette hij zich tegen het nazisme. Anti-fascismemanifestaties konden op zijn medewerking rekenen, en op de joodse boksschool van Bennie Bril maakte hij zich op voor de komende strijd. Zijn verzetsdaden, variërend van knok- en liquidatiewerk tot en met slimme sabotage, moest hij bekopen met gevangenis en kamp. Meteen na de bevrijding gold de aantrekkelijke acteur met het zwartkrullende haar als held. Met zijn vertolking van Otto Frank in Het dagboek van Anne Frank (1956), een voorstelling die zelfs in Amerika met prijzen werd overladen, werd hij een nationale beroemdheid. De veelzijdige De Vries leidde meerdere gezelschappen, speelde drama en komedie, in theater, film en op televisie. Toen zijn hart het in 1969 begaf, was hij eenenvijftig jaar oud.

Tegen de wens van zijn ouders in, die liever wilden dat hij ging studeren, meldde Edwin de Vries zich meteen na zijn eindexamen gymnasium in 1968 bij de Amsterdamse toneelschool. Hij bezwoer directeur Jan Kassies, die zijn vader kende uit de verzetsgroep van Eduard Veterman, dat niemand mocht weten dat hij de zoon van Rob de Vries was.

‘Ik was zeer revolutionair,’ zei hij later in een interview met HP/De Tijd, ‘schreef het schoolblad vol. Deed uiterst intensief mee aan de discussies rond de Actie Tomaat. Toen die losbarstte, zat ik in het tweede jaar. Ik verzette me tegen alles wat met het establishment van het toneel en met mijn vader te maken had. Dat moest ook wel, want het was natuurlijk toch een hele belasting, zo’n vader, als je zelf ook nog wat wilt op het toneel. Daar moet je je van bevrijden.’ De Vries en zijn kompanen gingen ‘op een andere manier toneel maken’. Samen met gevoelsgenoten van de Rietveld Academie maakten zij ‘performanceachtige dingen’. Uit de vriendengroep ontstond in 1972 Onafhankelijk Toneel (OT). ‘We gingen op een totaal nieuwe, zinnige manier met elkaar om. Ik heb er zeven jaar bij gezeten. Het was alles: spelen, schrijven, regisseren. Een bijzonder belangrijke periode. Toen zijn alle fundamenten gelegd voor wat ik nu aan het doen ben.’

Op de toneelschool had hij de ouderejaars regie Jan Joris Lamers leren kennen, die hem bij zijn projecten haalde. Lamers, zou Edwin de Vries later zeggen, was zijn enig echte leermeester. Ook in het collectief van OT was medeoprichter Jan Joris Lamers belangrijk voor De Vries. Bij OT was elk acteercliché uit den boze. Weg met de retoriek van het oude, terug naar jezelf. Filmisch, gestileerd. In hoog tempo presenteerde het gezelschap klassiekers in eigen vorm en opvatting onder de titel ‘De Favorieten’. Tsjechov, Strindberg, Shakespeare en Majakovski, maar ook nieuw werk van Judith Herzberg. De intellectuele benadering van OT werd hoog gewaardeerd, zij het bij een beperkt publiek: de kleine kring van vernieuwingsgezinde critici, collega’s en toneelliefhebbers.

Met een knallend conflict kwam er een einde aan de samenwerking tussen Lamers en De Vries. De Vries had behoefte aan meer publiek. ‘Het was in die omgeving bijna gênant om succes te hebben,’ zei hij in 1995 tegen Ischa Meijer. ‘En dat ging op een gegeven moment dwars tegen mijn toneelbloed in. (…) Ik zag almaar meer trucjes in onze aanpak. Af en toe was het gewoon een tikje Wichtigmacherei en verder niks.’

Toneelvader’ Lamers wilde niet meewerken aan dit portret. VN-fotograaf Bert Nienhuis wel. Hij was door Lamers gevraagd De Favorieten te fotograferen en speelde mee in Wachten op Godot. Edwin en Bert werden meteen vrienden. Nienhuis: ‘Ik was wat ­ouder, Edwin keek erg tegen me op. Ik had een Saab, was soort van bekend, woonde goed, had vriendinnen. Ik heb hem trouwens ook nooit zonder gezien.’ Na de Favorieten-reeks begon de leegloop bij OT. Het collectief ging, zoals moderne creatievelingen in die tijd deden, gezamenlijk in therapie. In sensitivity training-achtige sessies werden wrijvingen helaas vaak onoverbrugbare kloven en vrienden elkaars vijanden. OT knalde uiteen. De Vries vertrok naar Baal, vervolgens naar het populaire Publiekstheater en de vrije producties. Nienhuis: ‘Hij koos voor een andere weg, zijn vader achterna. Hij wil zich volgens mij nog steeds met hem meten. We zijn dol op elkaar, echt broertjes, maar ik vind hem soms nogal opportunistisch. Schaamteloos. Dat gaat heel ver. In de documentaireserie Allemaal Theater van Ireen van Ditshuyzen liet hij zich zo laatdunkend uit over zijn jaren bij OT. Hij heeft zich daarvoor wel geëxcuseerd bij zijn vrienden, maar dat is onderdeel van dat opportunisme.’

Theatermaakster Matin van Veldhuizen leerde Edwin de Vries kennen in de begintijd van OT. Ze kregen een verhouding, die zeven jaar zou duren. ‘Edwin was anders dan nu,’ zegt ze, een ironisch lachje krult om haar mondhoeken. ‘Een knap ding met heel veel krullen. Hij speelde, Jan Joris regisseerde. Ik heb hem aan het schrijven gezet, hij won mij voor het toneel. Het “naturel” spelen van OT vond ik fantastisch. Dat wilde ik meteen ook. Ik vond Edwin buitengewoon geestig. Ook een feministische man, radicaal, geëngageerd, wars van alles wat commercie was. Ik heb zijn beste tijd gehad! Edwin en ik schreven elkaar vele brieven per dag. Romantisch, grappig. Hij was goed in woordgrappen, talige spelletjes. Einde, uit 1980, zijn eerste stuk voor Baal, was ook het einde van onze relatie. Edwin koos voor het levenslange gevecht met zijn vader. Die man was zó beroemd, zó’n held. Toen ik klein was, waren alle vrouwen, mijn moeder incluis, idolaat van die man. Dat was nog eens een BN’er.’ Het monster van liefde, zijn tweede toneelstuk, ging over een zoon wiens overleden vader in de oorlog een verzetsheld was. De vader blijft voor de zoon een symbool van onoverwinnelijkheid. In een interview met NRC Handelsblad zei De Vries: ‘De zoon doet heel cynisch over zijn vader. Hij kan het niet uitstaan dat hij altijd door iedereen als een leider en een held werd gezien. Ik ben anders, meer ambivalent. Mijn vader kreeg, door zijn bekendheid, en ook door zijn charisma, alles voor elkaar, zodat ik als kind het idee kreeg dat ik een soort afstammeling van God was.’ Zijn verering sloeg later om in schaamte, ergernis en verzet. Uit weerzin tegen de poeha en ijdelheid van zijn vaders omgeving verscheen hij ‘op feestjes en premières expres in vieze kleding en kapotte spijkerbroeken. Wil je het als zoon goed doen, dan moet je je vader vermoorden.’ Maar het echte gevecht, zei hij spijtig, had hij nooit kunnen aangaan. ‘Dat was waarschijnlijk een van de redenen waarom ik op de toneelschool zo radicaal was.’

Bij Baal vond Edwin de Vries zijn tweede ‘toneelvader’, regisseur Leonard Frank. ‘Nou nou, vader,’ reageert deze, ‘misschien meer de coulante oudere broer. Ik gaf les op de toneelschool, hij was leerling. Na school is hij met OT terug naar Rotterdam gegaan. We hadden altijd een onuitgesproken verwantschap met onze deels joodse maar totaal andere achtergrond. OT en Baal waren bastions, althans, zo voelden we dat indertijd. Ik vond het ontzettend leuk dat Edwin naar Baal kwam. Voor mij vertegenwoordigde hij de goede smaak en het klassieke toneel maken. Progressief zonder meteen alles te willen verwoesten, een prettig groepslid ook. Met een geweldig gevoel voor humor. Daar zit, uiteraard, een flinke dosis weglachen bij. Edwin wilde naast spelen ook schrijven en regisseren. Ansichten van Wanda Reisel was in 1984 zijn eerste Baal-regie. De stijl van OT schemerde daar nog duidelijk doorheen. Van Baal stapte hij over naar het conventionele Publiekstheater. We hebben, o ironie, nog wel geprobeerd hem mij te laten opvolgen toen ik stopte met Baal. Hij wilde niet. Toen ik hem daarna op de televisie zag in In de Vlaamsche Pot kon ik een gevoel van weerzin niet onderdrukken. Op straat kwam ik hem tegen, koffertje in de hand met een laptop erin. Was hij tekstschrijver geworden. Wat een teleurstelling. Dat ik dat vind, kan hem helemaal geen zak schelen. Wat bij mij wel weer bewondering afdwingt. Hij redt zich altijd. Het is ook een beetje gemakzucht, te weinig op de pijnbank. Hij voelt zich niet geroepen zich te specialiseren. Misschien is hij ook meer een renaissancekunstenaar. Hij kan genieten. Ik heb een redeloze bewondering voor zijn schrijftalent, maar het mooie van de toneelvernieuwing zie ik bij Edwin niet terug.’

Speelde zijn vader een rechttoe rechtaan verzetsheld in De Overval (Paul Rotha, 1962), Edwin vertolkte in 1986 zijn eerste hoofdrol in In de schaduw van de overwinning. De film was geïnspireerd op het oorlogsverhaal van de omstreden joodse einzelgänger Friedrich Weinreb, die een spersysteem bedacht om joden voor deportatie te behoeden. De Vries en Ate de Jong, die de film ook regisseerde, schreven het scenario. Ze kenden elkaar uit de Baal-tijd. De Jong kwam van de filmacademie, zijn vriendin Wanda Reisel liep stage bij Baal, waar Edwin net begonnen was. De Jong: ‘Ik keek tegen hem op. Hij was in mijn ogen zo’n intellectueel. Had gymnasium gedaan, net als Wanda. Ik was maar een hbs’ertje uit Zeeland. Wanda en Edwin hebben beiden een joodse achtergrond en maakten daar van die geheime grappen over waar ik geen vat op kreeg. Baal maakte grensverleggende voorstellingen. Die begreep ik niet. Over zijn OT-tijd kan Edwin hilarisch vertellen, maar nu denk ik: dat OT was interessanter dan je wilt toegeven.’

De Jong had in de Verenigde Staten een cursus scriptschrijven gevolgd. Terug in Nederland gaf hij zijn kennis door aan een paar vrienden, onder wie De Vries. ‘Hem heb ik de trucs uit Amerika verteld. Ik zag de vonk overslaan. Hij is een prima sparringpartner, iemand van wie ik goede feedback krijg. Ik ben meer de man van de structuur, hij is goed in dialogen. Left Luggage en De ontdekking van de hemel hebben we ook samen gemaakt. Jeroen Krabbé deed regie, Edwin schreef, ik was de producent. Zijn kracht zit in heel hard werken. Veel schrijvers blinken uit in het niet-schrijven. Daar heeft hij geen last van. Hij levert liever iets in dat niet goed is dan niet te presteren.’

In 1986 kreeg De Vries de Arlecchino voor Beste Mannelijke Bijrol in Hiroshima mon amour van Annemarie Prins bij De Salon. ‘Nou, ik wist absoluut niet wat ik daar stond te doen,’ zei hij later in Het Parool. ‘Ik speelde in godsnaam maar zo’n beetje mezelf. En daar kreeg ik dus die prijs voor. Dat deed eigenlijk de deur dicht. Toen ben ik er in wezen mee opgehouden, met die theater-flauwekul.’

Hij ging het pad op van de rijkdom en roem, de weg van de kaskrakers. ‘Ik denk dat zijn smaak verschoven is,’ zegt Ate de Jong, ‘van wat hij dácht dat belangrijk was, is hij publieksgerichter gaan denken. Het hebben van succes heeft zeker ook met zijn vader te maken. Ik heb nooit het gevoel gehad dat die man een demon voor hem was. Het was een ladies’ man, zijn vader. Edwin ook, maar het is zijn geluk geweest dat hij Monique gevonden heeft. Het is een van de beste huwelijken die ik ken. Zo’n loyaliteit zie ik niet vaak.’

In 1987 speelde Edwin de Vries in de komedie Jaloezieën van Haye van der Heyden. Voor het eerst stond hij voor volle zalen, en hij genoot. In 1990 zond Veronica de eeste afleveringen uit van In de Vlaamsche Pot, een comedyserie, eveneens bedacht en geschreven door Haye van der Heyden. De kijkers kwamen niet meer bij van de doldrieste verwikkelingen in het zojuist geopende restaurant met die naam. Edwin de Vries en Serge-Henri Valcke zetten met hun creatie van het gillerige homostel Karel en Lucien een nieuwe standaard in televisiehumor, die pas nu is overtroffen door de Talpa’s Joling en Gordon.

De Vries voelde zich meteen ‘als een vis in het water’ zei hij in Het Parool. ‘Ach, ik had toch altijd al, heimelijk, op de televisie gewild. Maar het mocht niet van mijn super-intellectueel-artistieke omgeving hè.’

In eigen beleving overkwám hem de roem, maar hij koos er toch zelf voor deze weg te gaan? ‘Natuurlijk!’ schatert Haye van der Heyden. ‘Alleen: hij schiet heen en weer van het een naar het ander, van hoge kunst naar de zogeheten low culture. Ik ben altijd in één toon gebleven. Ik vind hem een onwaarschijnlijk goed acteur, die licht neurotische man met zijn ironie. Ik acht hem, to be honest, als acteur veel beter dan als schrijver. Hij is intelligent genoeg om zich overal uit te redden, maar ik ben niet altijd even onder de indruk van zijn scenario’s. Aan De ontdekking van de hemel kon ik geen touw vastknopen, Left Luggage: zo vet, zo cliché. We hadden het altijd heel erg op elkaar. Hij, zoon van een joodse verzetsheld, ik met een foute vader. Als we pingpongden, was het ook Auschwitz versus Het Derde Rijk 11-8. Hadden we de grootste lol. Een paar jaar geleden vroeg hij me of ik een comedyserie wilde schrijven waarin hij weer de hoofdrol kon spelen. Dat is Kinderen geen bezwaar geworden, nu een succes voor de Vara. Die heb ik op hem geschreven, maar Edwin was niet meer geïnteresseerd. Een tikje opportunistisch, acteurs eigen, hij had al wat anders. Ons contact is verbroken, overigens niet door mij. Ik had op zijn ziel getrapt door me te laten interviewen door Theo van Gogh. Hij haatte die man. Van Gogh had in een column uitgehaald naar Edwin en Monique toen zij bij Sonja Barend hadden verteld over de ziekte en dood van Nino. Hij heeft me gebeld, schreeuwend en tierend hoe ik, als vriend, zó iets laags kon doen. Hij zit nogal ingewikkeld in elkaar, maar ik hoop dat het ooit goed komt tussen ons.’

‘De Vlaamsche Pot was not done in de spraakmakende kringen van de Amsterdamse grachtengordel.’ Filmregisseur Frans Weisz haalt zijn schouders op. ‘Ik was ook een hoer, want ik maakte commercials. Edwin, die ik als klein ventje al had leren kennen, heb ik weer ontmoet in 1987, bij het maken van Havinck en later bij Leedvermaak. Na Rijgdraad komt nu de derde film in de Leedvermaak-reeks. Dat is aan Edwin te danken. Hij heeft Judith Herzberg en mij weten te overtuigen, is al ­jaren onze go-between. Ik voel me schatplichtig aan hem, terwijl ik veel ouder ben. Ik balts al twintig jaar om hem heen en heb ontzettend veel plezier met hem. Hij is een absolute workaholic, heeft eigenlijk nooit tijd. Komt binnen, praat even en is weer weg. Ik denk dat hij in wezen een behoorlijk geïsoleerd leven leeft.’

Joke de Vries vindt haar broer veranderd sinds In De Vlaamsche pot. ‘Als zus zei ik: dit ben je niet. Je speelt het. Je bent geen komedieacteur. Maar hij zei dat hij met de verdiensten dingen zou kunnen doen die hij graag wilde. Het was een uitstapje. Waarom ook niet? dacht ik. Hij heeft sinds die tijd ook andere vrienden. Op zijn verjaardag komen Namen. Het jaar erop zie je weer andere Namen. Dat is meer de nieuwe wereld van Edwin en Monique. Stapelgek is hij op Monique. Ik ben er blij om. Het is hem wel gelukt met haar. Monique kwam als een frisse wind onze familie binnen. Wij zijn toch een stelletje neuroten. Ruziën wat af, maken het weer goed, net als onze ouders. We waren een raar gezin. Mijn vader was kampioen aanpassen. Dat zijn wij ook. Toch blijven we buitenstaanders. Dat merk ik ook bij Edwin.’

Scenarioschrijver Robert Alberdingk Thijm (onder meer De Daltons, Dunya & Desie, Waltz) ziet in De Vries zijn leermeester. ‘Als Karel in In de Vlaamsche Pot vond ik hem briljant,’ bekent hij. ‘Hij had een soort nervositeit, kwetsbaarheid, die me ontroerde. Niks karikaturale homo. Het was een en al onvermogen, in een platte, simpele rol. Ik ging als rechtenstudent met schrijfambities meeschrijven aan de serie. Edwin nam me onder zijn hoede, in die hectische wereld van Veronica, John de Mol en Haye van der Heyden, opdat ik niet ondergesneeuwd werd. Hij heeft me simpelweg drama leren schrijven. Elke twee weken zat ik bij hem thuis, om mijn scripts door te nemen. Vond het leuk dat ik rechten studeerde en toch iets anders wilde. Besteedde veel tijd aan me. Hij leerde me hoe scènes wél werkten. Edwin is een beetje een grote broer voor mij geworden. Het is een zeer complexe man. Bescheiden en heel ijdel, verlegen en tegelijk schaamteloos. Highbrow en lowbrow. Wil alles kunnen, op het hoogste niveau. En commercieel succesvol zijn. Als iets hem niet brengt wat hij wil, houdt hij ermee op. Omdat hij alles wil kunnen, versnippert hij zichzelf wel. Hij wil publiek bereiken. Ik vind dat een kwaliteit. Hij maakt dingen simpel. Maatschappelijke erkenning is heel belangrijk voor hem.’

Na acht jaar schrijven, regisseren en acteren voor televisie en film keerde De Vries in 1997 terug op het toneel. Hij wilde ‘weer eens serieus genomen worden’.

Met Will van Kralingen speelde hij Scènes uit een huwelijk naar de film van Ingmar Bergman, een vrije productie, geregisseerd door Lodewijk de Boer, oude vriend uit de Baal-tijd. In 2002, de samenwerking was goed bevallen en een succes in de theaters geweest, maakte De Boer Wie is er bang voor Virginia Woolf? met Van Kralingen als Martha en De Vries als George. De Vries kreeg er de Louis d’Or voor: de prijs voor Beste Mannelijke Hoofdrol. Datzelfde jaar stond hij in de komedie Art, een wereldsucces van de Iraanse schrijfster Yasmina Reza. Maanden achtereen speelden Paul de Leeuw, Hans Kesting en Edwin de Vries voor de uitverkochte grote zaal

van het oude Luxor Theater in Rotterdam. Heel Nederland wilde hen zien, als de drie vrienden die dreigen voorgoed met elkaar te breken met als aanleiding een abstract schilderij.

Hans Kesting en De Vries kenden elkaar van de toneelschool in Maastricht, toen De Vries daar medio jaren tachtig een paar maanden gastdocent was. ‘Dat deed hij ontzettend goed. Hij kan goed kijken, weet waar hij het over heeft. We waren meteen vriendjes. Ik had hem één keer zien spelen en wist: die man kan het. Punt. Hij is intelligent. Speelt honderd procent samen. Heeft uitstraling, pijn, humor, poëzie, het hele ding. Vooral in Wie is er bang voor speelde hij een prachtige rol. Werken met hem in Art was een feest. Toch heb ik altijd nog een angry young man-idee van hem, van vroeger. Ik zou het fijn vinden als een regisseur van nu aan hem ging rammelen. Er zit genoeg in. Na de toneelschool zou ik naar gezelschap De Salon gaan, van Edwin en Annemarie Prins. Hij had me gevraagd. Maar van het ene moment op het andere was hij weg, liet ons in de steek. Heel lullig. Prins was overspannen geraakt, zijn ­eigen MacBeth-regie mislukt. Jaren later kwam ik hem tegen op de set van Aletta Jacobs, de film van Nouchka van Brakel. We zaten als vreemden naast elkaar. Met Art was het weer heel snel goed. Toen ik voor de televisie ging werken en mijn show maar niet van de grond kwam, heb ik wel steun van hem gehad. Edwin is veranderd, zit in een heel andere wereld, woont in het Gooi, heeft een gezin. Als acteur is hij voor het kunsttoneel verloren, ben ik bang. Na Art wilden Paul, Edwin en ik met elkaar verder, een comedyserie maken. We kwamen er niet uit. Hij dacht zo veel commerciëler dan ik. Edwin heeft zelf geproduceerd, kent die wereld, maar ik vind zijn mentaliteit wel eens laf. Man, vroeger heb je op de barricaden gestaan!’

De Vries was toen al met iets anders bezig: een filmscript over Jan Montyn, naar het boek van Dirk Ayelt Kooiman, te regisseren door Paul Verhoeven. Terwijl hij werkte aan dit in de aanloopfase door het Filmfonds gesubisidieerde oorlogsepos, zei De Vries ja tegen het verzoek om intendant te worden bij datzelfde fonds. Zijn taak: het ontwikkelen van commerciële speelfilmprojecten. Met een eigen budget voor zo’n twintig volledige scenariosubsidies per jaar. ‘Mijn smaak komt heel erg overeen met die van het grote publiek,’ zei hij in NRC Handelsblad.

Dat de Vries als scenarist wat in zijn mars heeft, wordt door vriend noch vijand betwist. Voor het scenario van De ontdekking van de hemel kreeg hij in 2002 zelfs een Gouden Kalf.

De financiering van het (Engelstalige!) prestigeproject was omgeven met schandaaltjes. Met een budget van 25 miljoen gulden was het een van de duurste Nederlandse films aller tijden. Mede dankzij de bemoeienis van een paar PvdA-kopstukken (Jeltje van Nieuwenhoven, Rick van der Ploeg en Willem Vermeend) kregen producenten Ate de Jong en Edwin de Vries wel zeer soepele fiscale regelingen voor elkaar. Toen De Vries de gelederen van het Filmfonds kwam versterken, werden her en der in Nederland filmland dan ook de wenkbrauwen opgetrokken. De Vries zag het probleem niet. De basisideeën voor nieuwe films werden immers anoniem ingediend? En het lot van daadwerkelijke verfilming lag in handen van veel meer mensen dan de intendant alleen.

Als intendant initieerde, selecteerde en begeleidde hij twee jaar lang gedurende twee dagen per week treatments en scenario’s. Toen hij op 1 oktober 2005 werd opgevolgd door Esmé Lammers maakten de fondsmedewerkers de balans op: dertig scenario’s in verschillende stadia van ontwikkeling en vijf projecten klaar en door het fondsbestuur goedgekeurd voor realisering. Daarmee troefde De Vries de vorige intendanten Burny Bos en Jean van de Velde ruimschoots af.

En, kijkend naar zijn subsidieverslagen, heeft hij zich niet bezondigd aan bovenmatige inspanning voor vrienden en bekenden.

Mulholland Pictures, het internationale filmbedrijf van Ate de Jong, Jeroen Krabbé en Edwin de Vries, viel in 2003 uiteen na een diepgaand meningsverschil tussen Krabbé en De Vries. Het hoe en waarom blijven in nevelen gehuld, maar de ernst van de brouille is helder: het kwam niet meer goed tussen die twee.

De Jong kocht alle aandelen over en vindt het niet gepast om over het conflict tussen zijn vrienden uit te weiden. Jeroen Krabbé besteedt ‘zijn tijd liever aan leuke en zinniger dingen dan praten over Edwin’.

Montyn werd overigens niet de film waarmee Paul Verhoeven zijn comeback in Nederland zou maken. De Vries was ontgoocheld. Hij had zó hard aan het script gewerkt. Toen besloot hij Hélena te schrijven, de geschiedenis van Nino.

‘Als je het ergste hebt gezien wat je als mens kunt verdragen, hoe kun je je dan nog opwinden over kleinigheden? (…) De laatste jaren had ik hard gewerkt. Eigenlijk altijd maar door, zonder pauze, zonder mezelf ook maar één ogenblik rust te gunnen. Niet omkijken, was het motto. Nergens aan denken. Mijn carrière was als een speer gegaan. Goede kritieken, prijzen, het kon niet op. En ondertussen was ik over mijn herinneringen en verdriet heen gedenderd. Mijn gevoelens had ik geasfalteerd, mijn herinneringen met beton afgedekt. En nu opeens kwamen er scheuren in het asfalt, borrelde er van alles naar boven.’ (uit Hélena)

Ate de Jong: ‘Edwin zou zijn armen, benen, hoofd gegeven hebben voor dat kind, maar het overlijden van zijn zoon heeft hem op een rare manier ook bevrijd. Edwin had iets geschreven voor Joop van den Ende. Die vond dit niks, dat fout, met brullen en schelden erbij. Het deed hem niets meer. Ik heb mijn ­eigen Auschwitz gehad, zei hij tegen me. Zijn boek heet een roman, maar ik lees het als ­biografie.’

Matin van Veldhuizen: ‘Het boek heeft een ijzersterke constructie, maar zijn leven is fictie geworden. Hij leeft naar zijn eigen schets, de verwachtingen die mensen daarvan hebben. Ik denk dat dat is wat BN’erschap met je doet. Tot waar moet je mensen deelgenoot maken van je privéleven? Dat fenomeen vind ik interessant aan het boek. Het is zó open. Zó eerlijk. Maar ook zó ijdel.’