Kees van Kooten
Laat hij nou maar eens meteen hoog inzetten. Zijn Boekenweekgeschenk De verrekijker is misschien wel het beste boek dat hij gemaakt heeft, zegt Kees van Kooten. ‘Qua compositie, qua overzicht. Ik probeer de tijd te vangen; die van nu en die van toen. En ik ben tamelijk tevreden over hoe dat gelukt is.’ Van Kooten (71) had al jaren een staande uitnodiging om een keer het Boekenweekgeschenk te schrijven. ‘Maar ja, het bekende verhaal: geen tijd.’ Vorig jaar maart zei hij toch ‘ja’. Een idee voor een verhaallijn had hij toen nog niet. Hij wist alleen dat het in september af moest zijn. En ja, natúúrlijk was hij keurig op 1 september klaar. ‘Kwaliteit is onze reclame, hè.’
Toen Van Kooten hoorde wat het thema van de Boekenweek zou zijn – Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden – was hij net aan het opruimen. Hij stuitte bij toeval op het fotoalbum dat zijn vader ooit samenstelde ten tijde van diens diensttijd en de mobilisatie. ‘Keepersgeluk.’ Van Kooten had het album al jaren in de kast liggen. Ooit zou hij er eens goed voor gaan zitten. Maar ja, wie eenenzeventig is, heeft steeds minder ‘ooit’ voor de boeg.
‘Als ik mij nú niet in zijn oorlogsverleden verdiepte, wanneer dacht ik dat dan wél te doen? Straks was ik honderdtien maar blind of dement of dood en dan had hij zijn monumentale mobilisatie- en oorlogsalbum compleet voor niets gemaakt. Bij al dat fotograferen, knippen, plakken, schrijven en tekenen heeft hij aan ons gedacht: het nageslacht. Dat kan niet anders.’
Achter in het fotoalbum bleek zich bovendien een raadselachtige brief aan ‘sergeant Van Kooten’ te bevinden.
Door den heer J. Treurniet wonende te Berkel en Rodenrijs is een eisch tot schadevergoeding ingediend voor een veldkijker ter waarde van f 9,75 welke door u van genoemden heer gevorderd is geworden.
In verband hiermede wordt van u per omgaande bericht ingewacht:
1e op wiens last de vordering is geschied?
2e waar de bedoelde veldkijker is gebleven?
Die brief, ondertekend door ene kapitein R.A. van Holthoon, werd de aanzet tot een zoektocht naar de onbekende oorlogsgeschiedenis van vader Van Kooten. Het leverde een pakkende, prachtig geschreven en bij vlagen hilarische ode aan zijn vader op.
De prijs van pepermunt
Hij heeft de memorabilia die in zijn Boekenweekgeschenk een rol spelen voor aanvang van ons gesprek keurig uitgestald op de tafel in zijn woonkamer. De verrekijker (zou hij hem voor de gelegenheid extra opgepoetst hebben?), het fotoalbum van zijn vader en diens agenda’s, overduidelijk gedragen in de achterzak van zijn broek: in de zachte welving van de boekjes is nog altijd de bil van vader Van Kooten zichtbaar. Zwartlederen getuigen van een werkleven dat al lang voorbij is, volgepriegeld in een ragfijn miniatuurhandschrift. ‘Dat beheersten mensen toen nog. Kijk hier nou eens naar,’ zegt Van Kooten, terwijl hij het jaar 1971 ter hand neemt. ‘Deze maat agenda, zes bij negen centimeter, die zíé je helemaal niet meer. Wie kan vandaag nog zo klein schrijven? Maar ja, als ze toen niet zo klein hadden kunnen schrijven, dan waren die agenda’s niet zo klein geweest.’ Ze vormen een handgeschreven Wikipedia op zichzelf. Of eigenlijk nog meer dan dat. ‘Er staan dingen in die je nergens op Wikipedia zult vinden. De prijs van een rol pepermunt in 1953. Dat schreef hij allemaal op, omdat er nou eenmaal weinig geld was. Elke uitgave moest verantwoord worden.’
De vader van Van Kooten werkte decennialang bij Rijam Agenda’s. Als vertegenwoordiger had hij als eerste in de straat een auto, tot grote trots van zijn zoon. Vooral omdat het een Jeep was. ‘Met achterop een bak waar wel tien kinderen tegelijk in konden.’ Daar werd Kees helemaal de held van de straat door. Die Jeep heeft hij uiteindelijk in het Boekenweekgeschenk moeten schrappen. Hij zat nou eenmaal aan die 96 pagina’s vast. ‘Dat lijkt veel, maar die 29.000 woorden staan er eerder dan je zou denken.’
De oplage overtreft ruimschoots die van alle boeken die Van Kooten eerder schreef. ‘Ik begrijp nu pas hoe het werkt. De boekhandelaar koopt het Boekenweekgeschenk voor een symbolisch bedrag in, op basis van zijn verwachtingen. “Is dat het thema? Nou, geef me er dan maar honderd.” Aan de hand daarvan wordt de uiteindelijke oplage bepaald.’ Het zijn 750.000 boeken geworden. ‘Van dat aantal weet ik dat zeker 600.000 lezers nooit iets van me gelezen zullen hebben. In die zin is het ook een beetje een debuut.’
Eén pin-up
Zijn vader had het eens moeten weten. ‘Zou-ie prachtig gevonden hebben,’ zegt Van Kooten, behoedzaam door het fotoalbum knisperend. Kijk, daar zit-ie, in zijn soldatenkloffie te midden van zijn maten. Hier, die man met die bril: Cornelis Reinier van Kooten – roepnaam ‘Kees’ – die zich vanaf zijn zestiende ‘Bill’ liet noemen, om indruk te maken op zijn vriendin Annie.
‘Wat een ventje nog, hè,’ zegt zijn zoon, zelf inmiddels al drie jaar ouder dan zijn vader geworden is. ‘En dan de weemoed die in al die onderschriften zit… Hier zitten ze in hun legerpyjama, met één pin-up tussen ze in. Daar heeft-ie bij geschreven: “En al zijn we met zijn elven, jalousie bestaat er niet. Sergeant Veldhuis schijnt zwaar onder haar bekoring geraakt te zijn…”
Ik heb wel steeds voor ogen gehouden: hoe zouden mijn ouders het zelf vinden, wat zouden ze ervan zeggen? Ik heb al vaak over ze geschreven. En over mijn vrouw, mijn kinderen, mijn honden, mijn poezen. Dat is niks nieuws. Maar dit is anders. Hij kan zich niet meer verdedigen. Koot graaft zich autobio heeft hij zelf gelezen. Dat vond hij mooi, ook de stukken waarin ik over hem schrijf. Maar hier kon hij niks op terugzeggen.’
Het schrijven van het boek woelde veel om, erkent Van Kooten. De verrekijker van zijn vader ging in die periode overal mee naar toe. Gek, maar als hij dat ding vasthoudt, dan vóélt hij zijn vader weer. Hij ruikt de geur van zijn Old Spice, voelt de warmte van zijn sterke armen om zijn lijf. ‘Hoe hij de kijker voor mijn ogen hield, en net zo lang aan het wieltje draaide totdat ik de verte dichtbij kon halen. Dat is puur zintuiglijk.’ Datzelfde heeft hij bij het lintje dat zijn vader naliet. ‘Dit was ’m,’ zegt hij, terwijl hij de onderscheiding laat zien. ‘Dit was de oogst van de mobilisatie en van al die andere jaren.’ Wat was zijn vader trots op die koninklijke blijk van waardering. Het lintje verhuisde voortdurend van jasje naar jasje. Hoorden ze zijn vader in de slaapkamer voorovergebogen staan praten – ‘kom er zo aan, Annie’ – dan wist iedereen dat hij zijn lintje weer aan het verspelden was. ‘Die zintuiglijke, visuele en snuifmatige elementen kwamen heel sterk terug.’
Hardop grinniken
De verrekijker is ook qua vormgeving een opvallend boek. Op het bovenste deel van de bladzijden zijn de opengeslagen pagina’s van een agenda van 2013 afgedrukt met daarin literaire gebeurtenissen, compleet met aantekeningen van Van Kooten zelf. Hij gáát me rond de Boekenweek een druk programma tegemoet met dat boek! Twee, drie boekhandels per dag, met vaak ’s avonds nog een optreden in Nijmegen, Assen, Hoorn, Deventer, Rotterdam, Utrecht, Vlissingen of Tilburg. Monter: ‘Ja, dat zou best mijn dood eens kunnen worden.’ Hij heeft het boek gisteren nog ingelezen als luisterboek. En het zal verschijnen als e-book. Eigenlijk geheel tegen zijn principes in.
Fragment uit De verrekijker:
‘Als de e-reader of de tablet ooit definitief het papieren boek vervangt, waardoor op langere termijn de boekenkast uitsterft, resulteert dit in een onherstelbaar gemis aan zichtbaar vergelijkingsmateriaal op basis waarvan wij tot een goed gesprek kunnen komen. Op visite in zo’n ongestoffeerd huis kun je moeilijk aan de gastheer vragen of u even op zijn iPad mag kijken wat hij de laatste tijd zoal gelezen heeft. En nooit meer de opwindende constatering dat een leuk mens tegenover u in de trein hetzelfde boek openslaat als waar u thuis in bezig bent, zodat u na een beleefd kuchje kunt opmerken dat het de eerste vijftig bladzijden even doorbijten is, maar wacht maar tot Siem Sigerius via zijn laptop op een pornosite zijn dochter Joni denkt te herkennen, want daarna kunt u dat meesterwerk niet meer wegleggen. (…) Derhalve pleit ik ervoor dat er tablets of e-readers met tweezijdig scherm komen, waarop je aan de onder- of achterkant de cover kunt zien van het boek waar de tegenoverzittende lezer aan de voorzijde in bezig is.’
Er gaat niks boven het echte boek. ‘Ik heb in de inleiding van dat e-book ook geschreven: “U weet niet wat u mist”.’ Maar goed, als ze het maar lezen. Want er valt voor hem in dit boek heel veel samen, benadrukt Van Kooten. ‘De leeftijd, de levenservaring en het gezonde verstand.’ Zijn vrouw Barbara vond het in elk geval prachtig. En die was heus niet idolaat van alles wat hij in het verleden schreef. ‘Op Koot droomt zich af had ze hier en daar kritiek. Dat snap ik wel. Ik vind het nu zelf ook soms te onvolwassen, te ijdel, te tevreden met mezelf. Ik geef toe: ik ben niet ongelukkig met mijn leven. In feite ben ik veel te gelukkig voor een mooi schrijverschap. Maar dat moet er niet te veel van afstralen.’ De verrekijker is anders van toon. ‘Hier ben ik beter in balans. Het is ook meer één geheel.’ Waarschijnlijk ook omdat Van Kooten elke ochtend voor hij ging schrijven het hele verhaal vanaf het begin weer doorlas. ‘Dan komt er vanzelf één stroom in. Ik hoop dat het een beetje een staalkaart is van wat ik als schrijver kan. Ik probeer bij dat schrijven ook af en toe een goede grap te maken. Het mooiste is het als je tijdens het schrijven zelf in de lach schiet. Zit je ’s nachts om half drie in je eentje boven je krassende pennetje opeens hardop te grinniken. Dat is een groot geluk.’
Bewaardrift
Het fotoalbum van zijn vader heeft hij dan wel uitvoerig bekeken, maar voor het doorpluizen van zijn vaders agenda’s voelt Van Kooten weinig. Dat is te zeer een inbreuk op diens privacy. ‘En ergens is er ook de angst voor wat je misschien zult lezen. Straks staat er: “Ik heb Kees al zeker twee weken niet gezien. Wat verlang ik naar mijn kleinkinderen. Jammer dat ik ze maar zo weinig bij me heb.” En ik ben ook bang dat ik iets lees en daar vervolgens wéér over ga schrijven. Ik heb al zo veel over mijn familie geschreven. Dit is echt het laatste.’
Naast de deur van zijn werkkamer staan zijn eigen agenda’s, van The New Yorker. Aanzienlijk kloeker van formaat dan de kriebelboekjes van zijn vader. Ook bij hem zitten ze vol met stille getuigen uit voorbije decennia. ‘Deze is uit 1995. Met foto’s, briefjes van de kinderen, krantenknipsels en staatjes met de kijkcijfers van Van Kooten en De Bie. Zie je? Alles zit erin.’ Die bewaardrift deelt hij met Wim de Bie. Ze zijn altijd meesterbewaarders geweest. ‘Vorige week was ik nog bij Wim. Hij liet mij zijn archief zien en zei: “Het is toch te gek wat ik allemaal bewaard heb? Alles van vroeger is er nog. Inclusief elk blaadje van de padvinderij.”’
Dan opeens onverwacht ernstig: ‘En ja, wat is dat nou, hè? Ik denk dat het wel eens met angst te maken zou kunnen hebben. De angst om kwijt te raken. In de oorlog werden er voortdurend dingen van je afgepakt. Er was geen eten, er waren geen kolen voor de kachel, de vader van je vriendje werd doodgeschoten. Je was gewend om mensen en dingen kwijt te raken. Na de oorlog werden we door onze ouders behoorlijk verwend. Toen bleef je toch doorlopend bang dat die extraatjes op een dag weer zouden verdwijnen. Alles wat je bezat, wilde je vasthouden. Of dat nou Kapitein Rob, de Ketelbinkiekrant of een voetbalplaatje was… het moest per se bewaard blijven. Wim en ik voelden op ons achttiende al een heftig jeugdsentiment.’
Terwijl hij niet bewaart “voor iemand”, zegt Van Kooten. In feite zou hij na elk boek dat hij geschreven heeft de betreffende documentatie zonder problemen weg kunnen gooien. ‘Na Hedonia had ik alles over Woody Allen weg kunnen mieteren. Maar het staat er nog steeds.’
Handgeschreven brief
Bewaren is nog iets heel anders dan verzamelen. Hij komt ze geregeld tegen: de fanaten, de beroepsverzamelaars. Hij herkent ze in één oogopslag wanneer hij zit te signeren. ‘Achter in de rij staan altijd een paar mannen met twee plastic tassen vol met oude platen en boeken. En of je die dan alle vierenzestig even wilt signeren. Ze kijken je ook nauwelijks aan. Het gaat om die handtekening. Kennelijk bieden ze het daarna te koop aan. Gerrit Komrij had daar een mooie methode voor. Die zei: “Als ze met een heel oud boek van je aankomen, moet je in die eerste druk gewoon de datum van vandaag zetten. Dan is-ie meteen niks meer waard.”’
Ja zeg… Gerrit Komrij. Ook al dood. Zijn rouwkaart staat nog in de vensterbank. Naast foto’s van Rijk de Gooyer, Jop Pannekoek en Maud Keus. ‘Ik zet ze nu ook echt neer, omdat het er steeds meer in begint te hakken,’ zegt Van Kooten. ‘Naarmate je ouder wordt komt het steeds harder bij je binnen. Mijn moeder had een huisaltaartje voor haar beminde doden. Misschien ga ik dat ook nog eens maken. Met een mooi theelichtje ernaast.’
Met het ouder worden welt onherroepelijk de weemoed op. Zo is zijn boek een ode aan de vervlogen tijd waarin een boekenkast nog een lakmoesproef was van de geestelijke bagage van de eigenaar. ‘Als je vroeger met een vriendje mee naar huis ging, keek je altijd even in de boekenkast wat erin stond. Dat zei iets over wie zijn ouders waren. En later, in je studententijd, kon je de ontwikkeling van iemands smaak er feilloos aan aflezen.’
De verrekijker is daarnaast een grafrede op de handgeschreven brief. ‘Hoe vaak ik niet een reactie krijg: “Heel hartelijk dank voor uw handgeschreven brief!!!” Het handschrift is een verdwijnend fenomeen. Dat gaat me aan het hart. Niet voor niks heb ik Kim en Kasper voor hun verjaardag een vulpen cadeau gegeven. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik zo het handschrift van Gerard Reve voor me. Ik zie het schuinschrift van Remco Campert of de sierlijke halen van Gerrit Komrij. Zo mooi.’
Dwangloopje
Of het schrijven van een boek een ander soortelijk gewicht heeft dan zijn televisiewerk? Van Kooten denkt lang na en schudt dan nadrukkelijk het hoofd. ‘Nee. Het grote verschil is dat Wim en ik dat tv-werk samen deden. Bij schrijven ben je op jezelf teruggeworpen. Ik schreef al voordat ik televisie ging doen. Je kunt misschien zeggen dat televisie vluchtiger is dan een boek. Er blijft minder van over. Aan de andere kant: die boeken lees ik ook nooit terug. Voor mij is er geen duidelijk verschil. Ik sla een boek niet hoger aan dan een goede dramaserie.’
Sterker nog: hij ziet soms verbluffend goede dingen op televisie. Hij vraagt of ik laatst aan het slot van De Wereld Draait Door toevallig die aflevering van Lucky TV over Ruud Lubbers gezien heb. Nee? ‘O, die móét je zien,’ zegt Van Kooten. Hij roept Barbara, zijn vrouw en tevens ‘hoofd techniek’, en vraagt of ze het stukje op Uitzending Gemist misschien even wil opzoeken. En ja, daar is Lucky TV, met een knap getrukeerd filmpje waarin Lubbers in Nieuwsuur wel heel onverwachte ontboezemingen doet. De koningin belde hem op, daagde hem uit. ‘Ik heb in die jaren ontzettend veel seks gehad. Het is heel goed dat het gebeurd is. En ik heb nergens spijt van gehad. Ik had iets uit te leggen aan Claus.’
Van Kooten staat er stralend naar te kijken. ‘Geniaal,’ zegt hij dan. ‘Geniaal in het satirische doordenken, in de vrijpostigheid. Dít is de nieuwe satire. Chapeau voor die jongen, die Sander van de Pavert.’
Dit gaat nog een stap verder dan de satire van Van Kooten en De Bie, vindt hij. ‘Er komt gewoon geen schmink meer aan te pas. Die stem is zo briljant ingesproken, er is zo fenomenaal gebruikgemaakt van bestaand materiaal. Het is ook zo goed omdat heel Nederland dat fluistert: “De koningin heeft vast iets met Lubbers gehad.” Dat enorm ijdele, dat opschepperige van Lubbers zit er ook helemaal in. Het is echt dodelijk. En allemaal in één minuut. Prachtig. Net zoals laatst die uitzending van Koefnoen, de dag na het interview met Holleeder in Collegetour. Daar heb ik ook ademloos naar gekeken. Geniaal, en ook in één dag gemaakt.
De techniek is ongelofelijk veranderd. In mijn jeugd zaten grote entertainers allemaal nog vast aan een microfoonsnoer. Wim Kan zat naast een wijnkoeler, Toon Hermans legde zijn hand op de microfoonstandaard. Het is allemaal enorm veranderd toen het opeens snoervrij kon. Toen is ook de ellende begonnen. Ze kunnen niet meer stáán. Daardoor ontstaan de vaste loopjes, de quasiverontwaardigde beweginkjes. Doodmoe word je van die heen en weer hollende jongens. Ze hebben zichzelf tot een komische kooi veroordeeld, hebben allemaal hun eigen vaste dwangloopje. Daardoor verrassen ze niet meer. Je ziet het bij bijna iedereen. Ook bij Theo Maassen… dat steeds maar naar vóren komen.’
Begreep hij iets van het tumult dat laatst ontstond rondom een paar grappen die Theo Maassen maakte, onder meer over de slachtoffers van de cafébrand in Volendam?
‘Het is toch weer de oude kwestie van vrijheid van meningsuiting. Natuurlijk mag je alles zeggen. Maar toch… Ik moest denken aan een interview met drie leden van Monty Python. Na Life of Brian werden ze geïnterviewd door Malcolm Muggeridge van de BBC. Die zei: “Ik vond het echt verschrikkelijk.” “Hoezo?” zeiden de mannen van Monty Python. “We mogen toch alles zeggen?” “O, zeker,” antwoordde Muggeridge. “Al lieten jullie God in zijn onderbroek rondlopen. Daar gaat het me niet om. Maar ik vond de gráppen zo slecht…” Dát is het. Ik moet totaal niet om “Volendam” en “verminkte gezichten in de zaal” lachen. Ik vind het gewoon niet léúk. Je moet niet overal grappen over kunnen maken. Nee, je moet overal góéde grappen over kunnen maken. Ik sla Theo Maassen hoog aan, heb vaak om hem moeten lachen. Maar dit soort grappen zijn aan mij niet besteed.’
Geen straat van Peekel
Voor wie er nog op mocht hopen: een mooie sleutelroman over zijn televisiejaren zal er nooit komen. ‘Nee joh, stel je vóór.’ En er komt voorlopig ook geen Van Kooten en De Bie-straat. Vorig jaar werden De Bie en hij nog benaderd door Han Peekel. Op het Mediapark in Hilversum worden binnenkort ruim twintig straten en lanen vernoemd naar radio- en televisiecoryfeeën. Of De Bie en hij er niks voor voelden om… Maar nee, geen sprake van, zegt Van Kooten ferm. ‘We hebben vriendelijk voor de eer bedankt. Alleen al vanwege het feit dat we dan met Han Peekel tussen ons in op de foto zouden moeten. Dan gaat zo iemand als Peekel daar dus handig mee aan de haal. Ik moet er niet aan denken. Hij werpt zich geheel ten onrechte op als de nestor van de Nederlandse televisie, als de bewaker van ons cultureel erfgoed. Dat is zo’n enorme geschiedvervalsing. Héérlijk om dan “nee” te kunnen zeggen.’
Ze willen helemaal geen straat?
‘Zeker geen straat van Han Peekel. Bén je gek! Als het dan toch moet, dan ga ik heel wat liever met Jozias van Aartsen op de foto.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.