Reportage / Nederlandse multinationals en het milieu
In de grootste brouwerij van Europa ruikt het doordringend naar mout, maar daarbuiten nauwelijks. Dat was vroeger wel anders in Zoeterwoude, toen rook je de fabriek al op kilometers afstand. ‘Geen fabriek,’ corrigeren Jaco Bakker, manager Safety, Health and Environment van Heineken en Mark van Rijn, manager Corporate Affairs, verontwaardigd. Dat past niet bij het imago van Heineken, vinden ze.
Heineken is op een goede manier bezig met milieu, zei de huidige minister van Milieu Jacqueline Cramer eind vorig jaar tegen Vrij Nederland, toen nog in haar hoedanigheid als hoogleraar duurzaam ondernemen. En niet alleen de bierbrouwer. Bij allerlei Nederlandse multinationals zijn, aldus Cramer, ‘heel enthousiaste mensen actief. Er gebeurt daar op milieugebied veel meer dan de meeste mensen weten.’
Zo komt het dat we nu door het brouwhuis lopen, straks een uitvinding van Akzo Nobel gaan bekijken in het met moderne kunst overladen hoofdkantoor in Arnhem, en daarna in de hitte van de Philips tl-lampenfabriek in Roosendaal staan.
De Zoeterwoudse brouwerij is goed voor tien miljoen hectoliter bier per jaar, acht procent van de totale jaarlijkse bierproductie van Heineken. In zes brouwstraten staan tussen de brede loopbruggen gigantische roestvrijstalen tanks naast elkaar – inhoud zo’n driehonderd hectoliter per stuk – waarin de voorfasen van het ‘heerlijk helder’ gisten en borrelen. De gist, die zorgt voor de specifieke smaak, is bedrijfsgeheim. Vanuit Zoeterwoude gaat de gist naar veel Heinekenbrouwerijen over de hele wereld: 115, verdeeld over 65 landen, met in totaal bijna zestigduizend werknemers.
We staan bij een tank waarin wort – moutpap – wordt gekookt. ‘Bij dat koken komt een heleboel damp vrij. Een jaar of vijf geleden ging die gewoon de buitenlucht in. Mét de geur.’ Daar had Zoeterwoude op een bepaald moment geen zin meer in, en Heineken maakte van de nood een deugd.
Bakker: ‘Als je waterdamp condenseert, dus langs een koud oppervlak laat glijden, en je vult dat koude oppervlak met koud water, dan wordt dat water warm.’ Hij wijst naar het buizenstelsel tussen twee tanks. ‘Op deze manier halen we 95 procent van de geur weg en winnen we veel warmte terug. Die gaat met een pijp naar het gebouw, dat zo wordt verwarmd. En we verhitten er een van de pasteurs mee, een mega-verwarming waarin de flesjes bier door verhitting worden gepasteuriseerd zodat ze lang houdbaar zijn.’
De hete wort moet na het koken gekoeld worden voordat er gist aan toegevoegd kan worden. De ideale temperatuur is vijf, zes graden. Het koude water dat de hete wort koelt, wordt vanzelfsprekend zelf warm. Bakker: ‘Dat gaat naar de eerste ketel waar je warm water nodig hebt. Zo probeer je alle warmte die je hebt, te gebruiken.’
Totale investeringskosten om warmte terug te winnen: circa vijf miljoen euro. ‘Als we hier een nieuwe brouwerij hadden gebouwd, had het misschien een tiende gekost, dan waren al deze processen meteen in het ontwerp meegenomen,’ denkt Bakker. De nieuwste brouwerij in Ama, Nigeria, daar kun je de best practices van Heineken bekijken, zegt hij met lichte afgunst in zijn stem. Alle Heineken-brouwerijen zijn met elkaar verwikkeld in een competitie om het laagste water- en energieverbruik. De energiekosten maken twee tot drie procent van het totale product uit, wereldwijd een bedrag van tweehonderd miljoen euro. Zoeterwoude zit bij de laagste verbruikers, maar is niet de allerlaagste. Dat steekt toch een beetje – en dat is ook precies de bedoeling.
Etikettenpulp
Wat heeft bier brouwen te maken met het milieu? Veel. Brouwerijen verbruiken enorm veel zoet water: voor elke liter Heineken is gemiddeld 5,2 liter water nodig. Voor het brouwproces zelf, maar ook voor het reinigen van de hervulbare flesjes en het schoonmaken van de productielijnen. Brouwerijen hebben veel afvalwater met organische resten dat gezuiverd moet worden, ze stoten geur uit (‘stank’ mag je net zomin zeggen als ‘fabriek’) en ze produceren afval: etiketten, kroonkurken, kapotte flesjes, blikjes. Buiten staan grote afvalbakken voor groen en bruin glas, etikettenpulp – daar worden tissues van gemaakt – en containers met slibrestanten uit het afvalwater. Dat slib wordt verbrand. ‘Het recyclepercentage afvalstoffen is op deze brouwerij 99,5 procent, misschien zelfs nog meer,’ zegt Bakker.
De afvalwaterzuivering van de Heinekenbrouwerij in Zoeterwoude is qua grootte te vergelijken met een stad: geschikt voor tweehonderdduizend ‘vervuilingseenheden’. Op het terrein staat een biogasmotor die warmte en elektriciteit maakt, en die draait op biogas dat in de afvalwaterzuivering wordt opgewekt. ‘De elektriciteit is voor het kantoor en kan ongeveer tachtig procent van de daar benodigde capaciteit leveren. Wat we tekort komen, vullen we aan uit onze eigen warmtekrachtcentrale,’ legt Bakker uit. Die centrale, die op aardgas draait en elektriciteit en warmte maakt, levert aan de brouwerij.
Bakker: ‘Alle machines en verpakkingslijnen draaien erop, en de warmte hebben we nodig in het brouwhuis, de pasteur of in het reinigingsproces. Als je warmte én elektriciteit nodig hebt, zoals wij, is dit veel efficiënter dan een stoomketel, waarbij je water opwarmt en stoom produceert, en elektriciteit koopt. Qua elektriciteit zijn we bijna helemaal zelfvoorzienend. Aardgas kopen we, natuurlijk. De toekomst is dat we bierbostel, een restproduct dat bestaat uit kaf, onopgeloste eiwitstoffen en moutkiemen, ook kunnen vergassen. Nu gaat dat nog als voedsel naar de koeien.’ Van Rijn grinnikt: ‘Zo leveren we ongewild toch nog een bijdrage aan het broeikaseffect: door het methaan dat de koe opboert.’
De milieu-investeringen die in Zoeterwoude zijn gedaan en die – in tegenstelling tot energiebesparing – niet direct geld opleverden, waren nodig omdat de brouwerij tegen de grenzen van zijn milieuvergunning aanliep. ‘Zomaar’ in milieu investeren omdat het er beter van wordt, is niet aan de orde. Bakker, verbaasd: ‘Bedoel je alléén uit idealistische motieven? Zo hou je een bedrijf niet in stand. Ik heb thuis zonnepanelen omdat ik dat leuk vind. Maar als je dat bij Heineken zou willen doen, praat je over een terugverdientijd van dertig jaar. Dat is veel te lang. Dan kun je je geld waarschijnlijk beter in een programma in Afrika stoppen. De drie p’s, people, planet en profit, moeten wel in evenwicht zijn.’
De milieubeweging denkt wat dat betreft te vaak alleen in issues en te lokaal, vindt hij. ‘Voor de Nederlandse situatie kan iets zinvol lijken, maar als je kijkt naar het geheel van Heineken, kan een andere investering nuttiger zijn. Als je additionele investeringen doet om de milieubelasting terug te brengen, is je terugverdientijd ongeveer tien jaar. Als je een nieuwe fabriek neerzet, is dat twee jaar.’
Heineken zou ook nooit een verpakking niet maken uitsluitend omdat die slechter is voor het milieu. Hoewel… Van Rijn: ‘We hadden een poos geleden een researchproject, een blikje met blik eromheen; als je dat openmaakte, kwam er een reactie met zuurstof en koelde dat blikje af. Een zelfkoelend blikje, dus. Superhandig, maar wat is de ecologische prijs daarvan? Er zijn veel consumenten die zeggen: een verpakking die zo ongelofelijk meer belastend is voor het milieu dan een normale verpakking, willen we helemaal niet.’ Hij geeft toe dat het een ‘heel duur blikje’ geworden zou zijn. ‘Maar mijn vrouw haalt bij Albert Heijn kleine bakjes voorgegaarde rijst, terwijl je voor dat geld ook een hele zak rijst kunt kopen. Er zijn consumenten die voor gemak kiezen.’ Bakker: ‘In afgelegen gebieden waar het erg warm is, in de woestijn, daar zou het kunnen werken.’
Eco-efficiënt
Heineken is bezig met het energie-efficiënter maken van zijn productieproces; het product zelf, bier, is al eeuwen hetzelfde. Alleen de verpakking verandert.
Voor Akzo Nobel en Philips, de andere twee bedrijven waar we langsgaan, zijn ook de producten zélf object van verbetering. Sterker nog: het feit dat een aantal producten eco- efficiënt is, is hun unique selling point.
‘Dit is high risk, dat zeg ik eerlijk,’ zegt Mike Zeitler, en hij zet een op het oog doodgewone rechthoekige, kartonnen doos op tafel. In de bovenste twee kleppen is een handvat gemaakt, zodat je hem als een tas kunt dragen. Zo eenvoudig kan innovatie eruit zien. Een doos die je gewoon bij het oud papier kunt zetten.
En dat is het hem nou juist, legt Zeitler, een van de drie leden van Akzo Nobels Innovation Unit, uit: dat kán met deze doos. Ondanks het feit dat er een coating op zit die water- en vetafstotend is. Hij giet er water uit een petflesje in en inderdaad, het wordt niet opgezogen. ‘Andere dozen die dezelfde eigenschap hebben, hebben een coating die niet te recyclen is. Die dozen gaan de vuilnisbelt op, of worden verbrand. Dat is het verschil,’ zegt hij. Hij wijst naar het flesje. ‘Deze coating is gemaakt van scrap-pet, gerecyclede petflessen die tot hars zijn gesmolten. Dat hars lossen we op in een mengsel op waterbasis.’
Een prachtig product, heel geschikt om verse etenswaren naar de supermarkt te vervoeren. Het zou voor een forse vermindering van de afvalberg kunnen zorgen. Maar is er ook een bedrijf te vinden dat zulke dozen gaat gebruiken? Wat moet je doen om een duurzaam product ook daadwerkelijk te kunnen verkopen?
Vergroenen
‘Ik werk hier nu achttien jaar,’ zegt Henk de Bruin, senior vice president corporate sustainability office, van Philips. ‘Mijn taak in het leven is anderen in ons bedrijf aan te jagen om dingen duurzamer te doen. Veranderingsprocessen in een bedrijf kosten tijd, gaan niet altijd makkelijk en moeten concurreren met andere prioriteiten. Wereldwijd heeft Philips twintig mensen in dienst die zich met het aansturen van duurzaamheid bezighouden. We kijken wat de trends zijn op dit gebied, wat de concurrenten doen en de fore runner-bedrijven, hoe investeerders tegen dit soort zaken aankijken, wat de ngo’s (non gouvernementele organisaties, zoals milieuorganisaties en ontwikkelingshulporganisaties) vinden. Waar lopen we vóór, waar gaat het goed, waar lopen we achter? Als dat bepaald is, kijken we welke afdeling in het bedrijf een verbeterprogramma zou moeten opstarten, en gaan we met zo’n afdeling in gesprek.’
Dat gaat tegenwoordig makkelijker dan een aantal jaren geleden, zegt De Bruin. ‘Milieu begint van zijn softe imago af te komen. “Groen” doet niet meer denken aan geitenwollensokken, maar is hip. Dat is ook nodig, wil het succesvol zijn in een bedrijf.’
Zijn collega bij Akzo Nobel, André Veneman, bevestigt dat het vergroenen van het bedrijf nogal wat voeten in de aarde heeft. ‘Zelfs als dat het bedrijf netto geld oplevert, wil dat niet zeggen dat het automatisch wordt doorgevoerd. Bij ons werken zestigduizend mensen. De managers zijn inmiddels om. Maar is elke marketeer die bij ons werkt ervan overtuigd dat een eco-efficiënt product voordelen biedt voor bepaalde klanten? Nee. De een zegt: leuk, dit is voor mij een nieuwe markt, die ga ik onderzoeken. En de ander: ik wil gewoon mijn product verkopen.
In het opzetten van nieuwe productieprocessen zie je dezelfde discussie. Je hebt mensen die echt willen innoveren, en mensen die zeggen: het is toch prima hoe deze fabriek is gebouwd? Ik weet hoe hij werkt, ik ben altijd al zuinig geweest met energie en water, ik moet niet te veel nadenken over die nieuwe methode van energiebesparing. De researchers op hun beurt moeten producten ontwikkelen die efficiënt zijn, goed gemaakt kunnen worden, afbreekbaar zijn en vooruit lopen op de nieuwe milieuwet- en regelgeving. Er is dus een cultuuromslag nodig, daar zijn we hier de komende jaren nog wel mee bezig. Zo’n omslag begint aan de top van een onderneming, die moet zeggen: wij willen dit hoog op de agenda hebben, dit is de kern van ons bedrijfsbeleid, en dit dragen wij uit.’ Dat gebeurt in ons bedrijf ook, zegt Veneman, en met reden: ‘Duurzaam ondernemen slaat aan omdat het goed ondernemen is.’
Cashen
Bij Akzo Nobel en bij Philips zijn ze ervan overtuigd: de huidige aandacht voor duurzaamheid is geen hype, en bovendien is die aandacht alleen maar goed voor het bedrijf. Sterker nog: de overheid zou op het gebied van wet- en regelgeving best een tandje bij mogen zetten. Strengere milieuregels spelen een innoverend bedrijf in de kaart. Het is een duidelijke boodschap aan de minister van Milieu, die in haar vorige leven onder meer bij deze bedrijven over de vloer kwam om daar duurzaamheidsprocessen te begeleiden en te activeren.
‘Het is goed voor het milieu om de komende tien jaar van de gloeilamp over te stappen naar de spaarlamp,’ zegt Henk de Bruin. ‘Al betekent dat best wel wat voor een bedrijf als het onze, omdat we nog heel veel gloeilampfabrieken hebben staan.’
Maar Philips is klaar met die verouderde technologie. Als de gloeilamp brandt, levert hij vijf procent licht en vijfennegentig procent warmte. In de negentiende eeuw, toen hij werd uitgevonden, was dat fantastisch. Maar we rijden ook al lang niet meer met paard en wagen. Bovendien is de behoefte aan licht in West-Europa de afgelopen tweehonderd jaar met een factor twaalfduizend toegenomen. Dat schreeuwt om efficiëntere technologie.
Philips wil nu eindelijk weleens cashen met een vinding die energie-efficiënter is, een langere levensduur heeft en qua lichtopbrengst inmiddels niet meer onderdoet voor de gloeilamp: de spaarlamp. De Bruin: ‘Wanneer Australië en Californië die omslag ondersteunen, en ook de Europese Unie over beleid op dit gebied begint na te denken, zijn wij daar natuurlijk blij mee. Er zit een vervangingsslag aan te komen, en dat betekent omzet voor een bedrijf als het onze.’
Consuminderen is geen optie
‘Duurzaam ondernemen is eigenlijk hetzelfde principe als “een slimme meid is op haar toekomst voorbereid,”’ vindt André Veneman van Akzo Nobel. ‘Je wilt dat je fabriek in 2030 ook efficiënt is. En dan weet je: de grondstoffen worden schaars, de CO2-prijzen stijgen en de olieprijzen staan onder druk. Alleen een bedrijf dat hiermee rekening houdt in zijn bedrijfsvoering en zijn technologie, en zijn innovatie daarop inzet, is een bedrijf van de toekomst. Bovendien, zorgvuldig met al die bronnen omgaan, is geld waard. Vorig jaar hebben we honderd miljoen euro bespaard op energie ten opzichte van het referentiejaar 1990. We hebben liever dat we CO2-rechten kunnen verkopen, dan dat we ze moeten aanschaffen.
Punt twee is dat in 2030 de wereldbevolking ongeveer negen miljard bewoners zal tellen. Nu al zouden we 1,4 werelden nodig hebben als alle mensen hetzelfde consumptieniveau zouden hebben als wij. We moeten dus op een andere manier met grondstoffen, olie en zoet water omgaan.’
De technologie gaat de oplossing brengen, zeggen De Bruin en Veneman eensgezind. Consuminderen is geen optie. Niet voor het bedrijf, dat zich op nieuwe markten wil begeven en graag wil groeien – stilstand is immers achteruitgang. En niet voor de consument, wiens gedrag de afgelopen jaren alleen maar is gekenmerkt door méér: meer vlieguren, meer autokilometers, meer kilo’s papier, meer liters verf, meer luxeproducten.
Daar komt bij dat de komende decennia de verdunning van de huishoudens zal doorzetten. In 2030 verwacht het CBS 3,4 miljoen singles. Er komen steeds meer eenlingen achter de voordeur, met allemaal hun eigen koelkast (of twee), tv (of twee), pc (of twee), auto (of twee), en ga zo maar door.
De welvaart zal bovendien stijgen, wat betekent: iedereen zijn eigen vlakscherm-tv, zijn eigen zonnebank, zijn eigen led-verlichting waarmee elke ruimte al naar gelang je stemming in elke gewenste kleur uitgelicht kan worden. En elk jaar een nieuw verfje van Akzo Nobel op de muren, om het thuis niet te laten versaaien. Om maar wat te noemen.
‘Wat de consument wil, is leading,’ bevestigt De Bruin. ‘Daarbinnen maken wij een product dat voldoet aan de hoogste duurzaamheidseisen die Philips stelt. Ik ben in 1993 leiding gaan geven aan de milieu-afdeling. Vanaf dat moment zijn er vierjaarsprogramma’s geïntroduceerd waarin een holistische benadering van het product voorop staat, een zogenaamde lifecycle-benadering. We kijken naar álle milieubelastingselementen van een product: energie, afval, water, alles wat nodig is vanaf het begin om het product te maken, tot en met het einde van de levensduur. Inclusief de verpakking, het transport, noem maar op. Daar hebben we een reductiedoelstelling op gelegd. In de jaren tachtig deed je aan milieu als je je productieprocessen verbeterde, maar het gaat uiteindelijk ook om het product zelf.’ Het resultaat is de serie Green Flagships van Philips, apparaten die volgens de principes van Ecodesign zijn ontwikkeld en op verschillende milieupunten substantieel beter scoren dan hun voorgangers of producten van concurrenten. De Bruin: ‘Van onze omzet in 2006 van 29 miljard euro betreft ruim 4 miljard producten met een uitstekende milieuperformance.’
En ja, daar zitten dan ook nogal wat lcd-tv’s bij, die veel energie-inefficiënter zijn dan de oude beeldbuis-tv. Maar dat mag je van Philips geen voorganger noemen, want dat is een heel andere technologie. Bovendien is de verwachting dat ook de lcd-tv in de toekomst milieuvriendelijker wordt. Het innoveren gaat door; het feit dat Philips inmiddels een tl-buis kan maken die tachtigduizend branduren heeft, bewijst dat ook bestaande technologie verbeterd kan worden.
Schone verf
De combinatie van schaarste aan grondstoffen, de noodzaak om als bedrijf te groeien en de verlangens van veeleisende consumenten, resulteren bij de verlichtingsmarkt in luxere uitvoeringen van bestaande producten (bijvoorbeeld de lcd-tv in plaats van de beeldbuis), nieuwe luxeproducten (bijvoorbeeld de zonnebank) en extra producten (bijvoorbeeld led-verlichting, om thuis met behulp van verschillende kleuren verschillende sferen te creëren). Kijken we naar de verven, dan wil Akzo Nobel natuurlijk het liefst dat we niet alleen ons huis per seizoen aanpassen, maar ook onze auto wat vaker in de lak zetten – om maar wat te noemen.
Dan hebben we het alleen nog maar over de westerse high advanced markets. Daar komen de new emerging markets nog bij, van snelgroeiende economieën als India en China. Samen op termijn goed voor twee miljard potentiële kopers van lampen en verf.
‘Geloof nou maar gewoon dat ook in deze landen mensen meer welvaart willen, en in een auto willen rijden. Daar zijn we hier niet uniek in. En dan ben je erbij, of niet. Wij willen er bij zijn, bij die markt,’ zegt Veneman, die in een vorig leven als tropenarts in vluchtelingenkampen werkte.
Akzo Nobel wil graag dat ontwikkelingslanden net zoveel en zo vaak gaan verven als wij. Ze gebruiken nu twee liter per jaar per hoofd van de bevolking; in het Westen is dat tien keer meer. ‘We hebben in de afgelopen jaren in landen als India en Bangladesh honderdduizend mensen met een klein autospuitbedrijfje getraind om met onze producten om te gaan. Dan zeggen we: je bent een uitstekend vakman, misschien moeten we je ook nog helpen met boekhouden en met het beschermen van je persoonlijke gezondheid en het milieu. In Turkije en Marokko hebben we tienduizend schilders getraind, in Vietnam schilders en architecten.’
Akzo Nobel werkt samen met de Vietnamese Environmental Protection Agency (VEPA). Veneman: ‘Die wil graag van ons leren hoe je schoon kunt produceren, zonder chroom en lood in de verf, zoals wij doen. Daarom zijn onze verven ook iets duurder dan die van lokale concurrenten. Samenwerken met VEPA is goed voor onze reputatie ten opzichte van de Vietnamese overheid, we hopen dat we daar een nieuwe fabriek kunnen bouwen. En we willen graag dat het lood verdwijnt uit de verf van de buurman. We helpen daarom ook met het verbeteren van de wetgeving op dat punt.’
Zo slaat het bedrijf wel heel veel vliegen in één klap. Want natuurlijk hoopt het dat al die autolakkers en schilders schone verf gaan gebruiken – schone verf van Akzo Nobel.
Glimmen
Ook Philips heeft projecten lopen in onwikkelingslanden. Henk de Bruin noemt er twee: Smile (Sustainable Model In Lighting Everywhere), een oplaadbare spaarlamp, en Woodstove, een oven. Allebei in India.
Bij de introductie van de lamp kwam Philips dingen te weten die researchers niet uit zichzelf hadden bedacht. De Bruin: ‘We hadden het eerste prototype gemaakt, een mooie, sfeervolle spaarlamp. Die werd getest en wat bleek: als je helemaal geen licht hebt, wil je het koudste en witste licht dat er is, licht dat wij hier afschuwelijk vinden. Maar dáár gaat het erom dat iedereen ziet dat jij ’s avonds licht hebt. Daar kwam nog wat bij. We hadden een behoorlijk stevig design gemaakt, dachten we. Maar uit marktonderzoek bleek, dat het nog een stukje steviger moest. Want ’s avonds werd die lamp mee naar buiten genomen, naar de wc, of om een vastgelopen irrigatiepompje te repareren. Als mensen onderweg een slang tegenkwamen, kreeg die een tik op zijn kop met de lamp. Daar hadden we geen rekening mee gehouden.’
De Bruin waarschuwt voor een te westerse manier van denken. ‘Je zou zeggen: we maken een product waarvan wij denken: dat is het beste wat er is voor dat geld, dat is het helemaal. Maar zelfs als mensen heel weinig geld te besteden hebben, kun je een low, medium en high segment in de markt ontdekken.’
Dat de houtoven een succes kan gaan worden, daar twijfelen maar weinig mensen aan. Niet alleen verbruikt hij de helft minder brandstof dan een traditionele houtoven, er komt ook nauwelijks rook vanaf. ‘Ze hebben in India hun houtovens binnen staan, en dat betekent dat er heel veel rook in huis is. Als gevolg daarvan sterven er in India jaarlijks 1,6 miljoen mensen, met name kinderen. Onze oven reduceert de rook met ruim 90 procent. Dus van dat probleem zijn ze af.’
Toch is dat niet de reden waarom de Philips-oven verkoopt, zegt De Bruin. ‘Dochters moeten hun moeder helpen bij het koken, maar dan staan ze in de vieze rook. Hun kleren gaan stinken, terwijl hun vriendje buiten staat te wachten. Daar hebben ze geen zin in. Deze oven lost ook dat probleem op. Dochters helpen hun moeder nu veel beter.’
Bovendien wees marktonderzoek uit dat de oven van glimmend materiaal gemaakt moet worden. Zo niet dan wordt hij, ondanks zijn evidente gezondheids- en milieuvoordelen, niet gekocht.
Inefficiënte systemen
Consumenten zijn belangrijk, maar daarnaast er een gigantische professionele markt voor verlichting. ‘We onderscheiden daarin kantoren-, industrie- en winkelverlichting,’ zegt Joep Rooijmans, senior product manager van Philips Roosendaal. Daar gaan de tl-buizen naartoe die de consument alleen in zijn garage of onder zijn keukenkastjes acceptabel vindt, maar die niet zijn weg te denken in fabrieken en kantoren.
‘Kijk je in Europa, dan zie je dat de technologie veel verder is dan de markt. Er zijn nog veel inefficiënte systemen geïnstalleerd,’ zegt Rooijmans. ‘Vaak is degene die besluit over de aankoop van een verlichtingsbron niet degene die ook de budgethouder is voor de energiekosten.’ En dat is jammer, want: ‘Als alle Europese kantoren zouden overstappen op de efficiënste technologie, zou dat een besparing van 1 miljard euro opleveren,’ weet Gertjan van der Weijden, product manager Europe voor tl-lampen. ‘Zuiniger is vaak duurder, maar dat verdien je wel in twee jaar terug. De technologie die nu gebruikt wordt, is vaak dertig tot veertig procent minder efficiënt dan mogelijk is. Dat scheelt acht miljoen ton CO2, een equivalent van vierhonderd miljoen bomen.’
‘Wat goed is voor de wereld, is goed voor ons. Dat meen ik oprecht,’ zegt Rooijmans. Maar de wereld heeft wel een duwtje in de goede richting nodig. En dat betekent dat de overheid aan zet is. Want die behelpt zich nog steeds met energieverspillende technologie uit de jaren zestig en zeventig. ‘Practice what you preach,’ vermaant De Bruin diezelfde overheid dan ook. ‘Technologie heeft pas impact op het moment dat je dat grootschalig neerzet. Overheden zijn gigantische afnemers van verlichting, maar elke gemeente mag zelf uitzoeken wat hij aankoopt. Wanneer je als overheid waarschuwt voor global warming, zou je beleidsmaatregelen kunnen nemen om interne inkoopprocessen te vergroenen. Voorwaarden stellen aan de energie-efficiëntie van verlichting, dus. Op dat gebied valt nog een wereld te winnen.’
‘Overheden kunnen heel veel invloed hebben wanneer ze threshold levels bepalen voor de minimumlichteffiëntie op kantoren. Dat gaat veel sneller dan wanneer wij elke klant apart daarvoor moeten winnen,’ zegt Rooijmans.
Voor de toekomst voorspelt hij de opmars van de led-technologie. De lichtopbrengst van led’s is nu nog te laag; je kunt er geen krant bij lezen. Maar op termijn zal blijken dat de spaarlamp – een opgevouwen tl-buis – maar een tussenstation was.
Zeepokken
Bij het merk International Paint van Akzo Nobel is intussen de nieuwste generatie verven geboren. De Intersleek is bedoeld voor de professionele markt van zee- en cruiseschepen. De coating zorgt voor een spekgladde buitenkant waardoor het schip makkelijker door het water glijdt en, daardoor, brandstof bespaart. De verf voorkomt bovendien dat algen en zeepokken zich hechten aan de scheepsromp. En dat is belangrijk, want hoe meer aangroei zich hecht aan de scheepsromp, hoe meer weerstand het schip heeft, hoe groter het brandstofverbruik en dus ook de CO2-uitstoot.
‘Eerdere generaties verven hadden hetzelfde effect, maar die bevatten tributyltin (tbt), een zwaar metaal dat niet wordt afgebroken en in het oppervlaktewater en het sediment terecht kwam,’ legt technical manager International Paint Ger Koert van Akzo Nobel uit op zijn kantoor in Rhoon. ‘Die tbt heeft bijna de hele oestercultuur in Frankrijk vernietigd, alle schelpen werden week. En de purperslakken gingen imposeks vertonen.’
Verf met tbt mag sinds 2003 niet meer gebruikt worden, en vanaf 2008 op geen enkele scheepsromp meer voorkomen. Daarom werden de biologisch afbreekbare biociden geïntroduceerd. Koert: ‘Maar daar zit nog steeds koper en dus ook biociden in. Die verven vallen onder de bestrijdingsmiddelenwet. Intersleek is verf op basis van siliconen, volledig biocidevrij. De kennis was er al begin jaren zeventig. R&D is er jaren mee bezig geweest om dat door te ontwikkelen, en in de jaren negentig is die verf commercieel geïntroduceerd.’
Dat viel nog niet mee, zegt hij. ‘Ik loop zelf al drieëndertig jaar in de droogdokken rond en weet uit ervaring dat de scheepvaart heel behoudend is. Mensen doen het zoals hun vader het deed. Je moet ze echt overhalen om onze verf te proberen op een deel van het schip. Daar komt bij dat men huiverig is om siliconen te gebruiken, want als iets eenmaal met siliconen in aanraking is geweest, kun je het niet meer met andere producten behandelen.’
De Intersleek houdt de romp net zo goed schoon als de vroegere tbt-verf, en zorgt bovendien vergeleken met de oude verf voor een brandstofbesparing van 4,5 procent. Inmiddels varen er tweehonderd zeeschepen met Intersleek-verf op hun romp.
Na Intersleek 425 en 700, wordt nu Intersleek 900 in de markt gezet. ‘Een combinatie van siliconen en teflon; nóg gladder, een nog lagere weerstand, nog meer aangroeicontrolerend en nog glanzender ook,’ zegt Koert trots. Dat laatste is van belang voor de luxe cruiseschepen.
Al die vooruitgang kost ook wat. Koert: ‘Deze verf is per vierkante meter vier à vijf keer duurder dan de traditionele verven. Een groot containerschip is aan een behandeling, die ongeveer tien dagen duurt, een half miljoen dollar kwijt. Dankzij Intersleek 900 kan 6 procent brandstof bespaard worden. Op een verbruik van zo’n 160 ton brandstof per dag voor een containerschip, met een brandstofrekening van zo’n 14 miljoen dollar per jaar, is de investering binnen zes maanden terugverdiend.’
Friteszakjes
En hoe is het afgelopen met de kartonnen doos van Mike Zeitler? ‘Het probleem met dit product is, dat je niet met één klant te maken hebt, maar met allerlei sectoren,’ zegt Zeitler. ‘De papierfabrikant die de coating erop zet, wil eerst weten of het resultaat wel echt goed is. Dat kost tonnen papier, die machines gaan met een snelheid van honderden meters per minuut. Dat papier kan weer gerecycled worden maar ja, het kost wél geld. Dus je moet iemand kunnen overtuigen dat het de moeite waard is.
Daarna gaan we naar degene die verpakkingen verkoopt, die moet zijn klanten, boeren bijvoorbeeld, vertellen dat zij een andere doos moeten aanschaffen. Tenslotte komt die doos bij de supermarkt terecht. Dat is de end-consumer, degene die echt profijt heeft van het product. Want recyclen levert geld óp, terwijl verbranden of bij het afval gooien alleen maar geld kóst. Als je het helemaal doorrekent, zouden supermarkten miljoenen kunnen besparen. Maar dan moet de hele keten wel op gang zijn.’
Een van onze marketingactiviteiten is met klanten als McDonald’s applicaties identificeren die we zouden kunnen vervangen, zegt Zeitler. ‘Hun friteszakjes, bijvoorbeeld. Op dit moment lopen er voor McDonald’s projecten voor papieren bekertjes met deze coating erop. Met deze actie willen we laten zien dat het werkt. We gaan met de end-consumer naar de papiermensen en zeggen: dit is de toepassing, dit zou je kunnen verkopen.’
‘Ik ben niet echt een environmentalist,’ zegt Zeitler. ‘Maar more economic value for less ecological footprint is niets anders dan anticiperen op strengere regels en toekomstige schaarsteproblemen. Als je bezig bent met productontwikkeling, maak dan niet iets waarvan je weet dat het straks niet meer voldoet. Daar heeft je bedrijf niets aan.’
Jacqueline Cramer: ‘Kernenergie is geen optie’
De overheid moet met strengere regels komen en de hand in eigen boezem steken, zeggen André Veneman (Akzo Nobel) en Henk de Bruin (Philips), die bij hun bedrijven verantwoordelijk zijn voor duurzame ontwikkeling. Innoverende bedrijven hebben daar baat bij, en het is goed voor de maatschappij. Dus mevrouw Cramer: doe uw best!
De minister van Milieu geeft aan dat ze het advies van beide heren ter harte wil nemen. Er zijn twee soorten regels mogelijk. Cramer: ‘Er zijn regels om grote vervuilers aan te sporen tot verbetering door minimumeisen te stellen. En er zijn regels om koplopers via voortschrijdende normstelling te stimuleren hun producten of productieproces te verbeteren omdat zij daar voordeel bij hebben. Beide dingen wil ik doen.
Bij klimaat- en energiebeleid moet iedereen meedoen, we moeten samen die doelen bereiken. Dat betekent dat ik tegen elke sector zeg: in totaal moet u dit halen. Komt u zelf niet met plannen, dan zal ik door strengere normen te stellen een einddoel definiëren dat acceptabel is voor uw product of productieproces.’
Hierbij moet ze wel rekening houden met Brussel. Afspraken die in Europees verband worden gemaakt mogen alleen aangescherpt worden als daar een goede reden voor is, legt ze uit. ‘Een land met veel industrie of een hoge bevolkingsdichtheid mag op sommige punten wel wat strenger zijn. Maar dan hebben we het over uitzonderingen op de regel. Strengere eisen aan elektrische apparatuur stellen bijvoorbeeld, kan alleen in Europees verband. Dáár worden de stand by- percentages vastgesteld. Waar ik dat kan, ga ik de normen gefaseerd verscherpen. Maar dat kan ik niet overal.’
Dat de overheid zelf het goede voorbeeld zou moeten geven, daar is de minister het hartgrondig mee eens. ‘Het regeerakkoord heeft zes pijlers. Een daarvan is duurzame leefomgeving, daar ben ik coördinator van. Maar duurzaamheid speelt natuurlijk ook een grote rol in economie en innovatie, een andere pijler, en in de Europese en internationale verhoudingen, denk maar aan de millenniumdoelen.
In feite moet duurzaamheid doorklinken in de thema’s, ambities en resultaten van het héle kabinetsbeleid, want overal zijn raakvlakken met people, planet en profit. Ik wil dan ook, en dat is heel nieuw, dat de overheid net zoals bedrijven gaat rapporteren over duurzame ontwikkeling.’
Niet alleen het beleid, ook de bedrijfsvoering van de overheid moet duurzamer, zegt Cramer. Daarbinnen heeft ze drie prioriteiten.
‘Om te beginnen wil ik een duurzaam inkoopbeleid voor alle producten waarvan we een bepaald volume afnemen – hoeveel moet nog worden vastgesteld. Dat varieert van kantoormeubilair tot spullen die de weg- en waterbouw nodig heeft, de verlichting die wordt gebruikt, enzovoort. Echt álles. Op die manier willen we proberen producten aan te bevelen die qua duurzaamheid het beste scoren, om zo een markt te creëren voor duurzame producten. De overheid is een heel grote inkoper.’
Daarnaast gaat Cramer zich inspannen voor energiebesparing en duurzame energie. ‘Spaarlampen, led-lampen, wind- en zonne-energie, biomassa. Op de heel lange termijn, maar dat is pas over een jaar of veertig, is ook waterstof een optie. Dat zou een gigantische ommezwaai vergen, want dan verandert je hele systeem van brandstofvoorziening.’ Kernenergie gaat wat haar betreft ‘in de ijskast’. ‘Daar ben ik geen voorstander van,’ zegt ze beslist, ‘zeker niet onder de huidige condities. De risico’s zijn veel te groot en het afvalprobleem is nog lang niet opgelost.’
Ten slotte zet Cramer in op vermindering van de mobiliteit. ‘Daarin trek ik samen met minister Eurlings van Verkeer op. Ik denk aan meer thuis- en telewerken, maar daar kan ik nu nog niet zoveel over zeggen.’ Ook wil de minister het wagenpark van de overheid vergroenen. Zelf geeft ze alvast het goede voorbeeld: ze rijdt in een Mercedes op gas.
Cramer bevestigt dat ze, anders dan haar voorganger Pieter van Geel, het tij mee heeft. ‘In het kabinet wordt dit beleid breed gedragen, de burgers onderkennen de ernst van het klimaatprobleem en ook bedrijven zeggen dat het zo niet langer meer kan. Dat broeide al een poosje. ‘Duurzame ontwikkeling wordt cool. De Cool Hunters die in Europa rondlopen, jonge trendsettende stedelingen, hebben het allemaal over “eco”.’ Toen ook bekende publieke figuren zich erover gingen uitspreken en een paar regeringsleiders een vlammend betoog hielden, sloeg de publieke opinie om. Er is echt iets aan de hand, daar is iedereen nu wel van overtuigd.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.